Bekijk het origineel

Surinamers in Suriname zullen hand aan de ploeg moeten slaan

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Surinamers in Suriname zullen hand aan de ploeg moeten slaan

8 minuten leestijd

Er zijn niet zoveel redenen om de overeenstemming te bejubelen die vorige week in Paramaribo werd bereikt over de wijze waarop de resterende Nederlandse ontwikkelingshulp zal worden besteed. Het is namelijk niet de eerste keer dat Nederland Suriname het oneens zijn geworden over de bestemming van de door NederIand toegezegde ontwikkelingshulp en er is principieel weinig veranderd.

Ter gelegenheid van de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 zegde Nederland aan Suriname toe bij verdrag 3,5 miljard Nederlandse gulden ontwikkelingshulp toe. Totaal, dat wil zeggen 2,7 miljard aan medefinanciering van projecten en 0,8 miljard aan kredietgaranties, tezamen een gigantisch bedrag, groter dan welk ontwikkelingsland van één land ontvangt. Het komt overeen met één miljoen gulden per dag gedurende tien. Het was de bedoeling dat met bedrag een deel van het door Suriname opgestelde meerjaren ontwikkelingsprogramma (MOP) zou worden uitgevoerd.

De beleidsuitgangspunten van dit programma waren:

- Vergroting van de economische weerbaarheid;

- vergroting van de werkgelegenheid

- Verbetering van levensomstanden van de gehele bevolking;

- Regionale spreiding. Allemaal respectabele criteria die, verduidelijkt door indrukwekkende schema's en tabellen en toegelicht in dikke rapporten tot vandaag toe kunnen worden onderschreven.

Deze ontwikkelingshulp zou - zoals gezegd - voornamelijk worden gegeven in de vorm van medefinanciering van projecten waarvan de uitvoering paste in het MOP. Ideeën die bij de overheid of bij particuliere organisaties ontstonden moesten als projecten en medeflnanciering uit de ontwikkelingshulp aan de CONS worden voorgedragen.

De CONS is de Commissie ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname, en bestaat voor de ene helft uit Surinaamse en voor de andere helft uit Nederlandse deskundigen.

De CONS moest de ingediende projecten beoordelen en deze toetsen aan de aanvaarde criteria van het MOP. Wanneer dat het geval was en het project voldeed ook wat de documentatie betreft aan de overeengekomen vormvereisten (tekeningen, begrotingen, exploitatieverwachtingen etc.) dan werd voor de uitvoering het licht op groen gezet.

Ofschoon Suriname nogal eens moeite had om ideeën in beoordeelbare projecten om te zetten - Nederland zond zelfs deskundigen uit om Suriname daarbij te helpen! - moet gezegd worden dat een zeer regelmatige stroom weldoortimmerde plannen aan de CONS kon worden voorgelegd. Afgezien van enige emotionele uitschieters kom de GONS in de jaren 1975 tot 1978 goed opschieten met het beoordelen en goedkeuren van ingediende projecten. De CONS maakte daarbij zulk een goede voortgang dat begin 1979 kon worden bekend gemaakt dat er behalve een voor prijsstijgingen gereserveerd bedrag - alle overeengekomen ontwikkelingshulp in hoofdlijnen zijn bestemming had gekregen.

Met het in uitvoering nemen van de met zoveel zorg omringde ontwikkelingsprojecten was het echter droevig gesteld. Eind 1979 dus na vier jaar was er nog slechts een zeer klein deel van de in projecten goedgekeurde ontwikkelingshulp werkelijk besteed en uitgegeven. De oorzaak daarvan was geen andere dan het niet voor handen zijn van voldoende uitvoercapaciteit. Wegens het ontbreken van mankrachten konden goedgekeurde projecten niet in uitvoering worden gegeven en trad er stagnatie op in de uitvoering van projecten waarmee een aanvang was gemaakt. De plannen waren goed, maar de mensen die ze moesten uitvoeren of voor wie de projecten waren bedoeld hadden intussen het land verlaten en zich in Nederland gevestigd.

Naïef

Wanneer we dan nu triomfantelijk horen beweren dat de tijd van de onvruchtbare discussies over de wijze waarop de ontwikkelingshulp moest worden besteed nu definitief is afgesloten en dat nu alle aandacht aan de uitvoering van projecten zal worden besteed, dan kuimen we een glimlach niet onderdrukken. Alsof de stagnatie in de slepende bestemmingsdiscussies haar oorzaak vond! Aan goede plannen heeft Suriname nimmer gebrek gehad: kasten vol! Maar wie de toespraak van de regeringsleiders Ferrier, Pengel, Arron en Chin a Sen naast elkaar legt bemerkt dat zij allen - elk in hun tijd - het over één ding roerend eens waren: het zijn de mensen die het zullen moeten doen. „Kottie tsjing, a no shing!", zei premier Arron (Het is geen schande een houwer te hanteren). De houding die de Surinamer tegenover arbeid pleegt aan te nemen zal moeten veranderen.

Laten we voor een ogenblik de ontwikkelingshulp die Nederland aan Suriname geeft eens vergelijken met de Marshall hulp die het berooide en uitgehongerde Nederland direct na de Tweede wereldoorlog van Amerika ontving. Nederland sloeg direct de hand aan de ploeg in letterlijke en in figuurlijke zin en benutte daarmee de mogelijkheden die die Marshall hulp ons gaf. Niet alzo Suriname. Die lieten het geld ongebruikt liggen en vertrokken massaal naar Nederland.

Zo lang dan ook bij de Surinamers in Suriname - en dat zijn er niet zo veel meer! - de wil blijft ontbreken om de handen uit de mouwen en in de Surinaamse vette modder te steken zolang zal alle ontwikkelingshulp boter aan de galg gesmeerd zijn.

West-Suriname

In de discussies over de besteding van de ontwikkelingshulp duikt telkens weer de vraag op met welke soorten projecten de Surinaamse ontwikkeling het meest gediend is, met kleine of met grote projecten. De kleine hebben het voordeel zichtbare resultaten op te leveren op korte termijn. De grote dragen meer bij tot versterking van de infrastructuur, maar het duurt langer eer de resultaten zichtbaar worden. Ontwikkelingsdeskundigen kiezen niet voor óf-óf, maar voor én-én: grote en kleine projecten in een goede verhouding kunnen samen tot een evenwichtige en optimale ontplooiing van een ontwikkelingsland leiden.

In deze visie past stellig het ene echt grote ontwikkelingsproject West-Suriname: een omvangrijk plan voor de winning van waterkracht (met de Kabalebovallen aan de Corantijn) en de ontginm'ng van bauxiet in het Pakhuisgebergte (Apoera). Men spreekt naar ons oordeel te gemakkelijk over een show- of statusproject van de Surinaamse planologen over een spoorlijn van ergens naar nergens en over bauxietreserves die economisch niet rendabel te winnen zouden zijn. Men vergeet daarbij dat aanwezige bodemschatten alleen maar kunnen worden aangesproken wanneer het gebied waarin deze zich bevinden met wegen en bruggen bereikbaar is gemaakt.

In economische zin is de aanleg van een weg en een spoorweg een omwegproductie, maar de kost gaat voor de baat uit. En wat de kwaliteit van het aangetroffen bauxieterts betreft, deze is inderdaad naar internationale maatstaven niet hoog, maar men moet er wel bij bedenken dat electriciteit de belangrijkste productiefactor is bij de winning van bauxiet en de verwerking van bauxiet tot aluinaarde en aluminium. En als dan die electriciteit met de te bouwen Kabalebowaterkrachtcentrale op goedkope wijze wordt verkregen zou daarmee het niet hoogwaardig zijn van het erts weleens zodanig kunnen worden gecompenseerd dat toch op economisch rendabele wijze aluminium kan worden geproduceerd.

Het West-Suriname project willen we derhalve blijven beschouwen als een project met een kernfunctie, een project dat als aanjager kan dienen voor de ontwikkeling van de hele westelijke regio, een project ook met gunstige uitstralingsefFecten voor de hele economie van het toekomstige Suriname.

Indianen

Als het over West-Suriname gaat wordt ook dikwijls over de Indianen gesproken. De Surinaamse Indianenstammen zijn net als de overige Indianen op het Amerikaanse continent van huis uit nomaden die leven van roofbouw, jacht en visserij. Wij lezen de laatste tijd veel over verdrukking van die Indianen en helaas is dat maar al te vaak waar. Maar het is wel typerend dat de zeer kleine groep Surinaamse Indianen er geen behoefte aan had zich op het Russell-tribunaal in Rotterdam te laten horen. Zo zouden er ook niet zoveel reden toe hebben want het gaat hen de laatste 25 jaar erg goed. Door goede medische verzorging en verandering van voedingsgewoonten - de naam van de onlangs overleden christen-arts Jan van Maasijk mag in dit verband niet onvermeld blijven - neemt hun aantal weer toe en daarmee ook de noodzaak van onderwijs en verbetering van landbouwmethoden. Ontwikkelingswerkers worden daartoe door hel algemeen diakonaal bureau van de Gereformeerde Kerken in Nederland uitgezonden.

Behalve over vakkennis en improvisatietalent moeten zij ook besclükken over de bereidheid het zwervend Indianenbestaan te delen. Er zijn aanwijzingen dat de nieuwe Surinaamse regering de historische rechten van de oudste en tevens kleinste bevolkingsgroep wil respecteren. Gemeend wordt dat verdergaande ontsluiting en industrialisatie van het binnenland niet de ondergang van een kleurrijke cultuur behoeft te betekenen en dat is juist. Indianen zijn erg intelligent en ze blijken gemakkelijk moderne technische beroepen te kunnen leren, maar het voor hen aanwijzen van vaste woongebieden zou in strijd zijn met hun zwerversnatuur.

Mentaliteitsverandering

Zowel in Suriname als in Nederland hoort men spreken van een noodzakelijke mentaliteitsverandering van de Surinamers zelf tegenover de ontwikkeling van hun eigen land. Wij zeiden reeds dat dit inderdaad nodig is maar niet minder is dat ook noodzakelijk aan Nederlandse zijde. We moeten tegenover Suriname nu eindelijk eens die houding laten varen van het beste te weten wat goed is voor Suriname. We moeten Suriname maar toestaan zijn eigen fouten te maken. We moeten ons daarom ook niet meer laten verleiden in Suriname in beleidsvoorbereidende commissies zitting te nemen. We moeten ook niet zo hoogmoedig zijn te denken dat wij de kennis waaraan Suriname behoefte heeft in huis hebben.

Suriname is in oppervlakte vier en half keer zo groot als Nederland en voor de vraagstukken waarvoor Suriname staat zijn pas op wereld niveau deskundigen te vinden. We moesten ons ook maar eens realiseren dat we de Surinaamse volkshuishouding de afgelopen jaren met onze door schuldgevoelens relatief hoog opgevoerde ontwikkelingshulp duurzaam hebben ontwricht. Onze economen hadden moeten bedenken dat geldinjecties in een economie die geen besparingen kent inflatoir zouden werken. Wij bepleiten derhalve geen abandonneren van Suriname, maar wel een zo groot mogelijke afstandelijkheid wanneer het over Surinaamse beleidsproblemen gaat. De dosering en de spreiding in de tijd van de toegezegde ontwikkelingshulp moet worden aangepast aan de mogelijkheden die de Surinaamse economie heeft om geldinjecties door eigen productie en eigen besparingen op te vangen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 december 1980

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Surinamers in Suriname zullen hand aan de ploeg moeten slaan

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 december 1980

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken