Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

ij^  iretkaalt/eó^k Naar het ziekenhuis (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

ij^ iretkaalt/eó^k Naar het ziekenhuis (2)

Door F. W.Mout-v.d. Linden

10 minuten leestijd

„Mam, denkt u dat Rikje donderdag thuis is?" vraagt Jan Jaap. Hij hoopt zo dat moeder zal zeggen, dat Rikje dan thuis is, maar moeder schudt haar hoofd. „Nee Jan Jaap, daar moet je maar niet op rekenen". „O wat is dat jammer", vindt Jan Jaap. Moeder vindt het ook erg, want donderdag hoopt Rikje zijn verjaardag te vieren, zijn tweede verjaardag. Rikje ligt nog in het ziekenhuis en het gaat niet zo goed met hem, dat hij al naar huis kan. Rikje knapt eigenlijk niet zo erg op. Hij vindt het verschrikkelijk naar in het ziekenhuis, dat komt omdat hij het allemaal niet begrijpt. Je kunt zo'n klein ventje niet uitleggen waarom hij in het ziekenhuis moet blijven, hij snapt het niet. „Mee, mee", roept hij iedere keer als papa en mama weggaan. De eerste dag hield Rikje zich erg flink, de dokter mocht hem onderzoeken, hij ging lief mee naar de afdeling waar foto's werden gemaakt en hij ging lief slapen, maar de volgende dag had Rikje er genoeg van. Hij wilde naar huis naar mama, maar dat ging natuurlijk niet.

„Rikje moet eerst beter worden en dan mag je mee naar huis", vertélde papa, maar Rikje huilde tranen met tuiten. Hij kon ook met niemand spelen, want hij lag alleen in een kamertje. Er waren wel grote ramen in het kamertje en door die ramen kon Rikje naar buiten kijken. Beneden achter een groot hek liepen kippen, kalkoenen en mooie vogels, maar Rikje keek er niet naar. Tussen de kamertjes waren ook glazen ramen en je kon zo in het andere kamertje kijken. Als Rikje in zijn bedje stond, kon hij het kindje zien, dat in het andere kamertje lag, maar dat kindje keek niet naar hem, het was nog zo'n klein kindje, een babytje. Eén zuster zag Rikje staan en ze dacht, het zou leuk zijn als Rikje vanuit zijn bedje naar een groter kind kon kijken, misschien is hij dan niet zo verdrietig. Toen vader en moeder 's middags op bezoek kwamen, lag Rikje niet meer in zijn eigen kamertje. De zuster wees hen een ander kamertje. „Kijk", zei ze, „wij hebben Rikje met zijn bedje naar dat kamertje gebracht, nu ligt hij naast een jongetje dat bijna net zo oud is als hij. Rikje huilde niet toen hij papa en mama zag, hij wees met zijn vingertje naar het jongetje naast hem. „Kin", lachte hij. „Wat lief van u, dat u Rikje hierheen hebt gebracht, zo te zien heeft hij veel plezier met het jongetje naast hem", vond moeder. „O ja", lachte de zuster, ,,ze laten elkaar van alles zien en als de één niet kijkt, slaat de ander met een autootje tegen de ruit".

Papa nam Rikje op zijn knie en gelijk griste Rikje de pen uit papa's zak en duwde hem in zijn hand. „Teken". „Wat moet papa tekenen?" „Auto gote". Papa tekende een grote auto en hij was nog maar net klaar of Rikje vroeg een poes te tekenen. Na een poosje vond hij dat papa genoeg getekend had en wilde hij bij mama zitten. Mama moest een verhaaltje vertellen uit een boekje, dat Rikje van Nellie en Jannie had gekregen, daarna moest hij het boekje van de boerderij hebben. Dat boekje had hij van opa gekregen. Opa was al een paar maal bij Rikje wezen kijken, Hans was ook al eens mee geweest, maar de anderen mochten niet. Ze vonden het helemaal niet leuk, dat ze niet bij hun broertje op bezoek mochten. Ze waren op een middag langs de achterkant van het ziekenhuis gewandeld en ze hadden Rikje geroepen. Moeder had Rikje opgetild, zodat hij naar buiten kon kijken. O, wat begon hij te huilen toen hij zijn zusjes zag. „Mee Nel, Jan", riep hij snik,kend. „Jullie moeten je maar niet meer laten zien, Rikje wordt er zo verdrietig van", raadde moeder aan. Wat naar nu allemaal, ze missen Rikje en nu mogen ze ook al niet meer naar hem gaan kijken. Waren ze maar ouder dan mochten ze wel bij hem op bezoek. Thuis is het ook niet zo leuk, het is leeg en kaal zonder Rikje en zo stil. Je hoort geen getrippel van kleine voeten en geen gebabbel. Ze worden er zelf ook stil van. „Niets aan", vindt Jan Jaap. Hij wilde wel dat Rikje met zijn mooiste speelgoed speelde, hij zou heus niet mopperen. „Mam, mag ik een cadeautje voor Rikje kopen?", vraagt hij, „of krijgt hij geen cadeautjes nu bij in het ziekenhuis ligt". „Natuuriijk geven we wat", vinden de anderen, „zou jij het fijn vinden als je niets op je verjaardag kreeg". „Zo bedoel ik het niet", legt Jan Jaap uit, „ik weet niet hoe we het moeten doen". „Ik begrijp het wel", zegt moeder, „Jan Jaap vindt het een beetje moeilijk". Rikje zal zijn verjaardag in het ziekenhuis moeten vieren en nu kan Jan Jaap hem geen cadeautje geven, omdat hij niet bij hem mag. Het lijkt mij het beste om nu iets leuks voor hem te kopen waar hij in het ziekenhuis mee kan spelen. Als hij bij leven en welzijn weer thuis mag komen, krijgt hij de andere cadeautjes. Is dat goed?".

Ze vinden het geen van allen een prettig idee maar het moet maar zoals moeder voorstelt. Die middag gaan ze met z'n allen naar de winkel en zoeken iets geschikts voor Rikje. Ze vinden een muziekdoosje, dat hij zelf op kan winden. Dat lijkt hen wel wat, Rikje houdt altijd zo van muziek, nu kan hij in zijn bedje liggen luisteren naar het mooie wijsje. Opa heeft ook wat moois gevonden, een auto met belletjes. Met een stokje kun je tegen de belletjes slaan, ze tingelen dan zo grappig. Wat zal Rikje blij zijn met zijn cadeautjes, maar Rikje is niet blij. Hij kijkt niet naar de kleurige slinger, die de zuster opgehangen heeft. Hij kijkt niet naar het beertje van karton met het vlaggetje, dat een andere zuster heeft opgehangen. Hij kijkt niet naar de cadeautjes. Met een zwaai gooit hij ze van zijn bedje de grond op. Zelf gaat hij verdrietig in een hoekje van zijn bedje zitten.

„Hij is zo verdrietig", vertelt de zuster, „hij wil niet eten en niet drinken en we krijgen zijn drank bijna niet naar binnen. Kunt u niet wat meer komen il om hem zelf eten en drinken té ' geven en zijn medicijnen". Natuurlijk kan moeder dat, dan moeten de andere kinderen thuis maar wat meehelpen. Rikje vindt het fijn, dat moeder nu zo vaak komt, hij kruipt dicht tegen haar aan en hij eet wat van zijn pap en van zijn fruit en hij drinkt wat, maar lang niet genoeg. Moeder laat hem het grote plakboek zien met de kaarten erin die Rikje in het ziekenhuis heeft gekregen en onder het kijken probeert ze hem te laten eten, maar het lukt niet.

Een paar dagen later komt de dokter naar vader en moeder en zegt, dat het zo niet langer kan. Rikje heeft zo'n heimwee, hij knapt niet op. Het is beter, dat Rikje naar huis gaat. Morgen mogen ze hem komen halen. De dokter zal hun precies vertellen, welke medicijnen hij moet hebben. Ze moeten erg oppassen met hem, want hij is nog niet beter. Dat begrijpen vader en moeder wel, maar ze zijn zo blij, dat Rikje naar huis mag. Wat zullen de andere kinderen verheugd zijn. Ze kunnen bijna niet wachten tot het morgen is. De volgende dag rijdt opa hen naar het ziekenhuis. Opa is ook blij, dat zijn vriendje weer naar huis mag. „We gaan hem in mijn auto halen", heeft hij gezegd, want Rikje rijdt graag in opa's auto.

De zuster is Rikje aan het aankleden en als hij aangekleed is, geeft ze hem aan vader. „Ga je mee naar huis", vragen ze. Rikje slaat zijn armpjes stijf om papa's hals. „Mee, mee", roept hij blij. Hij wil nu wel zwaaien naar de zuster. Ze krijgt geen hand van hem, terwijl het juist zo'n lieve zuster is. „Geeft niet hoor", lacht ze. „Ga jij maar vlug naar huis". „Huis", wijst Rikje als ze thuis de kamer binnenlopen. Met een diepe zucht gaat hij bij moeder zitten. „Pap", vraagt hij na een poosje. Papa gaat een bordje pap klaarmaken, want mama mag niet bij Rikje vandaan. Hij begint te eten, met grote happen eet hij zijn bordje leeg. „Je kunt zien, dat hij niet veel gegeten heeft in het ziekenhuis. Hij eet het zo snel op". Met blijde gezichten kijken ze naar hun broertje. Wat zijn ze dankbaar dat Rikje weer thuis is. Met elkaar danken ze de Heere God voor Zijn goedheid en ze vragen eerbiedig of de Heere Rikje verder beter wil maken en of hij en zij allemaal een schaapje van die grote kudde mogen zijn, waar de Heere Jezus de Goede Herder van is. 1031 — Majoor Robesville logeerde nog steeds op 119. Nu, die mooiste dierentuin van Nederland had Piet graag gezien. Hij had wel gehoord van Artis in Amsterdam. Maar daar was hij nog nooit geweest. En hij kende het Noorder Dierenpark in Emmen, want daar waren ze geweest toen ze een schoolreisje maakten. Daar was al zoveel moois te zien, dat Fiet niet uitgekeken was geraakt. Maar als je dan in Rotterdam een nog weer veel grotere en mooiere dierentuin had, dan vond hij het maar heel erg Jammer, dat hij aan die dierentuin deze keer niet te pas was gekomen. Ja, en zo was er nog wel meer. Wie zou nu niet graag eens op de Euromast gaan. Daar had hij op school al van geboord en vanuit de havens had hij dat merkwaardige bouwsel gezien. Het was geen toren en het was toch ook geen mast. Op een mast leek het nog het meest, want er zat ook zoiets in als

Hekpuzzel

Je ziet hier een hek met 6 verticale „stijlen". Deze staan niet in de goede volgorde. Als je ze zo door elkaar zet, dat ze weer in de juiste volgorde staan, lees je op de twee dwarsbalken een gezegde. Welke?

Oplossing vorige puzzel: ZwaAn, PeLikaan, roodBorstje, lepelAar, kieviT, meRel, oOievaar. Specht: ALBATROS.

T 1
een kraaienest op een schip van vroeger. Een kraaienest, waar de matrozen in zaten om uit te kijken naar andere schepen. Er was een restaurant in gebouwd, waar Je kon eten en drinken en dat restaurant zat maar even bijna honderd meter boven de havens. Kijk — als Je op die Euromast was, zo hoog als Je maar mocht dan kon Je heel Rotterdam zien en tegelijk al de havens met de honderden schepen. En Je ging met een lift omhoog, die zo geruisloos liep en zo snel, dat Je, voor Je het in de gaten kreeg, al boven was. Alleen in Je oren knapte het dan wel even en Je moest vooral goed slikken. Dat had Joost hem allemaal verteld. En Fiet kon het maar moeilijk verzetten, dat al die mooie dingen hem nu toch nog ontgingen. Hij wist wel, dat mooie dingen ook geld kostten en dat hij met een zuinige portemonnaie naar Rotterdam was gekomen.

V R

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1981

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

ij^  iretkaalt/eó^k Naar het ziekenhuis (2)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1981

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken