Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Eerbaarheid siert het sobere kleed na zonde in paradijs

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Eerbaarheid siert het sobere kleed na zonde in paradijs

7 minuten leestijd

De moderne mens die zichzelf tot maat maakt hier en daar reclame voor naaktloperij. Zo protesteerde ds. J. Vos uit Nijkerk vorige week in de Hervormde kerkbode van de classis Harderwijk tegen folders die naakt zwemmen propageerden. Ook de argeloze wandelaar op het Texelse strand kan zich ineens oog in oog weten met iemand zonder één enkel kledingstuk.

De Anabaptisten waren in het begin van de zestiende eeuw niet de eersten die op grond van religieuze gevoelens kleding verwierpen. De ,,gemeente zonder vlek of rimpel" zou een opgericht teken moeten zijn van het „nieuwe Jeruzalem". De terugkeer naar de paradijselijke vrijheid van het individu ontaardde echter in bandeloosheid en polygamie, veelwijverij. Bekend is de naaktloperij op de Dam in Amsterdam. Nog bekender de ,,reiniging" van Munster.

Kerk en overheid grepen echter in, bestreden die uitwassen in het kader van verzet tegen al wat naar Reformatie riekte. Die tijd is voorbij. Brandstapels wensen wij niet terug en evenmin het schavot. Maar het zou welkom zijn als de magistraat zich ook vandaag hield aan artikel 36 van de Geloofsbelijdenis — „opdat de ongebondenheid der mensen bedwongen worde" — waar de gereformeerde erkenning van de van God gegeven overheid de Doperse revolutie zo nadrukkelijk weerspreekt. Ook al ontspruiten sauna en nudistenstrand niet aan religieuze gevoelens maar aan nieuw, mateloos heidendom.

Noodzaak
Is naaktloperij nu werkelijk „ongebondenheid". Absoluut! Johannes moet Laodicea schrijven van de „schande uwer naaktheid". (Openb. 3:18) Kleding en de noodzaak daarvan herinnneren ons aan de vreselijkheid van de zondeval. In hun staat van zondeloosheid hadden Adam en Eva geen kleding nodig: zij waren beiden naakt en zij schaamden zich niet. (Genesis 2:25)

Maar het wordt anders als Gods schepsel in zonden valt. Dan worden Adams en Eva's ogen geopend: zij werden gewaar dat zij naakt waren, Adam vreesde daarom de Heere. (Genesis 3:7 en 10) In het vervolg van de historie zien we bevestigd wat ds. Vos in zijn kerkbode schreef. De mensen ,,kennen wel goed en kwaad maar beheersen het niet": de Heere liet hen een (al dan niet sprekend) geweten.

Bedekking
God maakt Zelf kleren (Genesis 3:21): Hij slacht een dier, er vloeit bloed. Zo herinnert die bedekking van het lichaam aan het kruis. Daar droeg de Zaligmaker de schande van de naaktheid van Zijn volk, opdat Laodiceërs „witte klederen" in het vooruitzicht konden gesteld worden, het kleed der gerechtigheid van Christus.

Zo werd de kleding noodzaak. Maar ze herinnert niet slechts aan de zondeval. Daarom kan William Perkins in zijn ,,Cases of conscience" ook schrijven: wij moeten van onze kleding een geestelijk gebruik maken. Wanneer wij onze klederen uitdoen, dan worden wij vermaand de oude mens af te leggen; wanneer wij onze klederen aandoen, dan behoort die ons te leren ons voor te bereiden dat we Christus zullen ontmoeten. Aldus Perkins.

Gods orde omver
Schaamte is een natuurlijk, als gevolg van de zonde door God verwekt gevoel. De Bijbel toont de verachting ervan als teken van diepgezonken ruwheid of geraffineerde zinnelijkheid. Wie zich over de schaamte heenzet keert Gods orde om. Dat leidt tot bandeloosheid en uitspattingen als in Romeinen 1:26, 27 en 28 beschreven.

Daarentegen vermaant Paulus mannen te bidden ,,opheffende heilige handen" en beveelt hij ,,dat de vrouwen in een eerbaar gewaad met schaamte en matigheid zichzelve versieren". (1 Timotheus 2:9) Dat is een kenmerk van godvruchtigheid.

Schaamte verlaten is oorzaak van algemeen zedelijk verval. Om met de Zuidafrikaan C. J. Langenhoven te spreken: ,,Die verval van 'n samenlewing begin met die aftakeling van sy skaamtegevoel."

Minachting
Kleding is ook op andere wijze functioneel. „God wil", zo zei Calvijn in een preek over Deuteronomium (1556), ,,dat wij in de kleding op het nut en de eerbaarheid zullen letten. Als ik spreek van het nut, dan bedoel ik, dat men zich tevreden stelle met het dragen van kleding om zich tegen de koude en de hitte te beschermen. En dan de eerbaarheid, dat men gekleed, dat men bedekt zij...."

In de hof van Eden kende men noch snerpende koude, noch verzengende hitte. Gods goedheid na de val bleek mede in het verschaffen van kleren.

Het lijkt mij een wettige conclusie dat naaktloperij grove veronachtzaming betekent van de zondeval, brengt tot miskenning van de zo nodige verlossing, dat het Gods goedheid ten aanzien van het klimaat minacht en tot wellust en sexuele ongebondenheid leidt: zoals gezegd, goed en kwaad, we beheersen het niet.

Soberheid
We kunnen inmiddels zelf niet buiten schot blijven. Boven alles wat God ons na de val liet — als goedertierenheden om het hart te verbreken — stond toch geschreven: ,,doet het al ter ere Gods." (1 Cor. 10:31) In de ons gegeven kleding hebben wij dus Gods gebod tot kuisheid en eerbaarheid te onderstrepen. Sexualiteit als zodanig is geen zonde, is gave — heet het huwelijk geen paradijsbloem? — maar prikkelende kleding waarin het lichaam als uitgetekend is leidt tot wellust en begeerlijkheid tot ontucht, al was het slechts in gedachte. (Matth. 5:28)

Inplaats van prikkelende uitdaging — kan naakt zelfs niet minder bloot zijn dan gekleed? past dus matige eerbaarheid. De zondeval waaraan kleding ons herinnert vraagt soberheid, geeft weinig reden tot opschik. Paulus leert Timotheus (1 Tim. 2:9) dat versiering niet moet worden gezocht in goud, paarlen of kostelijke kleding, maar in goede werken. Een Petrus zegt dat een zachtmoedige en stille geest een onverderfelijk versiersel is, kostelijk voor God.

De al eerder genoemde hervormer van Geneve drong aan op matigheid. Dat deed de raad van die stad in 1558 "weeldewetten" uitvaardigen. Zo was niet alleen dobbelen en dansen aan banden gelegd maar werd ook bepaald dat mannen geen lang haar mochten dragen, dat kleermakers geen nieuwe kledingmodellen mochten invoeren dan met toestemming van de magistraat. De overdaad aan rokken en japonnen, in hoeden of mantelkragen, lag aan banden.

Ik denk dat in dit alles ook voor ons dagelijks leven lessen liggen: eerbaarheid in het gewaad, ook op een trouwdag: eenvoud, ook bij een doopsbediening. Ik vrees dat het in het laatste geval vaak meer om de pracht van de doopjurk gaat dan om de symboliek van de ,,witte klederen des heils".

Grenzen
We kunnen zelf niet buiten schot blijven, schreef ik. De geringe waardering van christelijke normen in de samenleving, laat niet na invloed uit te oefenen op onze gezinnen. De eenvoud moet het veld ruimen en de vraag rijst nu al weer jarenlang: is dit, is dat nu zo kwaad? We zien het gebod meer als een versperring van onze eigen wil — dus in negatieve zin — dan positief, als verblijdend middel waardoor het dagelijks leven geheiligd mag worden.

Zo hebben we dan ook moeite met een woord over het onderscheid tussen man en vrouw als in Deuteronium 22:5: ze mogen elkaars kleren niet dragen. En we zijn er druk mee te bespreken waar nu toch wel onze grenzen liggen, hoever we gaan kunnen zonder met de letters in strijd te komen.

Ik wil over dat onderwerp luisteren naar een preek van Calvijn: ,,In de eerste plaats moeten wij opmerken, dat de mannen zo gekleed moeten zijn, dat ze niet verwijfd zijn, gelijk men er soms uitziet, die zich als bruiden versieren. Als zij er zo uitzien, is het, alsof zij spijt hebben, dat God ze niet als vrouwen gemaakt heeft, en alsof ze hun sekse zouden willen verloochenen. Ook wanneer de vrouwen gekleed zijn als gendarmes, gelijk er zijn, die liever een vuurroer op de schouders zouden willen dragen dan een spinrokken. Dit is tegen de natuur en moet door ons verfoeid worden".

Vrijwilligheid
Daar gaat het dus om, om het duidelijk onderscheid van man en vrouw dat al vanuit de schepping gegeven is. Welnu, als er in ons hart vrijwilligheid is als vrucht van genade — want zonder bekering en levensvernieuwing bestaat in uw hart slechts onwil om ons te doen voegen onder Gods juk — dan willen wij aan dat onderscheid onbekrompen gestalte geven. Onbekrompen en met inachtneming van de onder ons al eeuwenlange bestaande normen.

Hier schiet zowel brute onwil als afgedwongen gehoorzaamheid en het ,,gebod op gebod" tekort. Die vrijwilligheid erkent met dankbaarheid Gods goedheid in de door Hem gegeven middelen ter beteugeling van de zonden.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 maart 1981

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Eerbaarheid siert het sobere kleed na zonde in paradijs

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 maart 1981

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken