Bekijk het origineel

Geschiedschrijving van de sterrenkunde met gebreken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Geschiedschrijving van de sterrenkunde met gebreken

5 minuten leestijd

In dit - in de goede zin van het woord - populair-wetenschappelijke werk geeft de auteur een beknopt overzicht van de ontwikkeling van de sterrenkunde in de loop der eeuwen.

Allereerst wordt aandacht geschonken aan deze wetenschap bij de Babyloniërs, de Egyptenaren en de Grieken. Vervolgens maken we kennis met de Middeleeuwse astronomie en met de grote veranderingen die zich in deze tak van wetenschap voltrokken hebben in de Renaissance en in de Reformatie. Ten slotte behandelt de schrijver in vogelvlucht de enorme ontwikkelingen die de sterrenkunde sindsdien, met name in de negentiende en twintigste eeuw, heeft doorgemaakt.

Het werk is geschreven vanuit een reformatorische visie, die overigens gekleurd lijkt te zijn door de wijsbegeerte der wetsidee. Het laat zich dan ook verstaan dat de schrijver grote belangstelling heeft voor wijsgerige en religieuze factoren die de ontwikkeling van de sterrenkunde beïnvloed hebben.

Astronomische stelsels
In dit verband wordt de nodige aandacht besteed aan de diverse astronomische stelsels. Een van de belangrijkste gebeurtenissen in de geschiedenis van de sterrenkunde is de overgang geweest van het Ptolemeïsche stelsel - de zon beweegt om een rustende aarde - naar het Copernicaanse - de aarde beweegt om de zon. Iedereen kent wel het conflict tussen Galileï en de kerk over deze kwestie, al is de juiste toedracht dikwijls minder bekend.

In de achttiende eeuw wordt de basis gelegd voor de opvatting van de meeste hedendaagse astronomen dat de kosmos zich in een periode van vele miljoenen jaren tot zijn huidige vorm ontwikkeld heeft. Overbodig te zeggen dat in dergelijke theorieën veelal geen plaats meer is voor het geloof in God als de Schepper en Onderhouder van de gehele kosmos.

Het boek geeft een goed beeld van de hoofdlijnen waarlangs de sterrenkunde zich ontwikkeld heeft. Wel heb ik enkele vragen en bedenkingen. In de literatuurlijst heb ik het werk over de geschiedenis van de astronomie van T. L. Heath gemist, A History of Astronomy from Thales to Kepler van J. L. E. Dreyer is weliswaar in 1953 herdrukt, maar reeds in I90S verschenen en dus niet direct up to date. De Mechanisering van het Wereldbeeld van E. J. Dijksterhuis dateert van 1950 en niet van 1977.

Het valt op dat de auteur de periode na Newton slechts summier behandeld Enkele problemen komen niet aan de orde, onder andere de bewoonbaarheid, der planeten, de ouderdom van 't heelal, het uitdijend heelal en de kritiek van creationisten op bepaalde heersende theorieën. Op biz. 186 spreekt de schrijver over ,jonge" en „oude" sterren. Aanvaardt hij de daar opgegeven leeftijden van vele miljoenen jaren? Waarom brengt hij dit probleem 'niet ter sprake in de laatste paragraaf over de tijd (blz. 191.)? Wat is de reden dat het woord „Geschiedenis" het hele boek door consequent met een hoofdletter geschreven wordt? Waarom kiest de auteur nu eens de Griekse vorm (bijv. Herakleitos, blz. 43) dan weer de Latijnse (bijv. Eudoxus, blz. 54) van Griekse eigennamen?

Op verschillende plaatsen is de tekst niet altijd even duidelijk. Terwijl op blz. 50 over het Griekse atomisme wordt gesproken, wordt de lezer pas op blz. 99 over het atheïstische karakter ervan geïnformeerd. Op blz. 54 ontbreekt de mededeling dat Plato het zag als taak van de astronomen de verschijnselen te „redden",d.w.z. de waargenomen grillige tjeweglngen te verklaren met behulp van combinaties van eenparige cirkelbewegingen; Het doet vreemd aan dat we pas op blz. 117 hierover iets te horen krijgen.

Op blz. 118 en 119 spreekt de schrijver over „natuurkunde en sterrenkunde, ofwel physica en mathematica". Nog afgezien van de vervanging van „sterrenkunde" door „mathematica" begrijpt de moderne lezer waarschijnlijk erg weinig van het hier besproken probleem. Het betreft hier de begrippen „fysische hypothese" en „mathematische hypothese". Een fysische geeft de werkelijkheid weer en een mathematische hypothese is slechts een hulpmiddel ter berekening. Het stelsel van Copernicus werd door velen aanvankelijk slechts als een mathematische hypothese en niet als weergave van de werkelijkheid beschouwd.

Op blz. 134 wordt gesproken van Keplers derde ontdekking. Dit is nogal verwarrend, daar de bedoelde ontdekking bekend staat als de tweede wet van Kepler. Op blz. 152 komen drie wetten van Kepler ter sprake. Ik vraag me echter af of het de lezer helemaal duidelijk is wat deze wetten precies inhouden.

Tycho Brahe

Ik wil ook nog wijzen op enkele onjuistheden. In tegenstelling tot wat op blz. 107 staat - althans gesuggereerd wordt - ontkende Tempier niet de mogelijkheid van een vacuüm, maar veroordoelde hij juist de stelling dat een vacuüm niet kan bestaan. Ten onrechte stelt de schrijver op blz. 108 dat Oresme de dagelijke rotatie van de aarde aannam. Men zie hiervoor A Source Book in Medieval van E. Grant (1974), blz. 510, noot 61.

De opmerking op blz. 127 dat het stelsel van Tycho Brahe - de aarde is in rust, zon en maan draaien om de aarde, de overige planeten om de zon - het niet verder gebracht heeft dan de studeerkamer, is niet juist. Verscheidene zowel rooms-katholieke als protestantse onderzoekers waren op Bijbelse gronden Tychoniaan, o.a. Riccioli. Ook nu nog zijn er christen-onderzoekers die om dezelfde reden kiezen voor het stelsel van Tycho.

Op blz. 138 stelt de schrijver dat de ontdekking van de schijngestalten van Venus de juistheid van het Copernicaanse stelsel bevestigde. Deze ontdekking falsificeerde weliswaar het systeem van Ptolemaeus, maar niet dat van Tycho, waarin het verschijnsel even goed verklaard wordt als in dat van Copernicus.

Deze detailkritiek doet niets af aan het feit dat dit vlot geschreven boek goede diensten kan bewijzen bij een eerste kennismaking met de onderhavige materie. Men zal zich daarbij wel enige inspanning moeten getroosten. Ook hoop ik dat de schrijver, mocht er een herdruk nodig zijn, de tekst nog eens kritisch doorneemt.

N.a.v. T. A. Th. Spoelstra, Sterrenkunde in de Geschiedenis, Oosterbaan en Le Cointre BV, Goes, 1979, 208 blz., 26 fig., prijs ƒ 18,90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1980

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Geschiedschrijving van de sterrenkunde met gebreken

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1980

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken