Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De natuur begint alweer aan g^edaanteverandering*

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De natuur begint alweer aan g^edaanteverandering*

Nog is het zomer, maar de herfst dient zich reeds aan

12 minuten leestijd

0oor Joh. O. Veetihoj)

Nog viert de zomer hoogty, maar in de natuur Is alom een kentering merkbaar, die duidt op verandering van liet natuurgebeuren. Wie oplettend over landwegen en bospaden gaat, zal het niet ontgaan dat de herfst reeds schuchter vanuit de donkere nissen van de oude beuken en sparrenbossen naderb^ komt sluipen. De eiken stellen nog het fMs gekleiirde slnljanslot ten toon, maar In de berken is hier en daar al een verkleurd blad te zien, terwiyi onder deze wltbonte bomen, de prachtige gevlekte vlegenzwam z^n bolhoofd tussen de uitgedoofde smelen uitsteekt.

Alles duidt er op dat de zomer ten einde loopt. De herfst staAt voor de deur; regen en wind zullen dit proces nog versnellen. De natuur trekt zich niets aan van de kalender, waarvan wij mensen zoveel dingen aangaande het buitengebeuren, menen te moeten afleiden. Het gaat allemaal zijn eigen gang; geen mensenhand is in staat hier verandering in te brengen. Maar wat zou het ook: heeft de tintelfrisse, nazomerse morgen niet veel meer bekoring dan de hete, droge zomer waarbij men puffend en zwetend, met lome schreden over wegen en paden gaat?

Om deze tijd van het jaar trekt er een huivering door de natuur; een weemoed; een niet te omschrijven gevoel: het is voorbij.

Wanneer op zo'n nazomerse morgen, als heel de natuur is gehuld in vage neVelsluiers en veld en beemd zijn bedekt met een teer doorzichtig waas van de dauw, dan lijkt het of al wiat het oog ziet, is besprenkeld met miljoenen diamanten, die, als daarover het gulden zonlicht van de opkomende zon waaiert, lijkt te zijn doorweven met kleuren zo mooi, een regenboog gelijk.

Spinnetjes

Op zo'n morgen kan het gebeuren dat telkens iets geheimzinnigs in uw gezicht kriebelt. Mogelijk kunt u de herkomst van dit onaangename gevoel niet aanduiden, doch u bent in aanraking gekomen met een ragfijne draad, zo dun dat die door het oog bijna niet wordt waargenomen. Herfstdraden, afkomstig van heel kleine spinnetjes die de draden gebruiken om af te reizen naar warme oorden, ergens in het verre zuiden. Ook spinnetjes trekken net als vogels naar streken waar de wintermaanden worden doorgebracht. Ze spinnen daartoe een fijne, doch relatief sterke draad, die hun gewicht kan dragen. Daarmee gaan ze op weg, over bossen en rivieren, tot eindelijk het doel van de reis is bereikt. Mogelijk zal vele malen opnieuw gestart moeten worden, getuige de gelande luchtreizigers: bij duizenden hangen de draden over bospaden, in het hout en op de velden.

Groots

Wat is er de oorzaAk van dat er plotseling zo veel zijn neergestreken? Zijn het verongelukte trekkers of is mogelijk het spinnenlegiden neergestreken om hernieuwde krachten op te doen, aleer hun reis naar verre bestemming wordt voortgezet? We weten het niet; maar wat hindert dat ook. Is het per se nodig dat we alles weten omtrent de gang van zaken in de natuur? Zaak is dat we met open oog en respect mogen gaan door het grootste op aarde: de Schepping, dat we daarin de Maker zien, die ook de mens als onderdeel van dit geheel heeft geschapen. Die de mens dit alles als leengoed heeft gegeven. Die de mens als rentmeester daarover heeft aangesteld. Wanneer we zo door de grootsheid der Schepping mogen dwalen, ons zelf klein wetend bij de Maker van dit alles, dan pas kan met het hart van deze schoonheid worden genoten.

In deze tijd van het jaar bloeit de heide. Een mooier kleurenpracht is in ons land bijna niet denkbaar. De ruime vlakte gehuld in een paars-violette waas, aan de einder bomen waarnaar reeds de herfst zijn eerlijke, goud-bruine hand uitsteekt. Hier kunt u het treffen dat de imker doende is met zijn immen. Hij wil trachten op deze laatste dracht van het jaar, nog rijk gewin te krijgen. Indien de weersomstandigheden van dien aard zijn dat de bijen de amberkleurige nectar kunnen vergaren, dan is de kans op een goede oogst zeker aanwezig. Doch de heidedracht is zeer wispelturig; veel hangt af van de hoeveelheid regen die dit kruid in de lente en de zomer heeft gehad. Zegt niet het oude boerenspreekwoord: de bijen moeten door de modder naar de hei en door het stof weer naar huis. Inderdaad is het zo; wil de imker van de heide oogsten, moet het zeer warm zijn terwijl er voordien veel regen moet zijn gevallen. Zoals het er op dit ogenblik uitziet, heeft de imker een redelijke kans.

De imker op de heide, een oer-Hollandse aangelegenheid. We verwonderen ons erover dat een dergelijk tafereel nimmer een meester naar het penseel deed grijpen om zulk een stuk levende historie, op het doek vast te leggen, terwijl de scheper met zijn kudde menig kunste-. naar van naam heeft geïnspireerd.

Jeneverbessen, eenzame wachters op de hei.

De heide zelf heeft veel aan natuurbeleving te bieden, al lijkt de uitgestrektheid in zijn geheel verlaten. Het is echter alles schijn; wie er een paar uur voor over heeft om er eens stevig op los te stappen, zal verbaasd staan over het leven dat onder en op de heide rond scharrelt. Vlinders verschillend in grootte en kleur, hommels die nog een laatste dopheibloem bezoeken èn daarin eerst een gaatje bijten voordat de nectar kan worden gepeurd. GraafWespen die hun prooi ergens in een holletje wegstoppen om er dan hun eitjes bij af te zetten.

WUd

Allemaal klein spul welisviraar, doch niet te min vol bekoring. Belangrijk is welk uur van de dag men er komt en in welke landstreek men zich bevindt. Persoonlijk geven we er de voorkeur aan om het te zoeken in de Veluwse binnenlanden, waar aan de heizoom een ontmoeting met grofwild niet tot de De imker controleert zijn bijenkorven. uitzonderingen behoort. Doch wie heden ten dage het grofwild in zijn refugium wil opzoeken zal zich daarvoor wel de nodige moeite moeten getroosten.

Veel plaatsen, waar het wild zich ophoudt, zijn de laatste jaren tot rustgebied gemaakt. Overigens zeer terecht, daar de dieren, door de almaar toenemende recreatiedruk geen plaats meer hadden om zich naar behoren te ontwikkelen. Overal vond het wild de mens op zijn wissels en het was derhalve vaak op de been om ergens een rustige plaats te zoeken. Hieraan is een einde gekomen, doch dit heeft tot gevolg dat het wild zich in de rustgebieden blijft ophouden en die slechts bij avond verlaat. Slechts op weinig plaatsen maar die liggen ver buiten alle wandelroutes - is een ontmoeting met dit edelwild nog mogelijk.

Natuurlijk is er voor hen die ,4iertjes" willen zien, een mogelijkheid gecreëerd door middel van „hoogzitten", die in enkele Veluwse gemeenten ten behoeve van het publiek zijn gemaakt. Daar kan massaal in de avonduren naar dit VWwild worden gekeken. Doch wat we hier krijgen voorgeschoteld heeft met „wild" eigenlijk niets meer uit te staan, daar de dieren zich van de aanwezigheid van mensen niets aantrekken en alleen belang hebben bij een goed gevtUde voerbak.

We vinden zulks dan ook misplaatst; de adel van dit wild onwaardig.

Auto's

Overigens is het openstellen van wildgebieden voor auto's ook niet juist. Van de natuur genieten behoort niet in een auto te gebeuren: we hopen dat het nog eens zo ver zal komen dat al deze welvaartsmonsters uit de natuurgebieden geweerd zullen worden. Wie wild wil zien, doet de wandelschoenen aan en ^trekt er op uit. Over enkele maanden is het edelwild in de hoogtij, dan rijden de auto's schuifelend in onafzienbare files door de wildgebieden. Ook hiertegen hebben we onze bedenkingen en we vragen ons af: is het nodig dat Jan en alleman er getuige van is hoe de natuur zijn zaken bedisselt. We menen dat te moeten betwijfelen. Wat er nog aan wild is, daar mag ii^en van genieten: we gunnen dat de oprechte liefhebber van harte, maar we Zijn er op tegen dat do massa die het reglement van het buitengebeuren niet kent, daarop wordt losgelaten. Daar is hetgeen we nog hebben te kwetsbaar voor.

Jacht

In de tijd van de hertenbronst is ook de hertenjacht opengesteld. Alvorens op deze jacht.nader in te gaan is het goed hieromtrent een en ander te vertellen. Dat we in ons land zoveel grofwild bezitten is voor een groot gedeelte te danken aan de jacht. Het merendeel van de grofwild-revieren is van een jachtcombinatie - d.w.z. dat een aantal personen het recht hebben om in een bepaald gebied te mogen jagen. Dit jagen in combinatie is een oorzaak van de hoge belasting die dit „genoegen" met zich meebrengt. In de eerste plaats is het toezicht bijna niet meer te bekostigen: het merendeel van het jachtpersoneel wordt door particulieren betaald. Naast het salaris van de Jachtschut zijn er kosten van wildvoedering, etc. Hoe men ook over jacht moge denken, laten we deze feiten nooit uit het oog verliezen: dank zij de enorme investeringen uit de particuliere sector is voor een groot gedeelte het behoud van ons grofwild vezekerd. Gezien de activiteit, ontplooid Aopr door het stropersgilde, is een goede wildverzorging een bittere noodzaak. De Veluwse wildschuts krijgen te maken met figuren uit het zgn. Spijkerkwartier, Arnhems onderwereld. Dit soort lieden geven het jachtpersoneel handen vol werk, terwijl dit volk er niet voor terug schrikt, om in geval van nood, gebruik van vuurwapens te maken.

De jacht op het edelhert vindt zuiver selectief plaats. Vaak wordt gedacht dat door een stel dure jongens de mooiste herten worden afgeschoten. Niets is minder waar. Dat men over een goed gevulde beurs moet beschikken is begrijpelijk, doch het is alleen toegestaan om herten, die achteruit gaan, af te schieten. De trofeeën-jacht is in ons land voorbij. Zelfs is de jager verplicht om afschot bij Faunabeheer aan te vragen. Het kan voorkomen dat een ambtenaar de juistheid van het afschot komt controleren. Het is in ieder geval niet zo dat er maar raak geschoten kan worden. Voor de af te schieten dieren worden door Fauna Beheer loodjes afgegeven. Deze worden achter de hielpees bevestigd en zijn slechts éénmaal te gebruiken. Zonder deze loodjes mogen geen herten vervoerd worden.

Jeneverbes

Tijdens de bronst zijn de gebieden, waar doorgaans het wild is te zien, voor het publiek afgesloten. Doch er is in het achterland veel meer dat boeit. Op de zure gronden woekert de jeneverbes voort in een strijd om het bestaan. Trouwe wachters van de eenzaamheid zijn deze grillige verweerde struiken. En wat spreken ze niet tot de verbeelding van de eenzame wandeleuir die zijn schreden zet in de onherbergzame oorden waar deze wakels staan. In het verleden meenden de eenzame heibewoners dat er allerlei krachten in deze struik verborgen waren: de eenzame wandelaar die vermoeid onder de struik ging rusten, zou er hernieuwde krachten opdoen en kon verkwikt zijn reis voortzetten. Een stok, uit het taaie, harde hout gesneden, had een zelfde uitwerking. Ook meende men aan de juniperus dingen te moeten toekennen die van minder goede aard waren: vooral bij nacht was het in de omgeving van deze jeneverbessen niet zoals het behoorde te zijn. Het was dan ook zaak, om, nadat de zon was ondergegaan uit de buurt van de wakels te blijven.

Als genees- en keukenkruid is de jeneverbes altijd gebruikt, terwijl buiten de homeopathie voor de bessen weinig of geen belangstelling meer bestaat. Als geneeskruid werd het aangewend o.a. bij nierklachten. Als keukenkruid wordt het gebruikt bij de zuurkool en bij de bereiding van wildbraad. Ook als smaakstof voor alcoholische dranken werden de bessen gebruikt. Of dat heden ten dage nog het geval is, weten we niet. Een burlend hert in de bronsttijd.

Op sommige plaatsen vindt men midden in de heide een stukje drassige grond of een plas. Dit zijn, indien de omgeving niet door toerisme is vertreden, juweeltjes van schoonheid. Zowel de flora als de fauna kan er bijzonder boeiend zijn. In vele gevallen groeit er de zonnedauw, een plantje dat in het verleden ook al tot de verbeelding van de buitenman sprak. Toen stond men veel dichter bij de natuur dan tegenwoordig.

Zonnedauw

Maar betreffende de zonnedauw klopte het niet helemaal, daar de plant de eigenaardigheid bezat om vliegen te vangen. Omdat men dit tegennatuurlijk vond, bracht men dit vliegenvangen in verband met het bovennatuurlijke. Gelukkig weet men nu allang beter, al moeten we direkt zeggen dat het hier weer een van die kleine wonderen betreft waaraan doorgaans voorbij wordt gegaan. Wat bij de zonnedauw als bloempjes wordt aangezien, zijn lepelvormige blaadjes, aan de randen met klierharen bezet. Deze klierharen scheiden een vocht af dat de indruk wekt of de „bloemen" altijd met dauw zijn bezet. Doch wat voor dauw wordt aangezien is een vloeistof waarmee het plantje de vliegen vangt. Als een vlieg door dit vocht wordt gelokt blijft hij eraan kleven.en meteen sluiten de klierharen zich om de prooi. Nu wordt een eiwitsplitsend enzym afgescheiden, waarmee het verteringsproces begint. Pas als er nog een heel klein beetje stof is overgebleven, ontvouwen de blaadjes zich weer en wachten op de nieuwe buit.

Over dit plantje zou een heel artikel te schrijven zijn; we houden ons echter aan de hoofdzaken. Zonnedauw heeft stikstof nodig en leeft op stikstofarme gronden. Om in deze behoefte te voorzien is de plant geschapen met middelen die aan de vraag naar stikstof kunnen voldoen.

Het plantje heeft gewone bloemen die echter weinig opvallen. Vroeger werd het plantje veel gezocht om zijn geneeskrachtige werking. Het werd gedroogd en als thee gebruikt tegen kinkhoest, astma en bronchitis. Gelukkig heeft men tegenwoordig voor deze kwalen voldoende medicijnen, zodat de jacht op dit plantje - dat vrij zeldzaam is geworden - achterwege blijft.

In het zelfde gebied waar de zonnedauw groeit is doorgaans ook de gentiaan te vinden. Ook dit diep-blauwe bloempje begint in ons land zeldzaam te worden. Toch, als we in de buurt van zo'n heikolk komen, proberen we altijd een of beide plantjes te vinden, want het is lang niet zeker of we bij een volgend bezoek,' de plantjes nog zullen aantreffen. ^I"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1977

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

De natuur begint alweer aan g^edaanteverandering*

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1977

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken