Bekijk het origineel

Kunst eist rapport na rapport maar is in deplorabele staat

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kunst eist rapport na rapport maar is in deplorabele staat

VERANTWOORD MET GELD OMGAAN SCHIJNT MOEILIJK

4 minuten leestijd

ROTTERDAM — Na een periode van ruim twee jaar, waarin de geruchten over fraudes met gemeenschapsgelden steeds sterker werden, is er nu kans, dat duidelijk wordt hoe de Erasmus-universtteit in Rotterdam is omgesprongen met circa 1,5 miljoen gulden, bestemd om kunst te kopen. Het college van bestuur, dat zich steeds op het standpunt had gesteld dat alles correct was verlopen, heeft vari de universiteitsraad een enorme veeg uit de pan gekregen.

In twee moties spreekt de raad „ten zeerste" zijn afkeuring uit over het kunstbeleid van het college en eist hij een onderzoek door een extern accountantskantoor. De U-raad, het hoogste lichaam van de instelling, constateert dat er „ernstige twijfels bestaan over de rechtmatigheid van de bestedingen van dit kunstproject en dat deze twijfels niet zijn weggenomen door het rapport van de interne accountantsdienst". De raad neemt het het CVB kwalijk dat het „niet in staat is gebleken op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid de voor het kunstproject toegewezen middelen zo adequaat mogelijk te beheren". ' Het kunstproject van de Erasmus universiteit is het uitvloeisel van een rijksregeling. Het ministerie van Onderwijs en wetenschappen stelt namelijk een procent van de kale bouwsom beschikbaar voor het „veraangenamen" van een onderwijsinstelling. Bij de oprichting van de medische faculteit Rotterdam, nu onderdeel van de Erasmus universiteit, had' men derhalve de beschikking over ongeveer 1,5 miljoen gulden voor de aanschaf van kunst. Het uitgeven van dit geld werd overgelaten aan een speciale kunstcommissie, waarin onder anderen zitting had de heer M. Beets, een door de kroon benoemde bouwcurator. De kunstcommissie spendeerde het leeuwedeel van het geld aan een project („environment sculpture") van de kunstenaar Peter Struyken.

Het project

In september 1973 werd het project, bestaande uit betonblokken, plantenbakken, een vijverpartij, geverfde stukken straat, het achterstuk van een Japanse automobiel en een tuin, getoond aan het publiek. Toen al werden er vragen gesteld over enige financieel-technische aspecten van het project. Een halfjaar later kwam het universiteitsblad Quod Novum met een aantal beschuldigingen aan het adres van de kunatcommissie.

Het college van bestuur berichtte toen aan de universiteitsraad, dat de interne accountantsdienst een onderzoek zou instellen. In november bleek het CVB zich niet aan die toezegging te hebben gehouden. In plaats van de interne accountantsdienst had men het bureau bouwzaken en curator Beets, hoewel deze partij waren (zijn), opgedragen een eindafrekening te produceren.

Voor Hein Meijers, hoofdredacteur van Quod Novum, en prof. dr. F. Wensinck, was toen de maat vol. In een interview met het ANP verklaarden zij dat de universiteit naar hun mening voor tonnen was opgelicht. De kunst-, commissie enerzijds en aannemers, architecten en kunstenaars anderzijds zouden elkaar „de bal hebben toegespeeld". De afrekening van de kunstpot noemde prof. Wensinck een klap in het gezicht van het bestuur van de universiteit. Het een en ander had tot gevolg dat de zaak weer in de universiteitsraad kwam. Wederom zegde het college van bestuur toe, dat de interne accountantsdienst een onderzoek zou instellen.

Voorbarig gezuiverd

Het rapport van de interne accountantsdienst deed het CVB een brief schrijven aan de kunstcommissie, waarin deze van alle blaam werd gezuiverd. Meijers en Wensinck menen dat het CVB hier niet het recht toe had. Volgens hen was er afgesproken, dat alleen de universiteitsraad, die verantwoordelijk is voor alle uitgaven, een dergelijke conclusie zou mogen trekken.

Mede doordat Quod Novum en prof. Wensinck met de zaak bezig bleven, besloot de universiteitsraad tot het instellen van een commissie bouw- en ruimtezaken. Aanvankelijk was deze commissie geneigd om de raad voor te stellen de kunstpot-zaak te laten rusten. Dit omdat men wel enig begrip kon opbrengen voor het argument van het CVB, dat het hier ging om een erfenis van vroegere bestuurderen.

Toch aanvaarden

Zelfs zou men bereid geweest zijn over het hoofd te zien, dat het CVB ooit misleidende informatie had verstrekt aan de algemene rekenkamer. Maar de welwillende houding van de commissie veranderde op slag, toen het college van bestuur op eigen houtje besloot om de tweede en definitieve oplevering van het kunstproject te aanvaarden. Aangezien de meeste van Peter Struykens objecten in een zeer deplorabele staat verkeren, gaat dit de universiteit, zo heeft de afdeling beheer berekend, zo'n tweehonderdduizend gulden kosten. Men acht het nu vrijwel uitgesloten om de schade aan het project te verhalen op de betrokken aannemers en betaalde adviseurs.

En zo kreeg de behandeling van het kunstbeleid door de universiteitsraad dan een volstrekt onverwacht resultaat. Het college van bestuur, in de persoon van kroonlid drs. A. Oldenhof, reageerde op de twee moties van de U-raad door „graag" nog eens een onderzoek toe te zeggen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 13 Pagina's

Kunst eist rapport na rapport maar is in deplorabele staat

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 13 Pagina's

PDF Bekijken