Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Koningin Wilhelmina verlangde naar „vernieuwd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Koningin Wilhelmina verlangde naar „vernieuwd" vaderland

Fouten van Nederlandse regering in „Londense periode

17 minuten leestijd

kdien ooit iemand toonde eigen gevoelens en denkbeelden ondergeschikt te doen zijn aan verlangens van anderen dan was dit wel koningin Wilhelmina. Ondanks haar intens begeren om na de bevrijding in 1945 „zef de regering in handen te nemen" met passeren van ininisters en (vroegere) volksvertegenwoordiging gaf iij toch ruimte voor de visies van het Londense kabiiet en raadslieden uit bezet Nederland zodat een drei^nd staatsrechterlijk conflict kon worden vermeden tien Nederland zijn vrijheid herkreeg.

In all4 wilde zij dienstbaar zijn aan haar volt, dat vijf jaren lang zuchtte onder di bezetting. Haar grootsheid van karakter kwam tot uitdrukking in het feit.ldat zij na mei 1945 nooit meer meliemand over de vernieuwing van het slaatsbestel naar haar inzichten sprak! Oud minister-president dr. W. Dreesldie in de na-oorlogse jaren haar eerstt dienaar was en die meermalen gesWekken van „zeer vertrouwelijke aatd" met haar voerde, verklaarde vcïig jaar nog na kennisneming van letgeen dr. L. de Jong bekend maalfle over de „vernieuwing", die koning*) Wilhelmina tot stand wenste te ziin gebracht, dat zij „nooit met een woird ook maar gezinspeeld heeft op wa{ zij staatsrechtelijk veranderd had \tillen zien".

In het eerste boek van het negende deel van „HaKoninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog", schenkt dr. De Jong zeer uitvoerig aandacht aan ie nieuwe staatsrechtelijke gedachten van de vorstin. Hoe een conflict melhet kabinet-Gerbrandy en met de leHende figuren in ,,bezet" Nederland tenslotte werd vermeden, schetst hij ik de tweede helft van dit deel, dat toipal 1450 bladzijden omvat.

BesUssende stem

Uit de talrijke i antekeningen, die de koningin maak;e bij wetsontwerpen van het Londinse kabinet of bij nota's en documenten (ook uit bezet Nederland) werd duidelijk, dat Wilhelmina in de staatszaken een beslissende .stem wilde he^bben. Zij zou op een andere wijze dan voorheen (en nu) in praktijk brengen het artikel in de Grondwet, waarin staat, dat de koning(in) ministers benoemt en ontslaat naar welgevalleii (thans artikel 86 van de Grondwet), j

Haar opzet van iet „vernieuwde Nederland" vervlood in rook, maar niet dan nadat het Ibuigen of barsten" was in Londen,lwaar ministerpresident Gerbrandy èn de toenmalige vice-president van\ de Raad van State, jhr. mr. F. Beelaerts van Blokland, die ook H.M. haa vergezeld bij haar overtocht naar de Britse hoofdstad, aanvankelijk eensgezind met haar waren. Later keerd» Gerbrandy op zijn staatsrechtelijke „dwaalwegen" terug. Deze ommezwaai was mede oorzaak, dat de verhcuding tussen Wilhelmina en Gerbrandy, hoewel beiden jegens Hitler en zijn trawanten één in hun onverzettelijkheid waren op den duur verslechterde. Zij had hem graag nog vervangen als premier, maar durfde haar zin in dezen toch niet door te zetten.

Een gewoon mens

Bij herhaling ging de koningin (in ballingschap) in tegen besluiten van het kabinet of lag zij — populair gezegd — dwars wanneer bewindslieden hun standpunt inzake bepaalde kwesties weergaven. Ook een vorstin heeft haar ,,buien", waar zij een mens onder de mensen is en even ,,gewoon" als ieder ander in gevoelsuitingen. De Jong merkt o.m. van haar op: ,,Wel had zij de neiging om korte tijd met een bepaalde minister te dwepen, maar zodra deze iets gedaan had wat haar niet zinde, was hij uit de gratie, in de regel definitief. Zij kon in dat opzicht wraakzuchtig, zelfs wreed zijn, zij het dat zij, als zij fel van zich had afgebeten, daar ook weer bittere spijt van kon hebben en het gevoel kon krijgen, dat zij iets goed te maken had."

Is dit het ware beeld van koninKin Wilhelmina, die voor de Tweede Wereldoorlog als een „Moeder des vaderlands" temidden van haar volk verkeerde? Wij menen van niet, maar teneinde de kenschets van de schrijver te kunnen begrijpen, dienen verschillende zaken niet uit het oog te worden verloren.

Teleurgesteld

Het vertrek uit haar land, het missen van het veelvuldig contact met haar dochter en kleinkinderen, die in Canada vertoefden — prins Bernhard bleef in Londen — en met haar volk en dan nog, zo spoedig naar haar aankomst in de Britse hoofstad, de wankelmoedigheid van de toenmalige minister-president De Geer, die vrede wilde sluiten met Hitler en naar Nederland wilde terugkeren (wat hij ook stiekem deed) grepen koningin Wilhelniina geweldig aan. Hoe was zij teleurgesteld, ja gekrenkt door het defaitisme van De Geer, haar „eerste dienaar", welk defaitisme ook bij andere ministers overheerste. Door dit alles wijzigde zich haar houding ten opzichte van andere mensen, terwijl ook haar levenswijze radicaal veranderde. Zij voelde zich echter bij alles wat in het bezette Nederland gebeurde betrokken en had aldoor maar het gevoel, dat zij zo weinig voor haar arme volk kon doen.

Kracht uit geloof

Wij menen, dat De Jong goed uitdrukt wat in haar leefde als hij schrijft dat zij telkens opnieuw uit haar geloof kracht putte voor haar taak en voor het kruis, dat haar werd opgelegd. Van het geloof dat in haar leefde, getuigde zij zo sterk in haar mémoires ,,Eenzaam maar niet alleen". Zij schreef daarin o.m. ,,Voor alles gaat mij de omgang in het verborgene met Christus. Deze heeft mij, zoals ik reeds mocht opmerken, in staat gesteld de taak te volbrengen, die ik bijna vijftig jaar temidden van mijn volk en staande in het volle leven heb mogen vervullen"... ,,Christus Zelf is zonder meer de Weg, de Waarheid en het Leen." Hoe verlossend heeft die verborgen kracht in de vele moeilijke ogenblikken van mijn leven voor mij gewerkt, aldus koningin Wilhelmina.

Affaire-Van 't Sant

De Jong ontkomt er nief aan een van de vele moeilijkheden in haar leven te beschrijven wanneer hij de naam noemt van F. van 't Sant, secretaris van HM, die eveneens tot het gezelschap behoorde, dat op maandag 13 mei 1940 naar Éhgeland overstak. Hij was haar vertrouwensman in privé-zaken en als zodanig had hij in de jaren twintig — hij was toen hoofdcommissaris van politie in Den Haag

Op de negende persconferentie sinds begin 1969 over de geschiedscrijving van het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog ontbraken de journalisten Louis Sinner van het Algemeen Dagblad en Paul van 't Veer van het Parool. Prof. dr. L. de Jong, oud-directeur van het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie, schrijver van de geschiedenis van ons land in die oorlog heeft op die persconferentie het overlijden van — ernstige moeilijkheden in het huwelijksleven van koningin Wilhelmina en prins Hendrik helpen oplossen. Het'was het NSB-orgaan „Volk en vaderland", dat hem in juni 1935 in opspraak bracht (later werd de affaireVan 't Sant in de pers breed uitgemeten), waarbij hij werd beschuldigd van malversaties. Een bijzondere onderzoekscommissie stelde zijn onschuld vast, nadat hij reeds eerder eigener beweging ontslag had genomen als hoofdcommissaris. Van 't Sant had ten behoeve van de koningin zijn naam verspeeld en deze affaire vervolgde hem tot in Londen, want hij was en bleef dé vertrouwensman van de koningin.'

