Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Jozias Fraanje

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Jozias Fraanje

Veertig jaar in dienst des Konings

17 minuten leestijd

Ds. Jozias Fraanje heeft ongetwijfeld een bijzondere plaats ingenomen in Gods kerk, inzonderheid binnen het verband der Geref. Gemeenten. Zijn bediening is voor velen tot rijke zegden geweest. Op 3 sept. was het een kwart eeuw geleden, dat deze leraar op ruim 70-jarige leeftijd in Barneveld is gestorven en begraven. Op zijn grafzerk staat o.a. gebeiteld: „Uit den drek verhoogt hij den armen"(Ps. 113:4, oude rijm). Deze woorden geven geen roem in het schepsel te kennen. Ons herdenkingsartikel dient dan ook - tot roem van vrije genade - in het licht van genoemde tekst te worden beschouwd.<br />

Jozias Fraanje was een zoon van Cornelis Fraanje en Francina Op en Neer. Op 2O oktober 1878 - een zondagavond - werd hij in het dorpje Biezelinge op Zuid Beveland geboren. Tijdens de zware bevalling liet de assisterende dokter zich ontvallen: „Man, dat worden twee doden, moeder en kind" Door de nood gedrongen brak vader Fraanje toen voor het eerst uit in openbaar gebed. En de Heere gaf ongedacht verhoring. Kort daarop zei de dokter: „Fraanje, nu leven ze allebei" „Ik moest geboren worden om wedergeboren te worden", aldus heeft de latere ds. Fraanje eens gezegd. Op Gods tijd ging ook dit laatste in vervulling. Evenals zijn natuurlijke geboorte geschiedde ook zijn wedergeboorte in de weg van het wonder, zoals alles wat God doet wonderlijk is.

Jeugdjaren
Het gezin Fraanje ging bij de bekende ds. Daan Bakker - een van de opvolgers van ds. Ledeboer - te 's Gravenpolder ter kerk. Deze heeft ook nog de jonge Jozias gedoopt. 's Zondags liep men een afstand van een uur en drie kwartier naar de kerk. Dan gingen de boterhammen mee op reis. Van ware genegenheid tot de dienst des Heeren was bij de jonge Jozias echter nog geen sprake. „In zonde en ongerechtigheid heb ik zeventien jaren in die staat geleefd, gelijk een vis in het water", zo belijdt hij later. „Maar op mijn zeventiende jaar, toen ik arbeider was bij Jan Rottier te Biezelinge, is op het land iets bijzonders gebeurd. Daar heeft de Heere bemoeienissen met mij gemaakt en heb ik werkzaamheden gehad van mijn 17de tot mijn 21-ste jaar".
Was het algemene of bijzondere genade? Op zijn 21ste jaar spanden vlees en bloed, wereld en duivel samen. De begeerte tot de zonde verkreeg enige tijd sterk de overhand. Toen werd het voor de jonge Jozias een vaststaand feit, dat zijn werkzaamheden slechts bestonden bij de gratie van opvoeding en vermaning. Tot driemaal toe poogde hij zich te verdrinken, maar steeds weer werd om een of andere reden dit vreselijk voornemen verijdeld. Tot zijn 26ste jaar leefde hij min of meer onder zware overtuigingen, „strijdend tegen God en Zijn geboden". Toen brak de vierde zondag aan in het jaar 1902. Op deze zondag kwam de jonge Fraanje te Goes onder het gehoor van ds. G. H. Kersten, destijds oefenaar te Meliskerke. „Als een wanhopige liep ik op de aarde en onder deze omstandigheden ging ik ter kerk!" 

Ds. G. H. Kersten
Ds. Kersten sprak over de vierde Zondagsafdeling van de Heidelbergse Catechismus: „Doet dan God de mens geen onrecht, dat  Hij in Zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan ?" „Toen ging er een pijl door mijn hart; Ik ben naar huls gegaan en in de schuur gevlucht en heb daar vijf dagen en nachten gelegen. Gelijk het met Paulus was, die niet zag en niet at en dronk, zo verkeerde ik vijf dagen en nachten onder de vloek en donder van Slnal. Ik werd in de Goddelijke vierschaar al s de grootste schuldenaar en als een monster van goddeloosheid gesteld; Ik had mijzelf van de zaligheid en God van Zijn eer beroofd. Daar heb ik geworsteld, gebeden, geschreeuwd, geroepen. Ik lag verloren en moest verloren gaan. Daar openbaarde Zich God In Zijn heilige deugden". Het zijn klanken die we heden tendage weinig beluisteren, omdat we aan de hiermee aangeduide zaken zijn ontwend. Bij voorkeur wordt de bekeringsweg op een wat gemoedelijker leest geschoeid. Maar de Heere trok door met de jonge Zeeuw. Het werd een afgesneden zaak. Het behaagde de Heere Zich in Zijn deugden te verheerlijken en de geslagen breuk weer te herstellen. De jonge Jozias leerde een schuldovernemende Borg kennen en werd de verzoening met een Drieënlg God deelachtig tot zaligheid van zijn ziel. ,Nooit zal ik vergeten dat lieve woord: „Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven"." Toen de jonge Fraanje tot verandering kwam werd hij bepaald bij Psalm 68:9, het laatste gedeelte: „Gij hebt heerlijke gaven fyn, Ons die verstrooid hier en daar zijn, rijkelijk laten ontvangen" (berijmlng Datheen). Op grond hiervan kreeg hij te geloven dat de Heere nog meer jonge mensen in Biezelinge tot bekering zou brengen, hetgeen geschiedde. Marien de Leeuw, Willem van Oosten, Kees en Pleter Slabbekoorn zijn alle in die tijd tot verandering gekomen en hebben - op Kees Slabbekoorn na, die jong gestorven is - soms jarenlang Gods kerk gediend als ouderling. Laatstgenoemde, Pieter Slabbekoom, is op 87-jarige leeftijd van het vorenstaande nog een levend getuige. Reeds meer dan vijftig jaren dient hij de gemeente Biezelinge in het ambt van ouderling.

Ds. H. Roelofsen
Na de dood van ds. Bakker in 1885 werd de gemeente 's Gravenpolder bediend door ds. Ruben van Terneuzen. Daar deze nogal afwijzend stond tegenover de „nieuwe dominees" (in dit geval ds. Kersten) en ten opzichte van de bekering van de jonge Fraanje - „ze zijn tegenwoordig nogal gauw bekeerd" - kreeg Jozias meer betrekking op de Geref. Gemeente te Goes, vooral na de komst van ds. Roelofsen in 1906. Met deze leraar werden nauwe en duurzame banden gelegd. Ds. Fraanje noemde hem later zijn geestelijke vader. Vandaar dat Jozias zich aansloot bij de Geref. Gemeente te Goes en hier deelnam aan het Heilig Avondmaal. Na zijn verandering leefde de jonge Fraanje, volgens eigen getuigenis, enige tijd als een bekeerd mens. Hij ging 's zondags drie keer naar de kerk in Goes en 's avonds op gezelschap. Maar op een avond bij het naar huis gaan tussen Kapelle en Kloetinge is iets gebeurd, wat Fraanje alleen aan een zielevriend heeft verteld. „Tussen het spoor en de sloot was een worstelperk met de macht der hel; mijn hoed heb ik nooit meer gevonden. In die strijd moest ik het verliezen met mijn bekering en rechtvaardigmaking; maar daar heeft het God behaagd mij te overwinnen door het bloed des Lams. O, daar heb ik mijzelf zien sterven en de Heere Jezus leven. Zijn dood deed mij leven en Zijn leven deed mij sterven. Toen moest ik in heiligmaking sterven om te leven"
Voor menig godsdienstig belijder is dit helaas Sanskriet. Een solide bekering betekent immers het einde van alle tegenspraak? Maar Fraanje was zo bevoorrecht in de praktijk van het arme-zondaarsleven zijn bekering in te ruilen voor Christus' Borggerechtigheid. „Zo heeft de Heere mij, arme dwaas, een plaats willen geven in Zijn hart, huis en onder Zijn volk". En in deze, het vrome vlees kruisigende weg, riep de Heere hem tot arbeider in Zijn wijngaard.

Roeping tot het ambt
Fraanje's grootvader had eens te kennen gegeven dat één van de kinderen uit zijn geslacht dominee zou worden. Diens eveneens begenadigde vrouw, moeder van een groot gezin, was baker. Met de Bijbel onder de arm ging ze naar de kraamvrouw, bij wie ze geroepen werd. Hier las ze eerst een hoofdstuk uit de Bijbel en ging vervolgens voor in gebed. Een grootmoeder in de praktikale uitoefening van het ambt aller gelovigen en straks een kleinzoon in het ambt van herder en leraarl

Legio waren de bezwarenl Op 20-jarige leeftijd op bescheiden wijze als voerman begonnen, was Jozias nu door 's Heeren zegen in het bezit van een mooi span paarden en een mooie wagen. Bovendien had hij vanwege de verplichte vaccinatie nooit de school bezocht. Lezen en schrijven had hij dan ook op latere leeftijd zich eigen gemaakt. De jonge Fraanje achtte zich tot het ambt totaal onbekwaam. „Wat heb ik gevochten tegen de Almachtige, dat Hij het leraarsambt van mij weg nemen zou". Maar de Heere verenigde hem onvoorwaardelijk met Zijn heilige wil.
Een benauwde nacht ging eraan vooraf. Ds. Roelofsen werd ermee bekend gemaakt. Hij zei 's nachts tegen zijn vrouw: „Onze Jo zit in de banden, maar de Heere heeft hem eruit geholpen". En toen hij de volgende morgen zijn jeugdige vriend ontmoette, zei hij: „In de afgelopen nacht hebt gij van twaalf tot vier uur in de banden gezeten en ik heb bemerkt, dat het er met jou om gegaan is. Om vier uur zijn je banden gebroken; ik werd bepaald bij deze woorden: „In de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken en zal hem verheerlijken". (Psalm 91:16b)

Vervolgens deed Fraanje zijn verslag. Ds. Roelofsen zei: „We zullen je voor het leraarsambt onderzoeken". Dit onderzoek werd met een gezegende uitslag bekroond en aan Jozias Fraanje werd consent verleend om in de vacante gemeenten der classe en tijdens afwezigheid van ds. Roelofsen te Goes een stichtelijk woord te spreken.

Ambtelijke bediening
„Het preken heb ik geleerd tussen Kloetinge en Goes op een grindhoop", merkt ds. Fraanje in een van zijn geschriften op. Het is die nacht daar een bange worsteling geweest. Bij vernieuwing mocht de toekomstige oefenaar toen verstaan wat het zeggen wil: „Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken dat verloren was". (Matth. 18:11) Het werd tevens de tekst voor zijn eerste predikatie. En zo werd Fraanje vervolgens na het vertrek van ds. Roelofsen naar Bruinisse aangesteld als lerend ouderling te Goes. Hier trad hij ook in het huwelijk met mej. Pietemella Filius en werd dit huwelijk gezegend met de geboorte van een tweetal kinderen.

Reeds in 1912 leidde de weg naar Terneuzen, waar oefenaar Fraanje na verloop van tijd door ds. Van Oord in de volle bediening als predikant werd bevestigd. Na een bijna tweejarig verblijf alhier werd Temeuzen verwisseld met Rotterdam. "Ik heb tegen Rotterdam opgezien als een berg, maar het is alle meegevallen", aldus ds. Fraanje in een herdenkingsrede. „O, wat vond mijn geestelijk leven daar vermaking!"

Van Rotterdam leidde de weg terug naar Goes en tenslotte - na hier viermaal te zijn beroepen - naar Barneveld. Hier werd ds. Fraanje door ds. H. Kievit uit Veenendaal uit 1 Cor. 3:9 bevestigd. Het was juist in de tijd van de Spaanse griep (1918). In Barneveld heeft ds. Fraanje na een ruim 30-jarig verblijf zijn ambtelijke loopbaan mogen voleindigen. Onder zijn bediening onderging deze oude kruisgemeente - voortgekomen uit de arbeid van ds. Fransen - een grote uitbreiding, werd een christelijke school gesticht - nu de ds. J. Fraanjeschool geheten - en steeg het aantal Geref. Gemeenten in de classis van 8 tot 22. Ook had ds. Fraanje nog enige tijd zitting in het curatorium. In menig opzicht heeft deze leraar een dominerende, maar tevens dienende taak in het kerkelijk leven vervuld.

Ook ds. Fraanje is de weg gegaan van alle vlees en als een arme zondaar gezaligd. Daarom is alle roem in het schepsel ten enenmale uitgeslotenl „De dwaaste der dwazen, een oud gordijn gelijk, vol gaten en stoppen", zo beoordeelde ds. Fraanje zichzelf in een brief aan een bevriend predikant. We hebben inzonderheid stilgestaan bij zijn bekeringsweg en zijn roeping tot het ambt en hem hierbij zoveel mogelijk zelf aan het woord gelaten. Zijn latere levensloop ligt nog te vers in het geheugen van velen. Vooral de ouderen onder ons zullen zich de markante en innemende persoonlijkheid van ds. Fraanje nog wel kunnen herinneren.

Zijn grondslag
Wat was het geheim van de prediking van ds. Fraanje, waardoor hij van heinde en ver mensen trok en waardoor deze zowel beslag legde op de onbekeerden als wel tot onderwijs diende voor Gods geoefend volk? Men leze de nagelaten geschriften „waarin heel iets anders wordt gezegd dan in die vele, van geestelijke leringen gans ontblote geschriften, die hedentendage op de markt worden gebracht" (Ds. F. Mallan in „Herinneringen").
Men heeft wel eens opgemerkt dat, ingeval ds. Fraanje academische vorming had genoten, hij een dr. Owen, zeker in geestelijke diepgang, zou hebben geëvenaard. De bekende prof. Van Ruler - die meer dan eens bij ds. Fraanje heeft gekerkt - heeft tegen zijn studenten gezegd: „Als jullie een dominee willen horen, die zonder studie veel Bijbelkennis heeft, dan moeten jullie ds. Fraanje gaan beluisteren!" Het soeverein welbehagen des Vaders in Christus geopenbaard als enige grondslag der zaligheid en verheerlijkt door onwederstandelijke genade is het stramien van zijn prediking geweest. In deze prediking werd de breuk niet op het lichtst genezen, noch de huik gehangen naar de geest van deze tijd. De dood in Adam en het leven in Christus werd op zakelijke wijze verkondigd, waarbij zowel de wettische Jood als de wetsschuwe antinomiaan gelijkelijk in de hartader werden getroffen. Niet zonder heimwee kunnen we ons de tijd te binnen brengen, waarin er nog zoveel meer glans lag op het geestelijk leven en de broederband zoveel sterker werd gevoeld. Dit in tegenstelling tot onze tijd vol van vreemdsoortige geestelijke acrobatiek en vroom boerenbedrog. Helaas, klaagt ds. Fraanje in een van zijn preken, zou men niet moeten zeggen dat Neerlands kerk haar smaak verloren heeft, waardoor men het kostelijke van het snode niet meer weet te onderscheiden? Meermalen heeft hij de vrees uitgesproken dat er zware tijden voor Neerlands volk en kerk te wachten staan. Zelf noemt hij zich een zondaar onder het oordeel geboren, onder het oordeel toegebracht en onder het oordeel geroepen om Gods kerk te dienen. Tot dit laatste heeft de Heere hem ruim veertig jaar in staat gesteld. Tenslotte is het vervuld geworden: „ Uit den drek verhoogt hij den armen". Het is het genadeloon geweest van een trouwe knecht in 's Heeren wijngaardl

Mevrouw Fraanje
Mevrouw Fraaqje woont nog steeds in de schaduw van de kerk, die haar man zoveel jaren heeft gediend, zij het dan ook dat het oude kerkgebouw inmiddels door een nieuw is vervangen, zij heeft inmiddels de zeer hoge leeftijd van 86 jaar bereikt. Hoewel zwak en slecht ter been geniet zij nog een redelijke gezondheid. Evenals veel oude mensen leeft ze met haar gedachten veel in het verleden en haalt — uiteraard begrijpelijk — graag herinneringen op uit het leven van haar man. Op de vraag hoe zij haar man heeft leren kennen vertelt ze, dat ze op een zondagavond op een gezelschap bij een diaken te Biezelinge voor het eerst haar toekomstige echtgenoot heeft ontmoet. Fraaqje was destijds nog oefenaar en sprak op dit gezelschap over geestelijke zaken. Tijdens dit gesprek voelde mevr. Fraanje ten zeerste haar persoonlijk gemis. Bij het afscheid nemen werd ze erbij bepaald, dat dit haar toekomstige man zou worden. Over zulke gedachten voelde ze zich bijzonder bezwaard: dat was onmogelijk. Bovendien had ze hem nog nooit gesproken! Anderzijds kreeg ook ds. Fraanje werkzaamheden met deze zaak. Hij had echter liever een sterker en zijns inziens gezondere vrouw. Maar o.a. de woorden: ,Ik zal haar de gezondheid doen rijzen" overwonnen alle tegenstand. En het eerste bezoek van oefenaar Fraanje werd tevens een huwelijksaanzoek. En nu heeft de destijds zo zwak geachte mevrouw Fraanje haar man reeds een kwart eeuw overleefdl Veel wederwaardigheden ook in familleverband zijn haar deel geweest. Haar negen kinderen zijn echter allen nog in leven, maar worden door het aantal kleinlnderen en achterkleinkinderen rijkelijk overtroffen. Twee dochters — van wie één ongehuwd — wonen bij haar in. In haar jeugdjaren leefde mevr. Fraanje onder veel indrukken. De prediking van de bekende ds. Pauwe is voor mevr. Fraanje destijds het middel geweest, dat haar blinde zielsogen werden geopend. Ds. Pauwe sprak over de tekst : „Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt die vindt en die klopt die zal opengedaan worden". (Matth. 7: 8). Deze woorden werden toen in haar leven in beginsel bewaarheid. Uit het leven van haar man weet zij menige belangwekkende bijzonderheid te vertellen, die mede in dit artikel zijn verwerkt. Voor ons allen mocht de vermaning van de apostel gelden: „Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling". (Hebr. 1 3 : 7 ) .

BRIEFCITAAT

„Ik ging woensdag naar V. en moest daar om half drie trouwen en kerkeraad bevestigen. Men kwam mij daar met een auto halen. Vandaar ging ik naar E. Daar moest ik dopen en trouwen en 't was pas om acht uur dienst. Dat viel mij een beetje tegen. Zoliaat en dan zo oud en vermoeid. Ik zei zelfs, had ik het geweten, zo laat, dan had ik misschien niet gekomen. Maar we hebben de kinderen gedoopt, 't Zaaltje was buitengewoon vol. Ik heb gepreekt over Titus 2 : 13 met zeer veel vrijmoedigheid. Toen zijn we met de auto naar R. gegaan. Onderweg waren de stormen inwendig buitengewoon, op Gods majesteit, op mijn persoon, ambt en bediening en de zonde was brandende in een hoge mate, doch Koning Jezus behield het veld. Wij kwamen laat bij W. aan, gingen nog voor twaalf uur naar bed, hadden een paar uur geslapen en daar kwam God onverwacht met Zijn volle majesteit over in Christus met Zijn Geest. Wat ben ik schuldig geworden als mens, man en vader, kind en knecht. Wat heb ik mogen bukken en alles af mogen leggen en over mogen geven. Gods kerk, mijn werk, o ik kwam op niets terecht, maar was zo verslonden in Gods deugden en God zette de stroom even open. O, geliefde broeder, daar werd ik verslonden in Gods zuivere liefde, alle zonde en haat en alles wat hinderlijk is verteerde en vol van Zijn liefde zakte ik weg en daar nam God mij op. Uitwendig wist ik niet meer waar ik was, maar waar ik was, was geen tijd, geen zonde, geen strijd; daar ontbrak niets. Wat er niet was kan ik zeer veel van zeggen, maar o geliefde broeder, de volle heerlijkheid in haar glans en haar stralen, wat ik zag en wat ik hoorde en wat ik was, geen oog heeft het gezien, geen oor heeft het gehoord en het is geen hart opgeklommen, geen mond kan het uitspreken. O, wat heb ik in mijn beste ogenblikken nog ver beneden het peil van die glans gestaan. O, gelijk een blinde over kleuren zal spreken, zo zal het in het licht ook wat anders blijken te zijn. Ik ben weggeweest, ik ben boven geweest, de heerlijkheid zweeft me nog soms in de gedachten, maar uitspreken kan ik het niet. Ik ben weer gekomen, doch was een beetje gekrenkt, ik dacht: zal ik naar huis gaan, doch neen, dat kwam weer bij en ik ben naar R. gegaan, ben op de vergadering van het curatorium gekomen, wij hebben elkander gegroet. Ze waren er allen, uitgenomen broeder B die ongesteld was. Ds. R. was in uw plaats. 'k Heb laten zingen Psalm 89 :1 en heb in korte trekken alles mogen mededelen. De zaken ben ik in God kwijtgeraakt, of Hij iets gebiedt of toelaat. Ik ben de minste geworden van allen, indien ik wetend of onwetend iemand iets mocht hebben misdaan. God had mij alles vergeven, en ik vroeg of ze mij, de minste en de dwaaste, dat ook wilden doen en mij in alles wilden verdragen. Ik heb wenende het wonder van God bewonderd."
(Uit: „NAQELATEN GESCHRIFTEN" Brief aan ds. W. C. Lamaln d.d. 14 juni 1947).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 6 September 1974

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

Jozias Fraanje

Bekijk de hele uitgave van Friday 6 September 1974

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken