J. C. Bloem, dichter van het verlangen
Tijdschrift „De Beweging" 75 jaar geleden opgericht
De dichter Bloem behoort tot de enoemde dichters van 1910, ook aangeduid als dichters van de eging. Met het laatstgenoemde rd wordt dan het tijdschrift met naam bedoeld, dat in 1905 r Albert Verwey werd opgericht. wey wilde de jonge generatie uit tijd bij alle verschillen die hun k vertoonde in één tijdschrift inbrengen, omdat naar zijn me ze allen deel hadden aan eenIe door de tijd bepaald levensge
Regen en maanlicht
omernanacht groeit den morgen tegen; is de hemel zonder dageraad, en de kleine stem der zachte regen, aan mijn open venster praat.
rbed gegaan, vermoeid van leed en leven, mens, die slaap wenst als hem de aarde pijnt, ik mij tot een lichter lust verheven, dat de maan zo helder schijnt.
erust van de hete zonnedagen, egen in den beet van 't stof begaan, zou na loomte en angst nog anders vragen dezen schijn der maan.
at ik heel mijn leven heb verzwegen, langen zonder vorm en zonder naam, u geworden tot een warmen regen ten een zilv 'ren raam
deze groep rekent men o.a. ook aert. Van Eyck, A. Roland Holst en van der Leeuw. Bij de eerste twee en we al eens stilgestaan in vroegere ïlen van dit blad, resp. bijlage Boek )el, okt. '78 en RD-plus, 12-4-'79.
rk Coster schrijft in zijn Inleiding e Nieuwe Nederlandsche dichtkuns' zijn bloemlezing Nieuwe Geluide over genoemde groep: „...daarbij toont hun werk met onmiskenbare duidelijkheid, dat eenzelfde geestelijke atmosfeer op hen allen inwerkte en hun vorm bepaalde." (bl. VII).
Geest en vorm
Onwillekeurig vragen we ons af: welke „geestelijke atmosfeer" was dat? En hoe was die „vorm"? Én de geest én de vorm van hun werk werden sterk bepaald door de onmiddellijke voorgangers: Boutens, Henriëtte Roland Holst, Karel van de Woestijne (zie voor laatstgenoemde RDplus van 11-5-'79). en de latere Leopold. Deze dichters hadden, met het door Tachtig beleden estheticisme en de door henzelf beoefende natuursymboliek, hun blik echter niet beperkt tot het in zichzelf schouwen en de zelfanalyse zoals we dat bij Kloos c.s. zien. Allen voelden zich op een bepaalde wijze verbonden met aarde en kosmos. Dit verband zinvol te duiden was hun diepste verlangen. Ze waren zoekers naar het geluk. De vorm waarin ze zich dit geluk droomden, verschilde echter.
Ook Bloems werk wordt door dit geluksverlangen gekenmerkt. In elk gedicht is het aanwezig: hetzij direkt aanwijsbaar, of als bron van inspiratie de inhoud bepalend.
Geluksverlangen
Zijn eerste bundel, in 1921 verschenen, draagt dan opk de titel Het verlangen. Het hoeft ons niet te verwonderen dat Bloem vaak wordt aangeduid als de „dichter van het verlangen". Zijn geluksverlangen is wel zeer specifiek van aard. Het is een verlangen dat onvervulbaar is, want het is voorwaarde voor zijn dichterschap, voor zijn plaats hier en nu. Zoals iedere romanticus lijdt Bloem aan het leven. Het brengt hem de ene teleurstelling na de andere. Hij voelt zich niet in de burgermaatschappij thuis. Hij is in hoge mate kwetsbaar voor het leed dat het leven met zich brengt. Zie. ook het bovenstaande gedicht:
Naar bed gegaan, vermoeid van leed en leven. Een mens, die slaap wenst als hem de aarde pijnt
In de volgende strofen wijzen de woorden onrust, hete, beet, loomte en angst op hetzelfde motief: een pessimistische kijk op de loop der dagelijkse dingen. In dit gedicht herkennen we ook het reeds genoemde karakter van Bloems verlangen, nl. in de laatste strofe: „Veriangen zonder vorm en zonder naam". Zijn verlangen is vaag, weinig concreet gericht óp een feitelijk gegeven. Het is eerder onbegrensd en ondefinieerbaar. Slechts nu en dan ziet hij kans een enkel ogenblik zijn geluksverlangen binnen het gedicht in woord, beeld en ritme te vangen. Zo b.v. in de laatste strofe:
Verlangen zonder vorm en naam. Is nu geworden tot een warmen regen Buiten een zilv'ren raam.
Ook in het gedicht De stem der steden horen we de echo van bedoeld geluk:
De grote stem der luidbevolkte steden. Die spreekt van meer dan vreugde en meer dan leed Tot hem, in wién zich 't leven gaat verbreden. En die om groter droom zichzelf vergeet.
Deze min of meer triomferende toon weet Bloem in een stromend ritme tot uiterste spanning op te voeren: En een begeerte grijpt mij om te vluchten De worgende engheid uit van dit bestaan, 't Leven te vieren en, na veel genuchten, In zijn schallenden stroom ten ondergaan. (Loind'eux) Naarmate hij ouder wordt, is dit aspect zeldzamer. In plaats daarvan krijgen teleurstelling, twijfel, passiviteit en gelatenheid steeds meer de overhand. We zien dat in zijn latere bundels: Media vita (1931), De nederlaag (1937), Sintels (1945), Quiet though sad (1947) en Avond (1950). Een enkel voorbeeld uit November (Media vita):
De jaren gaan zoals zij gingen, Er is allengs geen onderscheid Meer tussen dove herinneringen En wat geleefd wordt en verbeid.
Doodsgedachte
Een opvallend motief bij Bloem is de doodsgedachte. Men komt ze voortdurend in zijn werk tegen. Wel is er verschil in zijri houding tegenover het feit van de dood. In zijn eerste bundel spreekt hij nog over „het lieve leven en de zoete dood". (Lichte vensters). Hij ziet de dood dan als een soort bekroning van een euforisch bestaan. Voorb.:
Dat dan één zekerheid hem stervenskracht verlene: Verzadigd heen te gaan van 's levens koningsmaal. (Het verlangen)
In de latere bundels echter ziet hij de dood als een onontkoombaar einde van een leven vol teleurstellingen. De dood is dan min of meer een verlossing.
Eh dan één troost slechts vindt na heel dit streven: Dat er een einde komt aan alle pijn. Later Leven (De nederlaag)
De totale ontluistering van het aards bestaan wordt wel zeer schrijnend weergegeven in:
..:'t lichaam, tot den dood verzworven. Waarin het leven niet meer kolkt en schuimt. Het wordt, in een toevallig bed gestorven. Op een vuig kerkhof haastig weggeruimd. (Levensloop)
Uit deze citaten, die met vele soortgelijke gevoelsuitingen vermeerderd zouden kunnen worden, blijkt hoe Bloem de dood ziet als een uiteindelijke verlossing uit dit kommervolle aards bestaan. Vraag hem echter niet wat hij na de dood verwacht!
Blijkbaar is er voor hem wel een bestaan na dit leven, maar daarover spreekt hij in zeer vage termen. Nu eens heeft hij het over: „Zon, mist en stilte, en dan voor immermeer," Dan weer noemt hij alleen maar de „stilte". Het leven karakteriseert hij dan als „het is tussen twee stilten even luid geweest". Met die twee stilten bedoelt hij blijkbaar het bestaan vóór en na dit leven. Onnodig te zeggen dat we deze visie op grond van de Schrift af moeten wijzen, zoals trouwens Bloems hele beschouwing van leven en dood. Met wat God ons daaromtrent, leert in Zijn Woord hebben Bloems opvattingen helaas niets gemeen. Bij hem is veeleer sprake van een heidense levensfilosofie.
Vorm
Na deze beknopte weergave van de inhoud nog iets over de vorm van zijn werk. We Wezen er reeds op: ook in de vorm, of juist in de vorm, is de invloed van de onmiddellijke voorgangers als Boutens en Van de Woestijne te bespeuren. Dat betekent een in alle opzichten klassiek vers, dat streng gebonden is aan o.a. strofenbouw (b.v. het kwatrijn), metrum en rijm. Een geijkt woordgebruik in de zin van „dichtertaal" is hem niet geheel vreemd. Evenals zijn tijdgenoot Gossaert vindt Bloem het retorisch taalgebruik niet af te keuren, mits het opnieuw bezield is. Hierin stond hij lijnrecht tegenover zijn vriend Aart van der Leeuw in wiens ogen genoemd taalgebruik geen genade kon vinden. Over dit punt hebben ze een pittige polemiek gevoerd
Naarmate Bloems veriangen minder bruisend tot uiting komt en 's levensloop hem ontnuchtert en bezeert, wordt zijn taal strakker en directer en krijgt ze meer het karakter van de spreektaal. Een duidelijk voorbeeld daarvan is het sonnet De Dapperstraat.
Het werk van Bloem vindt nog steeds bewonderaars. Het heeft een heel aparte plaats in onze letterkunde. In 1968 ontving hij voor zijn oeuvre de prijs der Nederlandse letteren, de hoogste literaire onderscheiding..Deze prijs, die in 1956 voor het eerst is uitgereikt, wordt daarna om de drie jaar toegekend, beurtelings aan een auteur uit het Noorden van ons taalgebied en aan iemand uit het Zuiden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1980
Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1980
Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's