Geheel ten onrechte, zoals De Jong aantoont, werd hij door vele verzetsmensen in Nederland beschouwt als een verrader, hetgeen tot zeer onaangename (zacht uitgedrukt) situaties leidde, terwijl hij niet de minste schuld droeg van het zgn. Englandspiel, ten gevolge waarvan tal van door „Londen" in bezet gebied gedropte geheime agenten regelrecht in Duitse handen vielen.

Falen aan Britse kant

Wat dit Englandspiel betreft. De J(mg, die veel aandacht eraan schenkt in de tweede helft van zijn boek, komt na zorgvuldige studie tot de conclusie, dat in het Englandspiel geen sprake is van verraad, doch van een „falen aan Engelse kant" door ,.verregaande incompetentie (ongeschiktheid) op basis van een gebrekkig en bovendien slecht gehanteerd veiligheidssysteem: kapitale blunders of... ernstige fouten." Deze laatste term hanteerde de parlementaire enquêtecommissie, die het beleid van de regering in Londen in de jaren 1940 - '45 onderzocht, met betrekking tot het Englandspiel. Deze commissie wees ook de beschuldiging van verraad aan het adres van Van 't Sant af.

Wie alles wat De Jong opmerkt over de werking van de inlichtingendiensten in Engeland, mede ten aanzien van de Nederlandse Centrale Inlichtingendienst, goed op zich laat inwerken, kan tot geen andere gevolgtrekking komen dan dat intriges, achterdocht, wantrouwen en afgunst belangrijke factoren waren, die de gang van zaken beheersten. De CID door Van 't Sant uit het niets opgebouwd, verrichtte desondanks nuttig werk.

Onderlinge verhoudingen

Natuurlijk wist dr. De Jong, die in de Londense jaren bij Radio-Oranje werkzaam was, nog lang niet alles, ook niet van wat zich soms afspeelde in de kring der autoriteiten, ja 90-95 procent ervan was hem onbekend. Hij bevestigt dienaangaande zijn uitspraak over een ambtenaar in Londen, ,,dat geen mens ooit voldoende gegevens tot zijn beschikking heeft om de gecompliceerde werkelijkheid ten volle te overzien"(blz. 52). De Jong geeft echter details, die een frappant licht werpen op de onderlinge verhoudingen, bijvoorbeeld die onder de ministers.

Deze waren van het begin af aan al vaak meer dan droevig. Het was maar gelukkig, dat het Britse ministerie van buitenlandse zaken (Foreign Office) niet al te spoedig op de hoogte kwam van het defaitisme. Onze gezant, jhr. Michiels van Herdenkingsplechtigheid op de plaats, waar de Nederlandse kerk van Austin Friars in de Britse hoofdstad stond. Deze werd tijdens de bombardementen door de Duitsers op Londen geheel verwoest.

Journalisten herdacht
beide journalisten herdacht.

Hij merkte op dat de groep van journalisten die zich sedert meer dan tien jaar voor de delen van zijn werk hebben geïnteresseerd een heel aparte groep is gaan vormen. Sinds het verschijnen van deel acht in maart van het vorige Verduynen „had geen behoefte, Nederlands naam te bederven door het Foreign Office inzicht te geven in de verdeeldheid binnen het kabinet". Het mag toch wel opmerkelijk worden genoemd, koningin Koningin Wilhelmina haar secretaris en vertrouwensman Van 't Sant opdracht gaf inlichtingen te verzamelen over haar eigen ministers. De koningin was diep teleurgesteld over De Geer en andere bewindslieden (Dijxhoorn, minister van Defensie, Van Steenberghe, minister van Handel, nijverheid en .scheepvaart, e.a.). Een jaar zag de koningin het beleid van diverse bewindsleiden aan, maar zij dwong Dijxhoorn persoonlijk ontslag te nemen en ze zei het midden in zijn gezicht: ,,Ik heb geen vertrouwen in uw beleid."

Koningin grijpt in

Het was dan (misschien) staatsrechtelijk onjuist, dit persoonlijk ingrijpen van de vorstin, maar er was geen volksvertegenwoordiging die een minister naar huis kon sturen. Het was van de hierboven reeds genoemde enquêtecommissie onjuist om de schuld van Dijxhoorn's ontslag aan" Gerbrandy te geven. Een slap beleid van een minister van Defensie en dat in («)rlogslijd duldde HM niet. Even-' als Gerbrandy had zij éên parool: Doorvechten en hiervoor ondervond Gerbrandy beslist niet de steun van al zijn collega's. Bovendien was Dijxhoorn de man, die met Steenberghe de stoere Fries, die Gerbrandy was, van het begin af totaal ongeschikt achtte voor het ambt van ministerpresident. Sic!

De komst van Engelandvaarders was voor haar meermalen een opluchting, omdat zij dan uit eigen mond van landgenoten hoorde hoe het in bezel gebied toeging. Dikwijls waren hun berichten al achterhaald doordat zij veelal maanden na Nederland te hebben verlaten in Engeland aankwamen. Het is onbegrijpelijk, dat de koningin niets deed of kon doen aan de arrogante houding, die sommige ministers en tal van ambtenaren tegenover deze rechtstreekse informanten aannamen. Een marineman, die op een Londens bureau tegenover een collega, wat hoger in rang, kwam te slaan, kreeg na al zijn omzwervingen geen welkomstgroet te horen, maar een afgebeten ,,in de houding". Een klein voorbeeld, maar wel typerend.

„Geroddel"

Dat de Engelandvaarder soms (te) hoog opgaven van hun werk en bij de koningin over de ministers roddelden — zij gingen daarbij alleen maar af op hetgeen in bezet gebied werd gezegd, want zij hadden hen niet van nabij meegemaakt — viel bij diverse ministers niet in de smaak. Michiels van Verduynen, eerst gezant, later minister in Londen, zei onverbloemd zijn mening tegen de koningin. Hij vond, dat zij te veel het oor leende aan roddelende Engelandvaarders, maar dezen vormden voor haar het contact met haar volk in nood. Zij brachten voor haar „nieuws" en dat uit bezet gebied was toch al schaars.

Wat dit betreft, is De Jong wel enigszins met zichzelf in tegenspraak als hij eerst beweert, dat het Londense ,,Vrij Nederland" al in 1941 regelmatig berichten publiceerde ovei; „het felle, offervaardige en onverdroten verzet in het vaderland" (375) en dan later vermeldt dat geschikte, actuele gegevens uit bezet gebied in 1941 al zeer schaars waren en in 1942 nog schaarser werden (398). Bovendien was alles op zijn minst twee maanden oud, wat via de ,,kanalen" Stockholm en Geneve (waar o.a. dr. W. A. Visser 't Hooft de latere secretaris-generaal van de Wereldraad van kerken, uitnejaar zijn Sinner en Van 't Veer heengegaan.

Met beiden heeft prof. De Jong niet anders dan de beste betrekkingen gehad. In Sinner heeft hij in het bijzonder diens persoonlijke betrokkenheid op de thematiek van de Tweede wereldoorlog en de Duitse bezetting bewonderd, in Van 't Veer de evenwichtigheid waarmee die de belangrijke aspecten van de geschiedschrijving heeft belicht. mend hulpwerk voor „Londen" verrichtte) arriveerde in Londen (404).

