Bekijk het origineel

TOLK VAN ZIJN VOLK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

TOLK VAN ZIJN VOLK

P. J. Risseeuw,

11 minuten leestijd

Op zondag 16 mei was het 75 jaar geleden dat de bekende auteur P. J. Risseeuw t e Den Haag* werd greboren. Hij heeft deze gedenkdag- helaas niet meer mogen beleven, daar hij op 18 Juni 1968 in heengegaan. Als U ziijn bekende overzicht „Christelijke schrijvers van dezen tijd" uit 1930 doorbladert, stemt het weemoedig: hem in het aanhangsel vermeld te zien onder de „enkele Jongeren", tussen Gera Kraan-v. d. Burg: en C. Rijnsdorp in. De jongeren van toen zijn of niet meer in leven of zij hebben de leeftijd der zeer sterken bereikt.

Omdat Risseeuw het al genoemde overzicht zélf samenstelde, is hij door zijn hem Icenmerkende bescheidenheid erg kort In het meedelen van persoonlijke gegevens. Na de vermelding der geboortedatum lezen we: „Onmiddellijk na de schooljaren begon hij met schrijven". Verder nog enkele zinnen over zijn literair-organisatorische activiteiten, waarna een uiteraard nog zeer korte lijst van publikaties volgt. Het meeste, maar ook belangrijkste werk van hem moet dan nog geschreven worden.

Organisator

Het organisatorische aspect in het protestants- literaire leven heeft Risseeuw altijd geboeid. Hij was als 17-jarige jongeman één der oprichters van het blad „Opgang", dat aanvankelijk bedoeld was als uitgave van een Scheveningse christelijk- letterkundige kring. Juist in die tijd waren er moeilijkheden tussen de ouderen en enkele jongeren in het Christelijk Letterkundig Verbond, waarvan A. J . van Dijk en de later bekende H. v. d. Leek de belangrijkste zijn. De laatsten zagen blijkbaar zoveel in het prille blad dat zij zich achter „Opgang" plaatsten en hun eigen orgaan ,Bloesem en Vrucht" lieten verdorren.

Naast de oprichting van „Opgang" was Risseeuw ook nauw betrokken bij de stichting van de Bond van Christelijk Letterkundige Kringen, duidelijk bedoeld als tegenhanger van het Christelijk Letterkundig Verbond. Door bepaalde moeilijkheden tussen redactie en uitgever van „Opgang" zette men in 1923 de schouder onder een nieuw blad, nl. „Opwaartsche Wegen", waarbij naast Van der Leek, Van Dijk en Van Ham alweer Risseeuw een grote rol speelde. Hij was toen al helemaal 22 jaar oud.

 Het denken en werken in vaste organisatievormen hoorde bij Risseeuw. Hij streefde naar duidelijkheid en overzichtelijkheid. Dat laatste blijkt heel duidelijk uit zijn nog steeds onmisbare overzicht der christelijke schrijvers. Van degenen die hun meeste werk vóór 1930 publiceerden vindt men hierin een fijne karakteristiek en een goede bibliografie. Naast zijn „Christelijke Schrijvers" publiceerde hij enkele jaren later zijn „Christelijke Dichters" in 2 delen.

Het karakter hiervan is anders, daar het een bloemlezing is, voorafgegaan door enkele biografische notities en gevolgd door wat bibliografische opmerkingen. Beide uitgaven hebben in een behoefte voorzien. Het blijft jammer, dat Risseeuw dit soort werk zo rond 1960 niet heeft herhaald. We zouden dan tot vrij recente tijd naslawërken gehad hebben, die ons hadden kunnen informeren over het wel en wee der christelijk georiënteerde literatuur.

Risseeuw bezocht de dagen waarop vóór de Tweede Wereldoorlog de Christelijke Auteurskring vergaderde altijd graag. Hij was daar ook een zeer geziene gast. Ook dit tekende Risseeuw: zijn hartelijke omgang met al of niet literaire vrienden, het persoonlijke contact waarbij hij, toen hij zelf wat ouder begon te worden, de jongeren leiding gaf.

 De Tweede- Wereldoorlog heeft de klad gebracht in een vrij strakke en gesloten christelijk-literaire organisatievorm. Toch konden mensen als Risseeuw en Rijnsdorp het niet laten om een bepaald samenwerkingsverband te stichten. Het kwam dan ook in 1945 reeds tot oprichting van het Contact van Protestants Christelijke Auteurs, waarna in 1946 de uitgave van het letterkundig en algemeen-cultureel maandblad „Ontmoeting" volgde.

Risseeuw, Rijnsdorp en Van der Stoep vormden tijdens de eerste jaren van verschijning de redactie. Daarna pas leek Risseeuw moe te worden van al de organisatorische rompslomp, die redactie-vergaderingen en allerlei lidmaatschappen nu eenmaal met zich meebrengen. We mogen diepe bewondering hebben voor Risseeuw als we bedenken dat hij naast de genoemde activiteiten en naast een inspannende bankfunctie tot creatief werk wist te komen.

Schrijver

In 1924 al schreef hij onder het pseudoniem Joh. P. Ruys zijn eerste roman ,Brave zonen hunner jeugd", gepresenteerd als een roman van jeugdleven, waarna in 1927 de Haagse roman „Martha's bruidsdagen" volgde. We kunnen hier nog moeilijk spreken van rijp, voldragen werk.

Risseeuw heeft de kritiek hierop geaccepteerd en verwerkt. Van Randwijk kon naar aanleiding van het in 1937 verschenen boek ,Js het mijn schuld?" dan ook spreken van een vernieuwde Risseeuw. En dat is ten aanzien van hem een hele uitspraak. Onder de jonge Protestantse schrijvers was Risseeuw altijd de man die beide benen op de grond hield waar anderen sprongen, zo typeerde Van Randwijk hem terecht. Risseeuw dacht steeds aan het volk, aan de achterban. Van modemisme of artistiekerigheid moest hij niets hebben. De kunstenaar moet tolk van het volk zijn. In ,De Rotterdammer" (waarvan hij jarenlang literair medewerker was) schreef hij eens: ,En alleen hij, die vlak naast dat volk gaat staan, door wie de moeite en vreugde van dit volk zijn doorgegaan, heeft als kunstenaar het recht tolk te zijn".

Daardoor is het te meer opmerkelijk dat Risseeuw in zijn „Is het mijn schuld?" uit 1937 tot een soort crisisroman kwam, waarmee heel wat gereformeerde mannenbroeders moeite hadden. Toch blijft het anderzijds waar, dat zijn sociaal gevoel te mild was, zoals Rijnsdorp opmerkt, om van deze roman als een requisitoir in grote stijl te kunnen spreken.

Ik heb wat langer bij dit boek stilgestaan, omdat het een goed voorbeeld is van het genre sociale romans dat Risseeuw geschreven heeft, en ook omdat het qua vormbeheersing veel strakker en helderder is dan vroeger werk. De wat egale toon blijft, maar het kroniekmatige neemt toe. Veel van zijn latere romans hebben min of meer het karakter van een documentaire; zij doen daardoor wel eens reportage-achtig aan. Risseeuws stijl is, vooral in de dialogen, daardoor niet altijd even goed. Br blijft in de gesprekken vaak iets boekachtigs zitten, iets vormelijks wat in de spontane spreektaal ontbreekt. Een dergelijke opmerking kan ook gemaakt worden over de compositie van zijn verhalen. Men kan daar soms dwars door het verhaal het strakke schema bespeuren, dat er aan ten grondslag ligt.

Historische verhalen

Maar voor het tweede genre verhaal dat Risseeuw met vooriiefde produceerde, nl. de historische roman, is dit niet zo hinderlijk. Te denken valt hierbij aan zijn monumentale werk „Landverhuizers", dat bestaat uit de delen „Vrijheid en Brood" en „De hullende wildernis", verschenen in 1947 ter gelegenheid van het lOO-jarig bestaan van de stad Holland, de stad welke door de bekende predikant der Afscheiding, Ds. Van Raalte, was gesticht. De grondigheid waarmee de bronnen bestudeerd werden, blijkt wel Jiit de verantwoording der geraadpleegde literatuur. Het werk heeft dan ook een tendens, in de beste zin van het woord, om nl. een zo duidelijk mogelijk beeld te geven van de geestesgesteldheid en de gebeurtenissen in de jaren 1846-'47  die tot de emigratie leidden.

Romantechnisch gezien kan men zich afvragen of deze stof het meest geëigend is om in een roman verwerkt te worden. Wetenschap en kunst zijn wel eens met elkaar slaags, maar toch... wat een geweldig werk heeft Risseeuw ons met zijn „Landverhuizers" gegeven, nog gecompleteerd door het ook afzonderlijk te lezen verhaal „Ik worstel en kom boven". Jn dit laatste boek trekt hij de lijn door tot het jaar van Ds. Van Raaltes sterven. De geschiedenis van de grote trek naar Amerika in het midden der vorige eeuw was bijna door ons vergeten. Onder de vertrekkenden waren vele Afgescheidenen. Alleen daarom al is kennisnemen van deze boeken voor ons van groot belang. Men zal tevens bemerken, dat de grote vragen op kerkelijk en dogmatisch terrein ook nu nog actueel zijn. Wat heeft ons voorgeslacht, ook om des geloofs wil, veel moeten lijden. Wat ook een ontgoocheling in het Amerika dat als een nieuw Israël werd gezien. Maar ook, wat een dicht bij de Heere leven Die in de huilende wildernis de Enige Toevlucht was.

Schetser eigen milieu

We hebben Risseeuw enigszins leren kennen als een auteur van sociale en historische romans. Ben mengeling van historische, psychologische en mllieuroman treffen we aan in de verhalen die misschien wel zijn beste zijn, nl. „Gasten en vreemdelingen" en „Kinderen en erfgenamen", uit 1960 en 1964. Later werden zij gezamenlijk uitgegeven als „De familie Leenhouts". Het was een oud ideaal van Risseeuw om een serie romans te schrijven over de opkomst der Gereformeerde kleiiie lüldett.

„Gasten en vreemdelingen" beschrijft de lotgevallen van een kleinbufgeriljké gereformeerde familie uit Den Haag. Er zijni duidelijk persoonlijke herinneringen'van de schrijver in verwerkt. Dat maakt dit boek juist zo boeiend. Men proeft het: hier is géén objectief weergeven van een aantal historische feiten in romanvorm, maar een diepdoorleefd verhaal van wat onze eigen grootouders hadden kunnen meemaken. Daardoor heeft Rijnsdorp gelijk als hij stelt, dat dit boek ondanks de bescheiden ondertitel „Een Haagse familieroman" daar vér bovenuit gaat. Het beschrijft nl. het proces van losgestoten worden uit een besloten wereld; een wereld waarin oprechte vroomheid werd aangetroffen naast een steeds meer meegevoerd worden door de volle, maar ook zondige werkelijkheid van Jiet jonge geslacht.

In „Kinderen en erfgenamen" worden de jaren 1930 tot om en nabij 1960 in beeld gebracht. De familie waaiert uit naar alle kanten. De versnelling van het levenstempo bepaalt mede de opzet van het verhaal: het reportage-achtige is weer bijzonder sterk. De titel brengt echter jal deze snel levende mensen samen als kinderen en erfgenamen. Eert typerende titel voor een man die, ouder wordend, een nieuw geslacht ziet opgroeien en de lijn van Gods trouw ziet doorlopen.

Waardering

Een oud schrijversgeslacht is heengegaan. Ook Risseeuw is niet meer. Slechts enkele werken van hem passeerden hier de revue. We kunnen in zijn oeuvre veel waarderen, maar we zullen niet alles zonder meer van hem overnemen. Ik denk hierbij aan de soms onmiskenbaar Kuyperiaans-gereformeerde toon, met name ten aanzien van het verbond, de wedergeboorte en de praktijk van het christenleven. Te denken valt ook aan de manier waarop mystiek-georiënteerde figuren tegenover personen geplaatst worden die volgens de schrijver veel gezonder gereformeerd denken.

Ook de wijze waarop hij in zijn laatste boek ,J}onja Saskia en haar Prins" de 17e-eeuwse predikanten enigszins ironisch beschrijft in hun ijveren voor de ware leer, stelt me teleur. . .

Risseeuw was een kind van zijn tijd en van zijn (gereformeerde) kerk. Hij zou het daar overigens nu niet gemakkelijk hebben; daarvoor stond hij te zeer in een levende verbinding met het voorgeslacht der Afgescheidenen. Vooral ook om dit laatste willen we J. P. Risseeuw hoogachten en hem waarderen. Een eerbewijs dat niet beter tot uitdrukking gebracht kan worden dan door een heruitgave van zijn beste werk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1976

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

TOLK VAN ZIJN VOLK

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1976

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken