Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

TRANEN OVER JERUZALEM

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

TRANEN OVER JERUZALEM

„En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar, zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in deze Uw dag, hetgeen tot Uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor Uw ogen. Lukas 19:41-42

5 minuten leestijd

<br />

Door de verlichtende kennis van de Heilige Geest had Zacharia reeds van Hem geprofeteerd: „Ziet Uw Koning zal tot U komen, rechtvaardig en Hij is een Heiland; arm en rijdende op een ezel". En hier In Lukas 19 werden zijn woorden werkelijkheid. Grote scharen drommen zich juichend om de Heere Jezus heen. Onder het zingen van hun optochtsliederen trekken zij naar Jeruzalem om het Paasfeest te vieren. In hun midden trekt ook Christus, gezeten op een jong ezelsveulen, met hen op. Onder het luid roepen van hun Hosanna's bestrooien zij Hem met hun palmtakken en meien.

De schare juicht, maar Jezus weent. „En als Hij nabij de stad kwam, en de stad zag, weende Hij over haar". Vanaf de hoogte der bergen ziet Hij neer op Jeruzalem, de stad des Groten Konings. Boven de paleizen en burchten, ja boven alles uit, schittert de Tempel met zijn pracht van wit marmer en goud. „En als Hij de stad zag weende Hij over haar". Over de wangen van de schoonste aller mensenkinderen vloeien bittere tranen.

Jezus weende over haar zonde en goddeloosheid. Over haar onbekeerlijkheid en totale verblinding. Hij was gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hij weende over de schrikkelijke rampen, die straks Jeruzalem treffen zullen, als een rechtvaardig Godsoordeel.

Jezus weende. Wij lezen nergens in Gods Woord dat Hij ooit gelachen heeft. Wel weende Hij, zoals bij het graf van Lazarus, maar toen toch anders dan hier. Want hier bedoelt de Schrift een luid heftig, snikkend wenen, waarbij het hart dreigt te breken. Een wenen dat getuigt van een geweldige smart, zoals een moeder kan wenen aan het sterfbed van een dierbaar kind. En zo luid en heftig snikkende, breidt Hij hart en handen uit naar Jeruzalem en roept haar toe: „Och, of gij ook bekendet, ook nog in deze Uw dag, hetgeen tot Uw vrede dient".

Deze vrede waar Christus van spreekt wil veel meer zeggen dan wat wij onder aardse vrede verstaan. Sinds de mens zijn Schepper in het paradijs de oorlog verklaarde, is de ware vrede van de aarde geweken. Die vrede die heerste tussen God en mens in gemeenschap met zijn Schepper is verbroken. In onrust en onvrede en verdreven uit de gemeenschap met God moet de mens dolen als balling over deze aarde. Zonder God en zonder Christus, vijand van God en van zijn naaste, zonder hoop in deze wereld en vreemdeling van de verbonden der belofte.

De vrede waar Christus van spreekt is de vrede van de hemel in de herstelde gemeenschap met God. Het is die vrede, waar de engelen van gezongen hebben in de velden van Efratha. Het is die vrede van die God, Die gedachten des vredes gedacht heeft over een volk in schuld en doem verloren. En zo vindt Hij ook Zijn volk, in hun schuld en vervloeking en verloren voor God. „Och, of gij ook bekendet".

Dat Is nu de weg, waarin Hij de ware vrede doet smaken. Een weg van waarachtige bekering en oprecht berouw, van waarachtig bekennen en belijden van onze misdaden tegen een heilig en rechtvaardig God. Een weg van verbrokenheid en verslagenheid omdat wij tegen God gezondigd hebben en waar wij met David zo hartelijk en oprecht gaan belijden: „'k Bekend' o Heer, aan U oprecht mijn zonden, 'k Verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden, maar ik beleed, na ernstig overleg, mijn boze daân. Gij naamt die gunstig weg". Ziet, dat is die weg des vredes, waarop God Zijn volk door vernieuwing des harten leidt.

O, als Gods kerk op die weg mag geleid worden, zegt zij met de bruid van Christus: „Toen was Ik in Zijn ogen als één die vrede vindt".

Met grote ernst roept de Heere nóg: „In déze Uw dag". Morgen kan het misschien niet meer. Deze Uw dag is de van God geschonken genadetijd. Voor de één misschien 10 jaar, voor een ander 80 jaar genadetijd. Maar voor allen slechts een damp. En na onze genadetijd zal geen tijd meer zijn. Jeruzalem zal nooit kunnen zeggen, dat zij het niet geweten heeft. Wel zegt de Heere, dat het verborgen is voor hun ogen. Doch onze totale blindheid wordt ons door God als schuldige blindheid toegerekend. De Heere zegt hier niet, dat Hij het verborgen heeft, maar het is verborgen voor Uw ogen.

Nodig is door wederbarende genade die ogenzalf, waardoor wij kinderogen en een kinderhart ontvangen. O, de tranen van die wenende Borg, zullen eens onze tranen in grote stromen doen vloeien, Indien wij met het arme Godvergetende Nederland volharden in een leven van zondedienst en onbekeeriijkheid. Dan zullen onze ogen geopend worden, maar in het oordeel Gods en daarom zal het zijn te laat, te laat, voor eeuwig te laat.

Moge de woorden van deze wenende Christus u daarom brengen aan Zijn gezegende voeten, zoals de dichter zong: Welzalig dien Gij hebt verkoren, die G'uit al 't aards gedruis doet naad'ren en Uw heilstem horen, ja wonen in Uw huis.

Woerden,      ds. J. M. Kleppe

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1976

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

TRANEN OVER JERUZALEM

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1976

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken