Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Genderen was bakermat van Afscheiding

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Genderen was bakermat van Afscheiding

Ds. H. P. Scholte kreeg onderdak op de Meerhoek

10 minuten leestijd

Gewoonlijk worden Ulrum en Doeveren (N. Br.) aangemerkt als de plaatsen, waar de Afscheiding van 1834 is begonnen. Tevergeefs zal men echter in Doeveren (N. Br.) zoeken naar een gereformeerde (afgescheiden) kerk. Die is er ook nooit geweest. U zult eerst de Heusdense brug over moeten om de kerk te vinden, die regelrecht haar oorsprong aan de strijd van dominee Scholte te danken heeft.

In Genderen gekomen, zal meteen opvallen dat deze plaats veel groter is dan het gehucht Doeveren. Het overgrote deel van dit Aalburgse kerkdorp is ook gereformeerd. Doeveren en Genderen zijn nog vóór de laatste eeuwwisseling van elkaar gescheiden door het graven van de Bergse Maas. De Doeverense straat in Genderen herinnert nog aan voor die tijd. Voor 1898 liep men nog in tien minuten van Doeveren naar Genderen en omgekeerd.

Genderen

Beide dorpen onderhielden samen met het plaatsje Gansoyen, dat door het graven van de Bergse Maas verdwenen is, één predikant. Deze dominee woonde dan in de pastorie te Doeveren. Zo'n predikant was ook ds. Hendrik Peter Scholte. Het was maart 1833 en achtentwintig jaar was Scholte toen hij zich met zijn vrouw Sara Maria Brandt, met wie hij het vorige jaar november was gehuwd, in Doeveren vestigde. De mensen noemden hem een „Wonder Gods". Op 1 november 1834 kwam ds. Scholte met het overgrote deel van zijn „kudde" tot afscheiding, nadat hij eerst was geschorst. Slechts enkele lidmaten, zoals Jan en Izak van Gammeren en Hendrik van der Kolk, weigerden de acte van afscheiding te tekenen. Nog geen vijftig zielen bleven voor de vaderlandse kerk behouden, waarvan in Genderen maar negen. Nadat Scholte enige dagen in de gevangenis te Appingedam had doorgebracht, werd hij op maandag 31 maart, vijf maanden na de Afscheiding, gedwongen de pastorie te Doeveren te verlaten. De Genderse boer en regerend kerkvoogd Johannes Branderhorst ontfermde zich over het jonge gezin Scholte. Het gezin mocht intrek nemen in de voorkamers van zijn boerderij aan de Meerhoek. Voor zijn vertrek naar Gorinchem heeft Scholte daar ongeveer vier maanden doorgebracht. Genderen werd zodoende het centrum van Scholte's arbeidsterrein. Al preekte ds. Scholte aanvankelijk ook nog enkele keren in een stal te Doeveren, de meeste openlucht- en schuurkerkdiensten werden in deze periode in Genderen gehouden. Pas in 1841 waren een tot kerk verbouwde schuur en een pastorie, beiden geschonken door Gijsbert van der Beek, gereedgekomen. Deze Genderse boer was gehuwd met een zuster van Johannes Branderhorst. Op grond van bovenstaande zouden we kunnen concluderen, dat Genderen de bakermat van de Afscheiding in zuidelijk Nederland is geweest.

Op de Meerhoek

We schreven dat Scholte zijn pastorie te Doeveren op 31 mrt. 1835 moest ontruimen. Veel van de inboedel was echter die vorige week al naar de Meerhoek gebracht. Eén kamer in de pastorie mocht nl. nog even bewoond blijven omdat mevrouw Scholte ziek was en vanwege de hoge koortsen nog niet vervoerd kon worden. Maar op die bewuste maandag (31 maart), toen de koorts wat minder was, werd mevrouw in dekens gewikkeld, in het rijtuigje van Branderhorst gelegd en zo naar de Meerhoek in Genderen vervoerd. Johannes Branderhorst en zijn vrouw Hester Millenaar gingen met hun kinderen Gerrit, Willem en Mieke zolang achter wonen. Dominee en mevrouw kregen met hun éénjarig dochtertje Sara Johanna beide voorkamers. Daar hebben ze ruim vier maanden gewoond, nl. tot begin augustus.

Iets van wat Ds. Scholte in dit bewuste pand (thans Meerhoek 25-27) heeft meegemaakt is te lezen in „De Afscheiding van 1834,Gorinchem en Beneden Gelderland" door Dr. C. Smits. Ook het boekje „Onder de hete middagzon" door C. Van Rijswijk vermeldt er in verhalende vorm iets van. Veel meer licht op deze periode werpt echter het boekje „Als ik zal vreezen".., dat onlangs ergens in Genderen boven water kwam. Dit 160 blz. ", tellende boekje werd in 1934 uitgegeven door gereformeerd traktaatgenootschap ,,Filippus" en gedrukt bij J. B. van de Brink en Co., N.V. te Zutphen. Ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Afscheiding werd dit verhaal over Scholte's wel en wee te Genderen al in 1932 geschreven door P. de Zeeuw J. G. zn.

Deze eenmalige uitgave is uiteraard lang niet meer in de handel en het zou beslist de moeite waard zijn als het werd herdrukt. Momenteel verschijnt dit zeldzame werkje als feuilleton in het Nieuwsblad voor het Land van Heusden en Altena. Veel wisten uit overlevering te vertellen de heren Bernard van Hemert en Emmus van der Beek te Genderen. Beiden zijn 76 jaar en laatstgenoemde heeft zijn grootvader Gerrit Branderhorst, het zoontje van Johannes, dat naar de achterkamer moest verhuizen, persoonlijk goed gekend.

Feiten

Een kleine greep uit gebeurtenissen tijdens Scholte's verblijf. Staat de Afscheiding bekend als een beweging van „kleine luyden", in Genderen waren het overwegend rijke boeren (boeren van Kleidorp!), die de zijde van de Afscheiding kozen en het is hier nu ook niet zo dat de arbeiders dan gedwongen werden met hen mee te gaan. Dat waren uitzonderingsgevallen. Reeds op 1 april, de dag na Scholte's verhuizing kregen vele van die boeren al inkwartiering. Dertig kurassiers, gecommandeerd door een officier werden naar Genderen gedetacheerd. Waarom? De gouverneur van Noord-Brabant schreef: „om aan het plaatselijk bestuur de sterke hand te verlenen, ingeval er enige woelingen onder de ingezetenen, ter zake van den afgezetten predikant H. P. Scholte, in de aan hem opgelegde ontruiming mochten ontstaan". Vooral burgemeester Millenaar toonde zich een vijand van de ,,fijnen". ,,Als inkwartieren niet helpt, moet het maar met hangen en branden" had hij gezegd. Opmerkelijk is, dat deze man zelf reeds de volgende week voor Gods rechterstoel werd opgeroepen.

Acties

Ook Johannes Branderhorst, één van de grootste boeren van Genderen kreeg inkwartiering, ondanks zijn bezwaar geen plaats te hebben omdat hij Ds. Scholte met vrouw en kind herbergde. Mevrouw lag weer met koorts te bed. Tot overmaat van ramp kreeg Branderhorst deze dag nog ƒ 306,15 te betalen voor de onkosten, die het provinciaal kerkbestuur tot nu toe had moeten maken. Ds. Scholte moest ƒ 68,25 betalen. (Ook zou Branderhorst nog een boete van ƒ 500,- gekregen hebben voor het feit dat hij Ds. Scholte onderdak verleende). Ook de kerkelijke goederen zijn de afgescheidenen later nog kwijtgeraakt. Tegen de middag van deze verschrikkelijke 1e april kreeg Scholte een dagvaarding om op 29 april voor de rechtbank te Groningen te verschijnen. Tegen de vrijspraak van Appingedam in het vorige jaar had het Openbaar Ministerie nl. appèl aangetekend, 's Middags kwam luitenant Hamming de sleutel van de pastorie te Doeveren halen. Scholte had die bij zich gehouden, omdat over de kerkelijke goederen toen nog geprocedeerd werd. Door de wanordelijke situatie, die de plotselinge verhuizing te weeg had gebracht, kon de dominee de sleutel niet vinden, maar beloofde die later te zenden. De boeken en meubels van de predikant waren op zolder. Op 5 april 's zondags zat dominee rustig in het hoekje bij de haard een pijpje te roken. De ruime kamer zat vol vrienden en belangstellenden, van heinde en ver gekomen om met de dominee te spreken over de wegen des Heeren. Plotseling werd toen een inval gedaan. Terwijl de soldaten een binnendeur aan het openbreken waren, liep de predikant nog naar buiten om de luitenant te verzoeken de voordeur binnen te komen, die hij ook altijd gewend was binnen te gaan. De luitenant verzocht de mensen, het waren er meer dan twintig, te vertrekken. Hoewel er helemaal van geen godsdienstoefening sprake was, werden er toch enkele namen genoteerd. Hester, Johannes' vrouw had nog een klap van een sabel opgelopen. Nog lange tijd daarna liep zij met haar arm in een doek. Op 18 april 1835 werden enige bezoekers van ds. Scholte in de boerderij van Johannes Branderhorst gearresteerd, omdat zij geen reispassen bij zich hadden. Naar aanleiding van het optreden van de kurassiers te Genderen, schreef Ds. Scholte een adres aan de koning, gedateerd 6 mei 1835.

De Hoef

Soms wordt ten onrechte geschreven of gezegd, dat Scholte onderdak zou gekregen hebben in het „hoefhuis" op De Hoef, eveneens in Genderen. Enigszins begrijpelijk is deze verklaring wel, als we nagaan dat juist daar in de buurt de meeste godsdienstoefeningen door Ds. Scholte werden geleid. Reeds op zondag 12 april 1835, toen een nieuwe predikant nl. C. F. van Setten door ds. Suringar van Eethen in Genderen bevestigd werd, hielden de afgescheidenen hun kerkdienst in de grote schuur van „De Hoef". Daar had de Roomse boer Van Gorkum, die daar woonde toestemming voor gegeven. Honderden mensen waren toen van heinde en ver bijeengekomen. Van Gorkum mocht dat echter van burgemeester Boll uit Eethen niet voor een tweede keer toelaten. Toen gaven de bewoners van het voorhuis nl. Biesheuvel en Schoondermark aan Scholte toestemming om in het hoefhuis zelf te preken. Volgens de Code pénal van Napoleon mochten echter niet meer dan 19 personen tegelijk vergaderen. 19 mensen werden toen geplaatst in de oostelijke kamer, 19 in de westelijke kamer, 18 op de gang, op het erf ook 19 en buiten het hek dat gesloten was en op de weg, zoveel als maar te plaatsen waren. Scholte ging toen in de voordeur staan en preekte. In opdracht van burgemeester Boll werd de menigte toen met behulp van kurassiers te paard uiteengejaagd. Het hek werd opengebroken, maar de dienst werd echter voortgezet op het tegenoverliggende weiland „De Bulk" eigendom van eerder genoemde Gijsbert van der Beek. In de Bulk lag ook een boomgaard. Herhaalde malen heeft Ds. Scholte daar later nog gepreekt met alle gevolgen van dien. Tijdens zo'n hagepreek op 16 augustus van dat jaar gelukte het de kurassiers niet best om de mensen (600 a 700) uiteen te jagen. Uit de toen genoteerde namen blijkt, dat er mensen bij waren o.a. uit Den Bosch, Waalwijk, Rotterdam en Gorkum. Ds. Scholte preekte n.a.v. Matth. II vs. 28-30: „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven..."

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 april 1977

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

Genderen was bakermat van Afscheiding

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 april 1977

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

PDF Bekijken