Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE BIJBEL SPREEKT DUIDELIJK OVER HET GEESTELIJK ISRAËL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE BIJBEL SPREEKT DUIDELIJK OVER HET GEESTELIJK ISRAËL

Nogmaals het chiliasme

19 minuten leestijd

Enkele weken geleden schreef ik in ons blad een tweetal artikelen over het chiliasme, in het bijzonder over de premillennionistische vorm daarvan. Op die artikelen zijn nogal wat reacties gekomen. Zowel positieve als negatieve. De laatste kwamen — vanzelfsprekend — uit de hoek van hen wier opvattingen bestreden werden. Veel werd me toegezonden: brieven, stencils, brochures, een niet in de handel zijnd geschrift over het tempelvisioen van Ezechiël, met een volledige tekening van de door hem beschreven tempel; en tenslotte zelfs een compleet boekwerkje over het Israëlprobleem. Te veel om op te noemen. De lezer begrijpt wel dat we hier op dit alles niet in kunnen gaan. Het zij me vergund hier uit te spreken dat allen die me een reactie toezonden, persoonlijk antwoord zullen krijgen.

Waar het me nu om te doen is, is het volgende. Vele briefschrijvers hebben me verweten dat ik voor de door mij verdedigde opvattingen, of liever: ten behoeve van mijn bestrijding van de chiliastische leer geen of nauwelijks Schrijftbewijzen heb aangevoerd. Zij hadden vooral bezwaar tegen de volgende zin, aan het begin van mijn tweede artikel: „Daarbij gaat het ons niet om een uitvoerige weerlegging vanuit de Schrift - dat zou een boekdeel vergen veeleer willen we de lezer laten zien wat de logische consequenties zijn van deze leerstellingen".

Redelijke godsdienst
Nu kan ik me dat bezwaar enigszins voorstellen. Daarom wil ik er in dit artikel ook enigermate aan tegemoet komen. Toch wil ik eerst nog enkele overwegingen naar voren brengen ter verdediging van de door mij gebruikte methode. In de eerste plaats: de twee bewuste artikelen werden niet geschreven voor een chiliastisch publiek, maar voor de gemiddelde abonnee van het RD. Daar dienen mijn opponenten wel rekening mee te houden.

In de tweede plaats: wij hebben een redelijke godsdienst, een logikè latreia (Rom. 12:1). Dat betekent volgens mij o.a. dat er een goddelijke samenhang aanwezig is in de Schrift en in de leer der zaligheid. Vandaar dat we - om maar een voorbeeld te noemen - ons niet hoeven te verwonderen dat een Jehovagetuige niet volkomen zeker is en kan zijn van zijn eigen zaligheid. Dat kan ook nauwelijks anders, aangezien hij de Bijbelse leer van de Drieëenheid loochent. En is het ook niet „logisch" dat een getuige niets begrijpt van het volmaakt-zijn in Christus, dus van Christus' Borgwerk, wanneer we constateren dat hij in Christus geen goddelijke Persoon ziet, eenswezens met de Vader?
In de derde plaats wil ik erop wijzen dat ik het Schrijftbewijs niet helemaal weggelaten heb. Ik heb zelfs een volledig hoofdstuk uit de Bijbel genoemd, nl. 2 Petr. 3. Grappig was dat één van de briefschrijvers me schreef dat Gods Woord kort (dit woord was onderstreept) en duidelijk weerlegt en dat derhalve een weerlegging vanuit de Schrift geen boekdeel vergt. Was dat maar waar! In ieder geval heeft deze briefschrijver met deze zin zijn eigen vonnis geveld. De verwijzing naar 2 Petr. 3 was voor hem kennelijk niet genoeg. Terwijl ik toch de overtuiging toegedaan ben dat dit en hoofdstuk de fundamenten van de chiliastische leer omverwerpt.

Geestelijk Israël
Dat laatste wil ik nu in dit artikel aantonen. Maar vóór ik 2 Petr. 3 aan de orde stel, wil ik eerst laten zien dat de Bijbel wel degelijk de gedachte kent dat de Kerk, of de Gemeente, het ware, geestelijke Israël is. Dat is nodig omdat uit de reacties weer eens duidelijk werd, dat hier één van de wezenlijke knelpunten ligt tussen chiliasten en niet-chiliasten.
In Gal. 3:7 zegt de Heilige Geest bij monde van de apostel Paulus dat de gelovigen (uit Jood én heiden) kinderen van Abraham zijn. Enkele verzen verder lezen we dat de gelovigen gezegend worden met de gelovige Abraham. Dat betekent dat ze precies dezelfde zegen deelachtig worden als Abraham. Het is in overeenstemming met andere Schriftplaatsen, want de Heere Jezus heeft Zelf eens gezegd (Matth. 8:11) naar aanleding van het geloof van een heidense hoofdman dat er velen zullen komen uit de gehele wereld om met Abraham, Izak en Jakob aan te zitten in het Koninkrijk Gods, terwijl de kinderen des koninkrijks (nl. de Joden) buitengeworpen zullen worden. En dat koninkrijk is niet het duizendjarig vrederijk, want dan zou er van uitwerping van de Joden als kinderen van het koninkrijk geen sprake zijn.

Trouwens, het bekende schriftgedeelte over de helden des geloofs, Hebr. 11, leert ons duidelijk dat Abraham uitzag naar een beter, dat is naar een hemels vaderland. De gelovigen, de Gemeente, zullen dus met Abraham en de andere aartsvaders in de hemel zijn bij God en het Lam.
Het is daarom ook een misvatting te menen dat de belofte aan Abraham en zijn zaad zich beperkt zou hebben tot het bezit van het aardse land Kanaan. Nee, op grond van de belofte verwachtte hij de stad die fundamenten heeft. Daarom was en bleef hij in het land der belofte een gast en een vreemdeling. En dat gold voor alle ware Israëlieten onder het Oude Verbond. Het land Kanaan was slechts een schaduw en een onderpand van de rust die overblijft voor het volk van God (Hebr. 4:9). Jozua had het volk niet in de ware rust gebracht (vs 8). De fout van het merendeel van het volk Israël is geweest dat ze met hun geloof, hoop en verwachting bleven steken in het teken en niet door het teken heen zagen op de betekende zaak: het hemelse vaderland. En dat hing samen met hun oppervlakkig denken over de zonde en de schuld.

Erfgename
Maar terug naar de Galatenbrief. In 3:29 zegt de apostel, door de Geest Gods geïnspireerd, dat allen die geloven (dus zowel Jood als heiden) het zaad van Abraham zijn, en daarom naar de belofte erfgenamen. De belofte aan Abraham en zijn zaad was ds erfenis van het land Kanaan. De Heilige Geest getuigt hier in het N.T. derhalve dat de gelovigen de vervulling van de belofte zullen ontvangen. We hebben hier tevens een bewijs dat het land Kanaan een afschaduwing was van de, hemelse erfenis die voor de Gemeente is weggelegd (1 Petr. 1:4, Ef. 1:14).

Ook op een andere manier kan het bovenstaande duidelijk gemaakt worden. Paulus zget in Ef. 3:6 dat de heidenen mede-erfgenamen geworden zijn en mededeelgenoot aan Gods belofte. Ook dit impliceert dat de Gemeente in wezen dezelfde belofte ontvangt als Israël. Opvallend is ook dat in het N.T. nogal eens gesproken wordt over „de belofte" (b.v. Hand. 2:39, 13:32). Kennelijk gaat het dan steeds om iets dat als bekend wordt verondersteld. Inderdaad, het gaat om dé belofte uit de profetie, de belofte van het Nieuwe Verbond; dat is hetzelfde als de belofte van de gave van de Heilige Geest,

De gelovigen zijn dus, de erfgenamen van de belofte, aan Israël geschonken. Dezelfde apostel Paulus zegt b.v. ook in 2 Cor. 7:1: „Dewijl wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelf reinigen van alle besmetting des vleses en des geestes". Met „wij" bedoelt hij kennelijk zichzelf en de gemeente van Corinthe. En het woord „deze" kan blijkens het verband alleen maar terugslaan op de beloften uit het O.T. die hij in 6:16-18 aanhaalt.

Wie de daar genoemde beloften tot zich door laat dringen en in het verband waarin ze in het O.T. voorkomen (lees Jer. 31:1, Ezech. 37:26) opzoekt, zal bemerken dat het hier gaat om enkele van de meest essentiële beloften aangaande het Nieuwe Verbond of het Messiaanse vrederijk. Paulus - let wel: door de Geest geïnspireerd! - past deze beloften onbekommerd toe op de Gemeente! Alleen deze ene Schriftplaats moest chiliasten ervan overtuigen dat het onjuist is de Kerk te verwijten dat zij de beloften aan Israël gedaan op onrechtmatige wijze voor zichzelf opeist.

We gaan weer even terug naar de Galatenbrief. We vestigen nu de aandacht op hoofdstuk 4:21-31, de bekende „vergeestelijking" van de geschiedenis van Hagar en Ismaël. In deze pericoop staan tegenover elkaar: twee vrouwen, Hagar en Sara; twee zonen, Ismaël en Izak; twee bergen, de berg Sinaï en de berg Sion; en twee steden, het aardse Jeruzalem en het hemelse Jeruzalem (vgl. Hebr. 12:22). Uit het hele verband blijkt: niet de Joden, d.w.z. het natuurlijke zaad van Abraham, zijn de kinderen der belofte, maar de gelovigen. „Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte", net als Izak (vs 28). De Joden zijn kinderen van de dienstbare, de Gemeente is kind van de vrije, kind van het hemelse Jeruzalem (vs 31, VS 26). En de zoon van de dienstbare zal niet erven met de zóón van de vrije! Daarom moet de eerste uitgeworpen worden.

In de brief aan de Romeinen heeft Paulus niet anders geleerd. In 4:11 lezen we dat Abraham in God geloofde, toen hij nog niet besneden was, en dat hij daarom een vader is van allen die wel geloven, maar niet besneden zijn, dus van de gelovigen uit de heidenen. Maar blijkens vs 12 is Abraham óók de vader van degenen die wél besneden zijn. Om nu geen misverstand te wekken, voegt de apostel eraan toe: „nl. degenen die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook Wandelen in de voetstappen des geloofs van onze vader Abraham". Abraham is dus de vader van alle gelovigen, hetgeen in vs 16 nog eens bevestigd wordt, terwijl vs 17 laat zien dat dit de vervulling is van de belofte aan Abraham betreffende een talrijke nageslacht. Wie vs 14-16 trouwens goed leest, zal zien dat ook hier weer sprake is van de erfenis van de belofte, die niet de Joden (degenen die uit de wet zijn) toekomt, maar de gelovigen.

Romeinen 9
Laten we nu eens een blik slaan op Rom. 9. Dat is het begin van het beroemde betoog van Paulus over het volk Israël. Paulus begint met te zeggen dat het hem ten zeerste smart dat de Joden Christus verwerpen. Nu zou evenwel iemand kunnen vragen: Maar is het Woord van God dan niet uitgevallen? Is God dan wel getrouw aan Zijn verbond met Israël? Het antwoord van de apostel is: Jazeker is God trouw aan Zijn verbond. U moet zich namelijk niet vergissen: die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn!

We hebben hier met een zeer belangrijke uitspraak te doen. Het betekent ongeveer hetzelfde als: het zijn niet allemaal christenen die christenen heten. De apostel werkt hier dus met tweeërlei begrip Israël!

Niet alleen Israël die uit Israël zijn! Het eerste „Israël" kan dan niet anders betekenen dan: het ware Israël; niet het nationale volk der Joden; niet het vleselijke Israël, maar het geestelijke! De Heilige Geest bedoelt hier dus niets anders te zeggen dan dat de beloften alleen vervuld worden aan het ware Israël, lang niet aan het Joodse volk in zijn geheel.

Nu lijkt het wel alsof de apostel de tegenwerpingen verwacht heeft, want in vs 7 en 8 zegt hij nog tweemaal hetzelfde, alleen met andere woorden. Niet alle zaad van Abraham hoort bij de kinderen van God. Niet de Israëlieten naar het vlees zijn de kinderen van God. Nee, de kinderen der belofte moet men voor het zaad van Abraham rekenen. En de kinderen der belofte, dat zijn de gelovigen; dat bleek uit de Galatenbrief reeds.

In het vervolg van dit hoofdstuk treffen we de lofzang op de uitverkiezing aan, de lofzang op het welbehagen Gods. „Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil". De apostel spreekt naar aanleiding van dit welbehagen Gods over de vaten des toorns en over de vaten der barmhartigheid. De kinderen der belofte uit vs 8 zijn dezelfden als de vaten der barmhartigheid. Wie zijn zij? Paulus zegt: ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen" (vs 24). Met andere woorden: de Kerk, de Gemeente van Jezus Christus!
Alsof dit alles nog niet genoeg is, bewijst de apostel ook nog dat het in de profetie allemaal voorzegd is. Er is dus geen sprake van dat de Gemeente in de profetie niet vermeld is en dat zij pas aan Paulus voor het eerst geopenbaard is. Integendeel, wie ziet hoe de Heilige Geest in het N.T. de profetieën toepast (geen profetie is van eigen uitlegging!), bemerkt dat ze vol zijn van de Gemeente van Jezus Christus. Een bewijs hebben we hier in Rom. 9:25-29. Hosea heeft reeds over de Gemeente geprofeteerd; Jesaja ook.

Speciale aandacht vraag ik in dit verband voor vs 27. Paulus geeft hier als bewij,s voor de roeping van de vaten der barmhartigheid een citaat uit Jes. 10:22. Let erop dat Paulus zegt: „Jesaja roept over Israël...". Toch past de Geest het toe op de gelovigen uit Jood en heiden, de „ons" uit vs 24. We moeten dat goed tot ons door laten dringen: de Heilige Geest past wat in Jesaja's profetie wordt gezegd over het overblijfsel toe op de Kerk des Heeren!!

Wederkeren
Merk nu ook op dat er één klein verschil is tussen Jes. 10:22 en Rom. 9:27. Jesaja spreekt over het wederkeren van hfit overblijfsel. Uit het verband blijkt dat het gaat om de belofte van terugkeer naar en
herstel in het land Kanaan. Nu wordt in Rom. 9:27 dit wederkeren veranderd, vertaald, in behouden worden. Het oudtestamentische wederkeren is nieuwtestamentisch de behoudenis van de gelovigen uit Jood en heiden! Ja, want ook de gelovigen keren terug naar het land waaruit ze verdreven zijn. Zijn ze niet allen - of ze nu Jood zijn of heiden - in Adam verbannen uit het Paradijs? En zullen ze niet allen, samen met de moordenaar aan het Kruis, met Jezus in het Paradijs zijn?

De grote Leraar der gerechtigheid Zelf en zijn voorloper Johannes de Doper hebben niet anders geleerd dan de apostel Paulus. Johannes riep tegen de Joden uit dat ze zich er niet op mochten beroemen kinderen van Abraham te zijn (Matt. 3:9). En Jezus zegt (Joh. 8): Als jullie kinderen van Abraham waren, zouden jullie de werken van Abraham doen. M.a.w. jullie zouden in Mij geloven en je in Mijn dag verheugen zoals Abraham gedaan heeft. En de gelijkenis van de boze wijngaardeniers leert me dat het Koninkrijk Gods gegeven wordt aan „een volk... dat zijn vruchten voortbrengt" (Matth. 21:43).

Burgerschap
Eigenlijk is in het voorgaande reeds genoegzaam bewezen dat de Bijbel de gedachte van de Kerk als het ware Israël wel degelijk kent. Toch wil ik nog een paar treffende bewijzen noemen. Dat de Schrift Zelf voor de Gemeente de naam Israël gebruikt, bleek indirect reeds uit Rom. 9:6 en 27. Nog sprekender is evenwel Ef. 2:12. Paulus heeft het daar over de heiden-christenen uit de gemeente van Efeze. Vs 11: „gij die eertijds heidenen waart!" Van hen zegt hij nu o.m. dat ze eertijds vervreemd waren van het burgerschap van Israël. Dat kan dus alleen maar betekenen dat ze nu, nu ze gelovig geworden zijn, geen vreemden meer zijn van het burgerschap van Israël. Anders gezegd: nu ze tot het geloof in Christus gekomen zijn, zijn ze burgers geworden van Israël.

Zijn de heiden-christenen uit Efeze Joden geworden? Natuurlijk niet. Ze zijn nu burgers van het geestelijke, het ware Is-raël! Een sprekender bewijs dat het Woord van God Zelf de kent ken van de Gemeente -als. het geestelijke Israël is er niet. Brakel zei in zijn gedachten over de toekomst vsn Israël: „om alle heimelijlt twijfelingen voor te komen, moet men weten, dat in het gehele N.T. door het woord Israël nooit de gelovigen, de kerk van het N.T. wordt genoemd". In het licht van Ef. 2 is dat niet vol te houden.

Bovendien: er zijn van het woord Israël ook enkele synoniemen. Bijvoorbeeld: Joden, de besnijdenis. Welnu, „die is niet een Jood, die het in het openbaar is... maar die is een Jood, die het in het verborgen is" (Rom. 2:28,29). En ook: „noch die is de besnijdenis die het in het openbaar in het vlees is de besnijdenis des harten, in de geest, niet in de letter, is de besnijdenis"!

Daaruit valt af te leiden: een gelovige (van welke taal of natie hij ook is) is een echte Jood. En elders roept dezelfde apostel Paulus uit: „Want wij (nl. de gelovigen) zijn de besnijdenis! Wij, die God in de Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees betrouwen" (Filipp. 3:,31. Hoort u hier de Heilige Geest door de mond van Paulus? Wij zijn de besnijdenis! Dat is van de apostel geen kerkelijke superioriteit en eigenwaan, maar dat is hem geleerd door de Geest van God.

Geen apart heil
Genoeg op aan te tonen dat het N.T. helemaal niet wars is van de gedachte als zou de Kerk het geestelijke Israël zijn. De chiliastische afkeer van deze gedachte is niet bijbels. Een andere vraag is natuurlijk hoe we in dit licht de spanning moeten zien tussen het innerlijke wezen en de uitwendige openbaring van de Kerk, de spanning tussen wat men de zichtbare en de onzichtbare Kerk pleegt te noemen. Daar kan hier nu niet op ingegaan worden. Het bovenstaande houdt ook niet in dat het volk Israël volledig afgeschreven is. Dat heeft ook nog nooit één gereformeerd denkend mens beweerd. De Heere houdt nog altijd Zijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk (Rom. 10:21).

Het betekent ook niet dat wij onszelf moeten verheffen boven Israël. „Zijt niet hooggevoelende, maar vrees". (Rom. 11:20) Maar het betekent wel dat, wanneer Israël zich bekeert, het door wedergeboorte en geloof Christus ingelijfd wordt, en dus zal gaan behoren tot de Gemeente. Dan zal het mét de oudtestamentische gelovigen en mét de nieuwtestamentische Gemeente uit gaan zien naar een beter vaderland, het hemelse vaderland, omdat daar Christus is die heengegaan is om voor de Zijnen daar plaats te bereiden. Er is geen apart heil voor Israël en de Gemeente. Te spreken van een duizendjarig vrederijk op aarde, is misleidend, want niet schriftuurlijk. Moge dat ten slotte blijken, als we nog even ingaan op 2 Petr. 3.

Oordeelsdag
Petrus schreef deze brief aan allen die hetzelfde dierbare geloof ontvangen hadden als hij zelf (1:1). In 3:14 zegt hij tegen hen: „Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u, dat gij onbevlekte en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede". Uit het voorafgaande blijkt dat hij met „deze dingen" vooral twee dingen bedoelt. In de eerste plaats: de oordeelsdag, de dag van de verderving der goddeloze mensen. In de tweede plaats: de nieuwe hemel en nieuwe aarde er zullen zijn na de dag des oordeels. Op die dag zullen de tegenwoordige hemel en aarde door het vuur vergaan. Tot driemaal toe spreekt de apostel daarover in bijna apocalyptische woorden (vs 7, 10, 12). Petrus, door de Heilige Geest geïnspireerd, richt derhalve de verwachting van de Gemeente, Gods volk, op de Dag des Oordeels. Hier is helemaal geen plaats voor een verwachting van een duizendjarig vrederijk op aarde, te meer niet wanneer men in vs 12 zelfs leest: „verwachtende en haastende tot de toekomst van de dag Gods". Onze verwachting dient dus, als we kinderen van God zijn, zich uit te strekken naar het grote eindgericht.

Er is nog meer waar de aandacht op gevestigd dient te worden. Als Petrus zegt: ,.Maar wij verwachten naar Zijn belofte een nieuwe hemel en een nieuwe aarde", verwijst hij zijn lezers naar Jes. 65:17-25. waar deze belofte in het O.T. voorkomt. In dit Schriftgedeelte ontmoeten we de bekende schildering van het vrederijk voor Jeruzalem en zijn inwoners. Het is de belofte van grote blijdschap, voorspoed, vrede „Men meent steeds vaker, dat lang tussen mensen onderling, vrede tussen mens en dier, en zelfs van vrede tussen de dieren onderling: „De wolf en het lam zullen tezamen weiden...".
Deze belofte komt ook elders in de profetie voor. Dat blijkt wel als men Jes. 11:1-9 hiernaast legt. En zo zou er nog meer te noemen zijn. De belofte van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde is niets anders dan de belofte van het Messiaanse vrederijk! Welnu, uit 2 Petr. 3 - en trouwens ook uit Openb. 21 - blijkt ten eerste dat deze belofte aan de gelovigen vervuld zal worden: zij verwachten op grond van deze belofte de nieuwe hemel en de nieuwe aarde; en ten tweede dat ze pas vervuld wordt, als de tegenwoordige hemel en aarde (die we nu zien dus) brandend vergaan zullen zijn, dus pas na de jongste dag, de dag van de toekomst Gods.

Opvallend is ook nog dat Petrus in het tweede vers van het onderhavige hoofdstuk zegt dat hij in beide zijn zendbrieven de gelovigen door vermaning (!!) opwekt te denken aan datgene wat de profeten uit het O.T. gesproken hebben. Daar hoort dus ook de inhoud van 2 Petr. 3 bij. Immers, Petrus zegt dit juist als inleiding tot speciaal dit hoofdstuk. Wie onbevooroordeeld leest, zal toe moeten geven dat datgene wat Petrus in dit hoofdstuk zegt over de toekomstverwachting reeds door de profeten van het Oude Verbond allemaal voorzegd is.

De chiliast zegt: Wij verwachten een vrederijk van duizend jaar op deze aarde; zelf zullen we dan met Christus heersen. Gods Woord zegt: „verwachtende en haastende tot de toekomst van de dag Gods, in welke de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten", en: „Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heilige wandel en godzaligheid"!

Tweede kans
Eén van de gevaarlijke dingen van het chiliasme vind ik dat het, ook al wordt het misschien in theorie ontkend, een „tweede kans" leert voor hen die nu het Evangelie niet gehoorzaam zijn en zich niet tot God bekeren. Als Jezus wederkomt en ik ben niet bekeerd, dan hoef ik niet zó bang te zijn, want kom ik niet in de hemel, dan heb ik toch altijd nog kans dat ik een plaatsje krijg op de nieuwe aarde. Het is voor mij de vraag of de chiliastische leer niet in wezen een psychologisch te verklaren wegwerken van een stuk realiteit van Christus' wederkomst is: het gericht over de goddelozen. Waar dan een bijbelse motivering voor gezocht is.

In een geschrift van één van de briefschrijvers, een bekend voorman in de Vergadering van Gelovigen, staat het volgende te lezen: „Verder hebben we uitvoerig overdacht dat de uitverkiezing nimmer verbonden wordt met de verlossing, dus ook niet met de vraag of iemand al of niet in de hel komt... want er zullen zeer veel méér mensen ontkomen aan de hel dan er deelhebben aan de eeuwige, hemelse uitverkiezing. Het onjuiste van de redenering is dus, dat men, omdat bepaalde mensen voor de hemel bestemd zijn, meent dat de overigen daarmee voor de hel bestemd moeten zijn. Dit is fout, want velen van hen zullen evengoed zondenvergeving ontvangen en op de nieuwe aarde wonen".

Dit is duidelijke taal. Een duidelijke consequentie ook van de vele onderscheidingen die men maakt. Maar het is wel onbijbels. Hemel en aarde vormen samen de schepping (Gen. 1:1). Het gaat dus bij de nieuwe hemel en de nieuwe aarde om de nieuwe schepping. Wie daar geen deel aan heeft, diens deel is in de poel des vuurs.

Ondermeer daarom aarzel ik ook nu niet het een en ander ketters te noemen. Dat moet wel voor de duidelijkheid. Ten slotte spreek ik hier echter in het openbaar uit dat ik alle „chiliasten" die ik persoonlijk ken, uitnemender acht dan mezelf, maar dat dat niet verhindert dat ik hun opvattingen bestrijd en „onze" kringen ervoor meen te moeten waarschuwen. Juist vanwege het Maranatha!

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 februari 1975

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

DE BIJBEL SPREEKT DUIDELIJK OVER HET GEESTELIJK ISRAËL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 februari 1975

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's