Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Altijd zingen de bomen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Altijd zingen de bomen

5 minuten leestijd

Altijd zingen de bomen waar Wüem Schorer zijn aardse rustplaats heeft gevonden. Even verderop rijst het statige froot op van een oude herenboerderij, rechts slingert een dijk zich naar de Wesiterschelde en zetf staan we op een kilomters lange en kaarsrechte dijk die in het gehuchtje Driewegen begint en eindigt bij wat de volksmond „Schorer's graf" noemt. Daar, waar de twee dijken elkaar loodrecht snijden, onder de olmenbomen, heeft de grote landbezibter en regent over Staats-Vlaanderen zich een grafmonument laten maken, als een grenspaal van zijn miljoenenbeziit.

Het is een zeldzaamheid dat in ons land ergens een eenzaam graf ligt, dat geen onderdeel uitmaakt van een officiële begraafplaats. Soms worden nog wel eens gesneuvelde soldaten midden in een veld of langs een weg gevonden, maar deze worden dan op bijv. een ereveld opnieuw ter aarde besteld.

Maar nu meer over het graf zelf. Over de omheining geklommen, staan we op een steen waarin de volgende woorden staan gebeiteld: „De Weledelgestrenge mr. Willem Schorer, in leven President en Raad van de Edele Hove van Vlaanderen, superintendent der Leenen, overleden den 6den december 1800 in den ouderdom van 83 jaren en negen maanden, geboren te Middelburg den 4den Februari 1717, Job 14: 1-2, Ps. 39: 5, en Ps. 90: 10".

Br is een fouit in de steen gebeiteld. Het woordje „superintendent" staat in de inscriptie als „superendenit". Waarschijnlijk kon de steenhouwer in die tijd ook niet lezen en schrijven....

Wie was evenwel Willem Schorer en waarom ligt hij hier begraven?

Deze vraag stelden wij aan de Provinciale Bibliotheek in Middelburg die ons boeiende aantekeningen toezond, vergaard uit het boek „Levensberichten van Zeeuwen" dat de befaamde biograaf van vermeldenswaardige en verdienstelijke Zeeuwse voorvaderen, F. Nagtglas, in 1893 te Middelburg heeft uitgegeven. Omdat Nagtglas zo aardig schrijft, citeren wij letterlijk.

Wilhem ontving zijn opleiding te Middelburg van den rector Paulus Securius, die, hoewel miskend, volgens De La Rue (een Zeeuws auteur, red.), zijn naam terecht droeg. Met lof vertrok hij naar de academie te Lelden, promoveerde in de rechten, werd in 1740 lid en in 1764 president van den Raad van Vlaanderen; alsmede superintendent van de leenen, welke betrekkingen hij tot de opheffing van dien Raad in 1795 heeft vervuld. Zijn 50-jarige dienstvervulling werd door een gedenkpenning in gedachtenis gehouden.

Door zijne moeder bezat hij uitgestrekte bezittingen in StaatsVlaanderen, in welke streek hij groot belang stelde, vooral schijnt het aan ziijne wilskracht en toewijding te danken, dat de langdurige geschillen werden vereffend en de Hoofdplaat in 1780 werd ingedijkt.

Zijn einde

èchorer huwde in 1740 te Goes met Anna Elisabeth Eversdijk, welk huwelijk in 1747 aanleiding gaf tot een geruchtmakend rechtsgeding, waarover door hem werd uitgegeven: „Proces tusschen mr. Wilhem Schorer, Raad in den Hove van Vlaaderen en juffrouw Anna Elisabeth Eversdyk". Bij vonnis van het gerecht te Middelburg, bevestigd door de uitspraak van het Hof te 's-Gravenhage, weiNd het huwelijk ontbonden.

Schorer hertrouwde in november 1750 met Juliana Philippl, waaruit een dochter Hillegonda Catharina Schorer, getrouwd met Hendrik Johan Bousses, oud-officier der ruiterij. Hieruit kwamen voort: Adriaan Julianaus Bousses, als gepensionneerd ontvanger in 1855 te Middelburg overleden en Susanna Wilhelmina Elisabeth Bousses, echtgenoote van den heer J. C. de Bruijn.

Wilhem Schorer was een man van een krachtig gestel, doch In zijn laatste jaren wat moeilijk ter spraak. De staatkundige gebeurtenissen na 1795, en de opheffing van den Raad van Vlaanderen deden den ouden man veel verdriet en hebböi zijn einde verhaast. Op den 6 december 1800, uit de kerk komende, kreeg hij een beroerte op straat en was reeds gestorven, voordat hij zijne woning in de Lange Gortstraat (wijk I no. 325) werd binnengedragen. Volgens zijn wensch werd hij in Staats-Vlaanderen begraven, en in den Zuidwesthoek van den Amelia- (van Solms-)polder, tegen den dijk van den St. Pieterspolder, is nog heden „Schorer's graf" te zien. De zerk, waarin gebeiteld is Job XIV, VS. 1 en 2, Psalm XXXIX, vs. 5 en 6 en Psalm XC, vs. 10, is met

Een aantal geschriften blijven getuigen van Schorers geleerdheid en heldere denkbeelden; in menige zaak was hij de meerderheid zijner tijdgenooten vooruit. Zoo veroordeelde hij het begraven In de kerken, keurde da pijnbank openlijk af, en achtte den slavenhandel ongeoorloofd. Eenige rechtsgeleerde werken bewijzen zijn doorzicht In die wetenschap, waaronder vooral genoemd worden de met Latijnsche aanteekeningen verrijkte uitgaaf van Hugo de Groot, Inleiding tot de HoUandsche Rechtsgeleerdheid".

Polemieken

(Nagtglas geeft dan een overzicht van de heftige polemieken die Schorer met andere rechtsgeleerden voerde, zoals bijv. met J. L. Vitrlnga en Laurens Pieter van de Spiegel. Daarna komt het huidige dorpje „Hoofdplaat" ter sprake. Schorer had in navolging van Jacob Cats een grote polder op de zee veroverd, waarnaar later het dorpje de polder Hoofdplaat werd genoemd. Evenwel ontstond weer een rechtskundige twist,

„In 1784 gaf Schorer uit: „Het oppergebied der regeerders en des volks beoordeeld en bepaald", meest handelende over stuiting van het recht door de Generaliteit, bij een quaestie over de IJzendijksche schorren. Tijdens het gekibbel over de bedijking der Hoofdplaat gaf Schorer, meest onder zijn eigen naam, eenige vlugschriften uit, waarin hij het recht van Zeeland verdedigde; ook in de verhandelingen van het Zeeuwsch genootschap komen stukken, o.a. over het Tweegevecht (1775), van dezen bekwamen man voor".

Dramatisch

Aldus Nagtglas In zijn biografische aantekeningen. Hij heeft ons een typische achttiende eeuwse regent getekend, die evenwel niet in behaaglijke kussens bleef zitten zoals zijn medeburgers in de Pruikentijd, maar verhandelingen schreef en polders indijkte. Toch bleef hij een man uit de achttiende eeuw, welke ook een Rhijnvls Feith voortbracht die uiterst droevige, smartvolle en tranenrijke liederen schreef met een voorkeur voor het bombastische en melo-dramatische.

Het zal ook wel een tikkeltje van deze sfeer zijn geweest, waarom Schorer bij testament bepaalde dat zijn graf in de uiterste hoek van zijn landaanwinningswerk zou zijn. Opdat altijd de bomen zouden zingen....

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 oktober 1974

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

Altijd zingen de bomen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 oktober 1974

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's