Bekijk het origineel

De konijü^ii vBmhjeky'È^^

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De konijü^ii vBmhjeky'È^^

13 minuten leestijd

Dichtbij de bosrand is een zandgat, een plaats waar heel lang geleden de boeren uit het dorp met paard en wagen naar toe reden om er zand te laden. Later toen men geen zand meer nodig had, raakte de afgraving in verval en veranderde in een met bramen en brandnetels begroeide wildernis. Zelfs de diepe karresporen werden door gras en kruiden overwoekerd en wie er nu komt zal ook deze niet meer kimnen ontdekken.

Toen de mensen daar wegbleven, Irwamen er dieren die zich er goed thuisvoelden. Verschillende vogeltjes broeden er en brengen er hun jongen groot. Enkele fazanten hebben er hun nest gemaakt en binnenkort kan men de fazantehen met haar kuikentjes zien wandelen. Vaak loopt er op een stille avond een reebok om er van takken en twijgjes te knabbelen. Maar het meest in getal zijn de konijnen, waarvan het lijkt of er ieder jaar meer komen. Veel konijnen hebben hun hol gegraven in de steile kant, omdat ze daar met weinig moeite diep onder de grond kunnen komen.

Niet alle konijnen hebben dat ge^ daan! Midden in het zandgat staan dicht op elkaar een paar door elkaar gegroeide bremstruiken. Hier in de buurt heeft een oude konijnemoeder haar huisje diep onder de grond. Ze is zelf ook (al enkele jaren geleden) in deze buurt geboren. En als de ja-" ger haar niet schiet of de vos haar niet vangt, kunnen er nóg wel een aantal bijkomen. Zoals de meeste konijntjes, is ook dit moedertje erg gehecht aan haar geboortestreek. Hoewel ze behalve moeder, ook groot- en overgrootmoeder is, heeft ze nu al weer de zorg voor een aantal kinderen, die ze veilig in een „wentel" heeft weggestopt.

Nee, het is niet — zo als men vaak denkt — dat jonge konijntjes in een hol worden geboren. Het lijkt daar wel een beetje op. Weet je waar een konijnemoeder haar jongen heeft? Luister maar.

DOOR JOH. G. VEENHOF

Tegen de tijd dat er jonge konijntjes komen gaat ze pp zoek naar een stil plekje, daar graaft ze een ondiep hol in de grond. Hierin maakt ze voor de kleintJQS een zacht bedje van wat bladeren en ander zacht spul dat ze in de omgeving vindt. Maar om- de wieg nog fijner te bekleden trekt ze wat wol uit haar Uohaam. Daarvan maakt ze een mooi rond nestje. Zo'n kinderkamer moet wel lekker warm zijn, want als de konijntjes' worden geboren zijn ze erg hulpeloos: ze hebben geen haar en zijn blind. De eerste dag en soms nog wel langer blijft de moeder bij hen. Maar als ze honger krijgt moet ze wel naar buiten om haar buikje lekker dik te eten. De jongen laat ze niet zomaar achter: voor ze op zoek gaat naar eten, maakt ze de wentel netjes dicht. De opening krabt ze dicht en het zand wordt stevig met de pootjes aangestampt. Nu doet ze er wat bladeren overheen zodat er helemaal niets meer van te zien is. Maar nog is ze niet tevreden. Ze is bang dat andere dieren de jongen zullen ruiken en om deze te misleiden doet ze een plasje op de plaats die ze heeft dicht gemaakt. Twee keer per dag komt ze terug om haar kroost eten te geven. De jongen hebben er geen hinder van dat hun moeder niet bij hen is. Pas geboren zijn het heel kleine wezentjes die eigenlijk nog helemaal niet op een konijn lijken. Na veertien da

DOOR W. G. VAN DE HULST

305. In de vroege morgen al kwam er een forse man, een vrolijk liedje fluitend, de boUenbakkerskraam voorbij, 't Was de sterke smid. Hij had tegen zijn vrouwtje gezegd: „Blijf jij nog maar lekker een poosje dutten, hoor! Tk ga vroeg aan 't werk. Ik ga vroeg de wagens nakijken, en de hoefijzers van de paarden, o: er soms iets te repareren valt. Dan zijn we vroeg klaar ook, en dan gaan we vandaag samen de stad in, naar het feest, hè?"

En toen, in die schemervroege morgeij, zag hij daar opeens een mooie, grote handschoen met een wijde, bruinieren kap op de hobbelige straatkeien liggen.

„Hé", dacht hij, „wie zou die verloren hebben? 't Is een voorname handschoen, van een voornaam heer.... Ja, er zit wel een gaatje in, en erg nieuw is hij niet meer, maar toch voornaam. Hij moet wel van een der heren van 't hof zijn".

Met plaatjes van Willem O. van de Hulst jr.

306. De sterke smid wist niet, wat verdrietigheden die handschoen al in de bakkersfamilie gebracht had. Hij raapte hem eerbiedig op.

Meenomen? Hem aan de wachters geven bij het stadhuis? Ja, d4t was 't beste.

Maar - eerst werken gaan, eerst al de bouten van de wielen- en de ijzers van de paarden nazien.... Weet je, wat hij doen zal? Hij zal die handschoen maar zolang opbergen. Dddr, in de kist onder de bank op het achterbalkonnetje, is hij veilig. En.... de handschoen verdween wéér in het donker. En de smid stapte van de ene wagen naar de andere. En de stad werd langzaam wakker. De bakker klauterde moeizaam zijn hoge bed uit. De vrouw zag aan 't hekje maar dat doekje fladderen.... De van balkon alleen handschoen? Wèg! Gelukkig, voor altijd wègl En de smid.... vergat de handschoen in de kist. gen gaan de oogjes open en komt er een beetje haar op htm lichaam. Maar als ze eenmaal gaan veranderen, gaat het vrij snel. Hun oortjes gaan overeind staan en na een week zien ze er uit als kleine, bruingrijze wolballetjes. In verhouding tot kop en lichaam zijn de oortjes veel te klein, dit maakt hen wel een beetje potsierlijk. Maar hu duurt het niet lang meer of ze komen uit de wentel om in de konijnengemeenschap te worden opgenomen. Al heel jong worden ze door hun moeder aan hun lot overgelaten. Erg is dat niet want ze kunnen zich best redden. Ze zijn nog wel onbedreven. Maar ze leren al spoedig dat er veel gevaren bestaan. Als er iets is wat ze niet kennen, maken ze dat ze weg komen en vluchten ze in een hol diep onder de grond.

Van hun moeder zien ze niet veel meer; die heeft het erg druk gekregen omdat er opnieuw broertjes en zusjes werdeii geboren. Tot de herfst komen er steeds jonge -konijnen bij, zodat je deze bijna altijd kunt zien. Toch is het goed dat er zoveel konijntjes worden geboren. Weet je waarom? Er wordt heel veel jacht gemaakt op hen. En het zijn niet alleen de mensen die graag een konijneboutje lusten. Vossen zijn ook verzot op konijnen en het zijn vaak de jongen die ze goed weten te vangen. Dan zijn er nog de wezel, de hermelijn en de bunzing, drie roofdieren die het ook op hen hebben gemunt en menige langoor weten te verschalken. Veel konijnen worden gevangen door verwilderde katten en stropende honden. Maar het ergste wat hun kan overkomen is de vreselijke konijnenziekte die myxomatose heet. Daaraan gaan er ieder jaar weer een groot aantal dood. Gelukkig echter wordt dat de laatste jaren wat minder en zijn er zelfs konijnen die er van genezen.

Het is maar goed dat het zulke taaie rakkers zijn en dat ér ieder jaar weer zoveel worden geboren. Want je kunt toch van hen genieten wanneer ze in het bos met malle sprongen voor je uithuppelen. 17

,,Luister eens Meeuwis, het is niet voor niks dat ik vanavond door die regen met Thijs ben meegekomen. Ik wilde je raad vragen. Thijs heeft het plan geopperd om aan jou maar eens te vragen watje denkt dat ik doen moet",

Meeuwis Veldhoen schoof wat heen en weer in zijn stoel.

,,Kijk eens Bas. Thijs denkt veel te groot over me. Ik ben maar een arme man met kind noch kraai in de wereld. Je weet dat ik vis en dat ik bij de boeren werk, maar verder is er geen geleerdheid in deze kersepit te vinden. ,,Meeuwis zetten zijn pet af en toonde een hoofd met verward grijs haar.

Bas van der Griend dacht er anders over. Hij keek Meeuwis recht in zijn gezicht. Meeuwis Veldhoen begreep dat het de boerenzoon ernst was. Bas kuchte eens en zei toen: „Ik weet Meeuwis dat je zwijgen kunt. Als ik daar niet zeker van was geweest was ik vanavond niet gekomen. Dan had ik de raad van Thijs vast niet opgevolgd".

„Luister nu eens zeun", zei Meeuwis ernstig, ,,ik weet niet of ik je raad kan geven. Als je het me toch vertellen wilt dan kun je er gerust op zijn dat ik er nooit over praten zal. Je weet dat, ik stroop en dat is niet goed. Mijn moeder heeft me dikwijls vermaand maar ik kon het niet laten. Als je zo iets doét dan moet je nooit praten en nooit te veel weten want anders heeft de veldwachter je zo te pakken".

De laatste twijfel was nu bij Bas verdwenen en hij vertelde het verhaal van zijn moeilijkheden met dezelfde woorden als die woensdagavond aan Thijs. Bas sprak over zijn vader en over zijn moeder en hij uitte zijn twijfel aan de goede trouw van zijn vader en het gezicht van de stroeper versomberde. Die jongen had het al gemerkt en onwille

T. MATEBOER

89. Als het schieten even Vermindert, staan ze op. Machiel neemt zijn vriend onder de armen en dan trekken ze weer verder. Jan kan niet spreken. Machiel ziet telkens bezorgd opzij. Hij merkt dat Jan zich moet inspannen om op de been te blijven. De zakdoek is al weer helemaal doordrenkt van bloed.

En dan draagt hij zijn last weer verder. Soms is het of hij niet meer denken kan. Hier woont de dokter. Een deur staat open. Mensen staan in de gang. Men zegt dat hij in de kelder moet zijn; daar is de dokter.

„Op mijn rug", beveelt Machiel. HIJ laat zich op z'n knieën zakken, neemt Jan op zijn rug en probeert zo vlug mogelijk voort te komen over puin en door gaten. Het angstzweet breekt hem uit, als hij voelt dat Jan helemaal slap op hem hangt en het bloeden maar steeds doorgaat. Dwaasheid is het eigenlijk wat hij wil. Net of die dokter wel spreekuur zal houden in dit tumultt De man zal ook wel gevlucht zijn of doodsbang in zijn kelder zitten.

Machiel belandt met zijn vracht in de kelder. Het ruikt er sterk naar jodoform Hij laat Jan op de grond neerzakken. Jan komt weer bij en gaat rechtop zitten, 't Is er vol in de kelder van gewonde mensen, die verbonden moeten worden of al geholpen zijn. Dokter De Leeuw heeft het razend druk. Een granaat slaat door het dak. Boven hxm hoofden vallen zware brokken neer. Even verbleekt de dokter. Dan neemt hij de petroleumlamp op en kijkt om zich heen. Wie zal hij nu eerst onder handen nemen?

En Machiel tobt maar verder. Als het schieten even ophoudt, komen er drommen vluchtenden door de straten gerend. Ze letten nauwelijks op hem.

Machiel pakt de dokter bij do jas. „Dokter, als 't u blieft, kijkt u eens naar Jan".

Jan zit tegen de muur en probeert met zijn hand het bloeden te stelpen. Zijn hoofd Is dik opgezwollen; hij is bijna onherkenbaar.

Een vrouw komt uit een huis gevlucht. Ze drukt een bloedend kind tegen zich aan. Opeens ziet Machiel dat het vrouw Meeuwse is. Hij wil haar aanroepen, maar ze is al voorbij.

De dokter neemt Jans hoofd in zijn handen. Hij kijkt hem recht in de ogen en zegt vast: „Jij gaat niet dood. Wees gerust, 'k Zal eerst die vrouw heppen en dan zal ik even kijken". keurig schudde Meeuwis meewarig het hoofd en begon aan zijn snorpunten te trekken.

Toen Bas bij zijn Mijntje was aangekomen kwam er een olijke schittering in de grijze ogen van de stroper. Thijs had nogmaals koffie ingeschonken en keerde de natte jassen, waar de damp afsloeg, om.

„Dat is het", zei Bas, ,,en eerhjk Meeuwis ik zit er knap mee in de knoop. Wat moet ik nu toch beginnen?"

Thijs had al die tijd zwijgend voor zich uit zitten staren. Hij lette alleen op de koffie en op de jassen. Zijn gedachten waren ver weg. ,,Ja Bas het is erg moeilijk", zei Meeuwis met een zucht. „Ja, erg moeilijk", zei tot verrassing van de twee anderen opeens Thijs. ,,Zo'n paarde kop is daarom moeilijk omdat je in het snijwerk erg moeilijk de heldere uitdrukking op de kop van het paard kunt snijden. Bij een vis heb je daar geen last van". Bas van der Griend gaapte zijn vriend verbaasd aan en Meeuwis Veldhoen schoot in de lach.

„Ha, ha, ha," lachte Meeuwis terwijl hij zijn sigaar op de kachelplaat legde, ,,heeft die kerel de hele tijd aan die paardekop zitten denken. Van je verhaal heeft hij niets gehoord, Bas".

Thijs Liesveld kreeg een kleur als vuur.

„Neem me niet kwalijk", zei hij. ,,De moeilijkheden van Bas kende ik al. Inderdaad'is het me verder helemaal ontgaan. Ik zat maar aan die paardekop te denken. Ik ga het toch eens proberen op een stuk hout thuis".

„Snij zoveel paardekoppen als je wilt Thijs", zei Bas van der Griend een beetje kribbig. ,,Daar voor zijn we anders vanavond niet bij Meeuwis gekomen". '

,,Nee", zei Thijs naar waarheid. „We kwamen om raad en wat kan Bas nu het beste doen, Meeuwis?"

Meeuwis stak opnieuw met het spaantje zijn uitgegane sigaar aan. „Ik kan me best in je omstandigheden verplaatsen. Bas," zei hij ernstig. „Ik zou vooreerst maar eens wat afwachten en geen ondoordachte dingen doen of zeggen. Wat Mijntje betreft, dat is een zaak, die jezelf moet uitmaken. Veronderstel dat Mijntje wel wil en dat de Liesvelden geen bezwaren hebben, dan heb je thuis een huis met ruzie en dat is voor Mijntje ook niets gedaan. Verder Bas is er nog een beste weg, jongen". Bas keek Meeuwis hoopvol aan. De stroper zweeg echter en pookte nog eens in zijn nieuwerwetse kachel.

,,Welke weg, Meeuwis", vroeg hij toen nieuwsgierig.

Meeuwis Veldhoen zette zijn pet weer af en boog het hoofd.

„De beste weg die ik wijzen kan en mag, Bas, is de weg van het gebed".

Thijs Liesveld dacht niet meer zijn' paardekop en keek zijn oude vriend gespannen aan.

„Zeg jij dat Meeuwis Veldhoen, jij die nooit in kerk of kluis komt", zei de boerenzoon verbaasd.

Meeuwis Veldhoen zette zijn pet weer op.

,,Dat zeg ik. Bas van der Griend, ik de stroper Meeuwis Veldhoen. Hebben jullie haast, vanavond?"

Ze hadden geen haast de twee vrienden.

Meeuwis keek de beide vrienden aan. „Dan moeten jullie beloven dat wat ik je nu ga vertellen onder ons blijft. Er is bij mijn weten geen Noordenaar die er iets van weet. Mogelijk zal hetgeen ik je vertellen ga, je kunnen helpen Bas".

Meeuwis Veldhoen schraapte zijn keel. Een nieuwe bui regen kletterde op het dak van het huisje. De twee vrienden schoven wat dichter bij de kachel. Meeuwis haalde de ringen van de kachel en gooide er een paar turven op.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1976

Reformatorisch Dagblad | 29 Pagina's

De konijü^ii vBmhjeky'È^^

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1976

Reformatorisch Dagblad | 29 Pagina's

PDF Bekijken