Antisemitisme

Jammer genoeg moet De Jong ook gewagen van antisemitisme in kringen van de Nederlandse regering in Londen. Deze bood te weinig hulp aan Joodse vluchtelingen, die via het nog lang onbezet gebleven deel van Frankrijk, of via Zwitserland, Spanje en Portugal trachtten een veilig heenkomen in Engeland (of Amerika) te zoeken. Men had in Londen aanvankelijk geen idee van de omvang van de J(xienvervolging in het vaderland. Toen koningin Wilhelmina in 1942 in een radiorede vanuit Londen sprak over de „verontwaardiging van mijn gehele volk" over de onmenselijke behandeling was hier meer sprake van een wens, die de vader der gedachten is dan de harde werkelijkheid. Immers, er heerste in ons land over het algemeen gesproken mter onverschilligheid ,,dan de koningin zich blijkbaar bewust was". In de jaren dertig had zij gepoogd de toenmalige regeringen tot een ruimer toelatingsbeleid te bewegen ten opzichte van Joodse vluchtelingen uit Nazi-Duitsland. Ook in Londen bleef de regering in gebreke. De Jong signaleert het met droelheid. Mr. R. A. 24,t bestaan Levis.son, de onlangs afgetreden voorzitter van het Verbond van grafische ondernemingen, die na een geslaagde vluchtpoging uit Westerbork in begih 1944 door koningin Wilhelmina ontvangen werd, uitte na een desbetreflende vraag tegenover haar de vrees, dal het antisemitisme na de oorlog in Nederland zou blijven staan, koningin Wilhelmina ,,diep ontroerd" door hetgeen Levisson kon vertellen, reageerde verontwaardigd: ,,Zolang er een Oranje op de troon zit in Nederland, zal de Joden geen kwaad gedaan worden". Wie onder de oudere Nederlanders zich nog herinnert, op welke geestdriftige wijze het koninklijk paar bij zijn jaarlijks bezoek aan Amsterdam vóór 1940 werd begroet in de Jordaan (,,Jodenbuurt") in de hoofdstad, kan begrijpen dat zij tot de uitspraak kwam, dat er altijd „een ware band is geweest tussen de Joden en onze familie".

Tot hun schande

Hoewel een aantal ambtenaren op onze gezantschappen in diverse landen trachtte zoveel mogelijk hulp te bieden waarbij een „lofwaardige zelfstandigheid" werd getoond, legde de regering in Londen een „gebrek aan voortvarenheid" aan de dag. Dat Suriname en de Antillen de deur voor Joodse vluchtelingen dicht hielden, lag zeker niet aan minister Van Kleffens (Buitenlandse zaken), die graag meer had willen doen dan hij al op energieke wijze deed. Er waren gezanten en diplomatieke ambtenaren, die zich van het lot van Joden en Engelandvaarders niets aantrokken.

In het hoofdstuk (14) over „Vernieuwd Nederland", een gedachte waarover koningin Wilhelmina graag sprak, geeft dr. De Jong zijn zienswijze weer over de „plaats der kerken" daarin. Hij heeft het gelijk aan zijn zijde, als hij constateert, dat na de bevrijding weinig ,,van het tegengaan van de ,,ontkerstening" van Nederland", dat o.m. verscheidene Hervormde vooraanstaande figuren nog in bezettingstijd bepleitten, weinig is terecht gekomen. Het heeft hem niet verbaasd, waar hij (terecht!) tot de ontdekking kwam, dat het „nieuw réveil", zoals hij het noemde, in ,,sterke mate gebonden was aan de bezettingssituatie". Hoezeer zijn deze woorden bewaarheid. De ontkerstening nam juist na 1945 hand over hand toe. Dat God bestaat wordt heden ten dage nog maar door een deel (34'f) van ons volk beleden.

Leergeschillen

Opmerkelijk is de aandacht, die De Jong in het hoofdstuk „De plaats der kerken" schenkt aan de „leergeschillen" binnen de Gereformeerde kerken, die leidden tot schorsing en afzetting van prof. dr. K. Schilder. Hij ziet in het leergeschil dezelfde beginselvastheid als die in het optreden van „gereformeerde illegalen", maar ook als een symptoon van wat in Nederland gelijk bleef: ,,hier werd in wezen gedacht en gehandeld alsof er geen bezetting bestond" hetgeen dus moet gelden voor beide ,,partijen", met deze conclusie wordt voorbijgegaan.aan de Bijbelse, leer, dat men zeker, waar het leerstellingen ten aanzien van de kerk betreft, Gode meer gehoorzaam moet zijn dan mensen. Dit was (en is) nog altijd het enige ware uitgangspunt (waaraan de schrijver overigens geheel voorbij gaat). Wie dat terzake van de Vrijmaking ontkent, zet ook het bestaansrecht van andere kleine kerkgroeperingen op het Spel. Wij betwijfelen trouwens of dr. De Jong wel alle stukken over de „leergeschillen" en de daarmee verbonden onderduikperiode van prof. Schilder, o.m. diens brieven onder ogen heeft gehad en bestudeerd voor hij zijn mening in dezen neerschreef.

Geen „nieuw Nederland"

De door Wilhelmina verlangde „vernieuwing" bleef uit en tot een staatkundige of politieke omwenteling kwam het niet, laat staan dat een fundamentele wijziging van de gehele samenleving plaats had direct na de bevrijding. Het aftreden van koningin Wilhelmina, drie jaren na de bevrijding is geen directe aanwijzing, dat zij er zwaar aan tilde dat haar vernieuwingsdrang geen weerklank vond in ons land, maar kan toch wel worden gezien als een teken, dat zij niet meer de moed kon opbrengen om leiding te blijven geven aan het land, waarin men was teruggekeerd tot de oude constitutionele verhoudingen. Zij leed er, gelet op haar verlangen naar een ,,nieuw Nederland" wellicht meer onder dan velen, die haar omringden en ontelbare landgenoten vermoedden. Voor alle Nederlanders, die haar als regerend vorstin meemaakten en die haar „voorop gaan" in de oorlogsjaren tegen tirannie en on-christelijke nationaal-socialisme gadesloegen, blijft zij de ,,Moeder des vaderlands", die de aanhankelijkheid van de natie had verworven ,,in een mate als na Willem de Zwijger, geen lid van het Oranjehuis ooit had gedaan", aldus dr. De Jong.

Bij de presentatie van deel 9 op vrijdag jl. legde dr. De Jong ten aanzien van de paragraaf-Van 'Sant nog een verklaring af, dal de feiten hem sinds de jaren twintig ook bekend zijn en dat 41 personen de concept-teksten hadden gelezen en de persoonlijke aandacht van de minister-president hiervoor had gevraagd. Alle opmerkingen, ook van de premier, had dr. De Jong „op de gebruikelijke wijze voorgelegd aan de begeleidingsgroep voor zijn werk" (drie bestuursleden RIOD, drie adviseurs en twee leden van de wetenschappelijke staf). Dr. De Jong vervolgde zijn verklaring met: „Ik heb alle ontvangen opmerkingen, een verslag van de bedoelde vergcjdering (met begeleidingsgroep, red.} en mijn eigen conclusies terzake op 5 februari aan de minister-president doen toekomen. Deze heeft vervolgens mijn concept-tekst voorgelegd aan H.M. de koningin ". Hij wilde verder niets aan deze verklaring toevoegen, alleen dat de wetenschappelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van de bedoelde paragraaf uitsluitend bij hem ligt. „Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog" door dr. L. de Jong. Uitgave (populaire editie): Staatsuitgeverij, Den Haag, 1544 blz., ge'ill; twee banden, prijs ƒ 67,50. Koningin Wilhelmina tijdens een van Oranje in Londen haar redevoeringen voor RadioMinister-president Gerbrandy ..doorvechten... Het Nederlandse vrachtschip „St. Ot- dr. De Jong de bijzondere betekenis toland" werd in oktober 1940 voor de van de Nederlandse koopvaardij voor Britse kust door een mijn of torpedo de geallieerde oorlogvoering, getroffen. In het negende deel tekent • r..',;.:, Appil van Engelandvaarders in het meesten van hen dragen Zwitserse Zwitserse werkkamp Gossonay: de militaire kleding. •

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 16 oktober 1979

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

Koningin Wilhelmina verlangde naar „vernieuwd

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 16 oktober 1979

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken