Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Laatste kans voor ontspoorde jeugd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Laatste kans voor ontspoorde jeugd

Rijksinrichting voor jongeren te Overberg

12 minuten leestijd

„Wij hebben hier jongens van wie wij weten dat zij in de thuissituatie ongewenst zijn van voor de geboorte af aan. Wanneer zo'n kind dan op latere leeftijd echt aandacht gaat vragen wordt het als lastig, overbodig en belastend ervaren. „Joh, zit niet aan m'n hoofd te zeuren," of „Hier heb je een gulden, ga maar een zak patat kopen". De spanning in die gezinnen tussen de ouders onderling of tussen ouder en kind is vaak dermate groot dat het kind ernstig verwaarloosd wordt. Wanneer het kind echter door de buitenwacht vervelend wordt benaderd ontstaat er bij dezelfde ouder plotseling het gevoel van „blijf van m'n kind af". Het kind wordt dan weer aangehaald en met name materieel enorm verwend. Het kind ziet van zijn ouders twee tegengestelde uitersten: de ene keer wordt hij de straat op geschopt en de andere keer wordt hij op onlogische wijze verwend met materiële zaken. Echte liefde, echte aandacht is er niet. Voor het kind is een volwassene dan een wonderlijk wezen waar je in elk geval geen vertrouwen in kunt stellen".

Aan het woord is drs. B. E. de Haas, directeur van de Rijksinrichting voor jongeren te Overberg. Zijn „boefjeskamp", zoals het in de volksmond heet, zit vol met jongens die onder meer om bovenstaande oorzaken angstig en agressief geworden zijn en hun eigen leven zijn gaan leiden. Als het thuis dan echt niet meer gaat wordt de Raad van de Kinderbescherming ingeschakeld. Een maatschappelijk werker wordt erop afgestuurd, die in eerste instantie op basis van vrijwilligheid ambulante hulp probeert te verlenen. Lukt dat niet, dan wordt door de Kinderrechter het kind officieel onder toezicht geplaatst. De gezinsvoogd die dan aangewezen wordt heeft als taak om de ouders in hun opvoedende plichten bij te staan en te ondersteunen. Het betekent tevens een beperking van de ouderlijke macht.

Wanneer het kind desondanks met „zedelijke en lichamelijke ondergang" wordt bedreigd, zit er vaak niets anders op dan dat het kind uit huis wordt geplaatst. Vergaande maatregelen dus die de eerste stap vormen op de weg naar de inrichtingen, tehuizen of internaten. Een scheiding tussen ouder en kind, die door beide partijen soms als een opluchting wordt ervaren.

Laatste etappe

Wanneer de jongens in Overberg aankomen hebben sommigen al zo'n acht tot tien tehuizen of inrichtingen achter de rug. Ze zijn dan inmiddels tussen de veertien en zeventien jaar oud. Een laatste strohalm dus waarmee men probeert deze jongens in een periode van anderhalf tot twee jaar zodanig toe te rusten dat ze zich daarna redelijk zelfstandig in het maatschappelijk leven staande kunnen houden.

„Een pretentieuze opdracht," vindt De Haas. „Je bent de zoveelste hulpverlener en de jongens zijn bepaald niet meer gemotiveerd. Ze zijn het duidelijk zat, maar voelen toch ook wel dat een beter alternatief er niet meer is". Toch slaagt men er een enkele keer in om een redelijke motivatie bij de jongens aan te kweken.

Naar het percentage jongens dat als „geslaagd het verblijf in de inrichting ondergaat is nooit een exact onderzoek uitgevoerd. Er is dus nooit onderzocht hoeveel jongens met een betere kans op een normaal leven uit de inrichting ontslagen worden, maar De Haas schat dat op een derde. Dit deel ziet dus kans om zich later in de maatschappij zodanig netjes te gedragen dat ze geen brokken maken. Ook een derde gaat met „hangen en wurgen door het leven. Periodes dat het goed gaat en periodes waarin ze van tijd tot tijd de gevangenismuren aan de binnenzijde mogen bekijken.

Zij blijven dus doorlopend aan de „zelfkant" van het leven, maar kunnen hun hoofd net boven water houden. Het laatste derde deel is met vatbaar voor de hulpverlening. Het is de gevangenisbevolking, de groep beroepsmisdadigers die van de ene criminele zaak in de andere rolt. Een wat schamel resultaat dus. Is dat al die moeite wel waard?

„Ik vind van wel," zegt de directeur van het „boefjeskamp „Als gemeenschap hebben we een ethische opdracht om de uitvallers uit de samenleving zo goed mogelijke kansen te geven".

Verblijf

Het verblijf in de inrichting Overberg is eigenlijk een voorbereiding op hun terugkeer in de maatschappij. Men hanteert er strakke regels en de jongens moeten bijvoorbeeld leren om zich aan afspraken te houden omdat dat in de maatschappij ook van hen verwacht wordt.

Een jongen wordt in het begin erg kort gehouden. Hij wordt „in de regel gedrukt". Wanneer geacht mag worden dat de jongen het een en ander geleerd heeft laat men de teugels wat vieren. Het initiatief tot allerlei zaken wordt dan aan hem zelf overgelaten. Hij krijgt een wekker en moet zelf maar zien dat hij op tijd wakker wordt. Een stuk verantwoordelijkheid wordt verlegd van de hulpverlener naar de jongen zelf. „Want als hij later in de maatschappij op een kamer woont," zegt De Haas, „moet hij ook zelf zorgen dat hij op tijd bij zijn baas aankomt".

Met het oog op zijn toekomst krijgt de jongen in Overberg een praktisch gerichte beroepsopleiding. Op het terrein is een metaalwerkplaats met een afdeling machine-bankwerken, twee timmer-werkplaatsen, een schildersruimte en een metselafdeling waar de jongens, al naar gelang hun mogelijkheden en interessen, leren om hun capaciteiten op de juiste wijze te gebruiken.

Voor de jongens die in de maatschappij het vak tuinieren willen gaan beoefenen is er de afdeling „tuin" en de kwekerij. Er is een speciale kas voor gebouwd. Ook is een groep jongens verantwoordelijk voor het onderhoud van het terrein. Sneeuw ruimen in de winter, blad harken in de herfst en plantjes poten in de lente.

Allemaal zaken dus die sterk op de praktijk gericht zijn. Spijkers met koppen slaan eigenlijk. Weinig therapeutisch bezig zijn, maar des te meer dingen doen waar de jongen met voldoening op terug kan zien wanneer zijn karwei eenmaal klaar is. Als het ware een verborgen knipoog naar de eigenwaarde van de mens.

Potje koken

De keuken biedt verder mogelijkheden voor enkele jongens om „consumptieve" technieken aan te leren waarmee ze later de horeca als werkterrein zouden kunnen kiezen. De bedoeling is dat elke jongen een kortlopende cursus „potje koken" gaat volgen. Juist met het oog op diegenen die straks op eigen benen gaan staan en dus ook voor eigen voeding moeten gaan zorgen. Ter voorkoming van het wellicht wekenlang brood eten of zomaar iets „uit de muur" halen.

Ook wordt er geleerd met geld om te gaan. Dit budgetteren is bijna van levensbelang. „Ze hebben er als ze hier aankomen geen flauwe notie van," zegt de directeur. „Iedereen kent het gulle gebaar in een café wanneer iemand een rondje geeft. Deze jongelui echter weten gewoon niet wat de waarde is van bijvoorbeeld vijfentwintig gulden. Om te voorkomen dat hij moet gaan rekenen zegt de jongen, terwijl hij een biljet van honderd gulden op de toonbank gooit: „Laat maar zitten". Niet alleen een kwestie van gulheid maar ook van angst dat hij niet kan beoordelen of hij wel genoeg terug krijgt. Bang dat hij af gaat".

Kennis

Wanneer de jongen in Overberg aankomt is het negen van de tien keer zó dat hij wat ontwikkeling betreft achterloopt bij zijn leeftijdgenoten. Door zijn voorgeschiedenis van zwerven en spijbelen, van de ene inrichting naar de andere, ontbreekt de schoolse kennis voor een zeer groot gedeelte. In eerste instantie wordt dan getest waar deze leemten zich bevinden, waarna een programma wordt opgesteld om dit op te vullen.

„Niet op de wijze van de onderwijzeres die door de klas hobbelt, maar meer op individuele manier, aangepast aan elke leerling op zich. School is altijd een bedreiging voor ze geweest, een situatie waarin ze ook alweer werden weggeschopt of achteruit gezet omdat ze het gewenste niveau niet bereikten," zegt de directeur, die als ambtenaar onder het Ministerie van Justitie valt. „School was dus flauwekul waar eigen angsten en onzekerheden alleen maar werden aangewakkerd. Wij vinden het dus belangrijk om hun aan te leren dat onderwijs onmisbaar is en dat de school helemaal niet zo bedreigend behoeft te zijn. Om te kunnen functioneren in de maatschappij moet je over een zekere minimale kennis beschikken. Eigenbelang dus".

De jongen moet weten hoe een bank werkt, hoe een girobiljet in elkaar zit, hij moet gewoon zicht krijgen hoe de maatschappij in elkaar zit. Zo wordt hij meegenomen naar het arbeidsbureau. Waarschijnlijk krijgt hij daar nog veel mee te maken. Er wordt hem verteld dat het bureau er voor hem is en niet andersom.

Ruzie

Ruzie komt voor in elk gezin, dus ook in het „boefjeskamp". Op praktische wijze wordt daar dan mee omgegaan en de schuldige wordt bestraft. Wanneer de berisping door de groepsleider niet het gewenste effect heeft wordt hij apart gezet. Dat kan zijn op zijn eigen kamer maar in het allerergste geval kan dat ook in de zg. afzonderingsruimten.

Een vertrek waarin hij helemaal alleen wordt gezet. Extra beveiligd door „bajesdeuren" met een kijkgat waardoor er regelmatig wordt bekeken of de opstandige weer in staat is om in de groep terug gelaten te worden. De Haas zegt er blij om te zijn dat dat erg weinig voorkomt.

„Alles is natuurlijk beter dan op deze wijze iemand te moeten behandelen. Een vervelende en onaangename zaak, die echter wel voorkomt".

Conflicten zijn situaties die voor de jongens erg bedreigend zijn. Vóór hun „uit-huis-plaatsing" betekende dat al te vaak een crisis waarin geen enkele communicatie meer mogelijk was. Banden werden verbroken en ouders trokken zich terug als opvoeders. Hij moest het dus zelf maar uitzoeken. Een heel normale zaak was het dan dat de jongen nachtenlang niet thuis kwam en wanneer hij dan weer boven water kwam, vroeg er niemand waar hij geweest

Misdrijf

Vrijwel alle jongens die in Overberg terechtkomen hebben een misdrijf gepleegd. Een gevolg van een door de jaren heen gegroeide „underdogpositie". Eenzaamheid en wanhoop vragen om aandacht en wanneer dat dan niet op de goede wijze kan, dan maar op de verkeerde. Want als je een kraakje zet of een bromfiets steelt krijg je natuurlijk aandacht. De aard van de misdrijven kan variëren van een kruimeldiefstal tot zedendelicten. „Het is ernstiger," vindt De Haas, „wanneer hij gedurende een aantal jaren minder ernstige delicten pleegt dan dat hij plotseling een keer een flinke kraak zet. Het geeft iets aan over het gedrag op langere termijn".

Wanneer de basis in de vroegste jeugd niet goed gelegd is, blijkt het in de praktijk erg moeilijk om daar op latere leeftijd nog veel aan te veranderen. Belangrijk is dan dat er een duidelijk beroep wordt gedaan op de mogelijkheden die het kind nog wél heeft; die moeten als het ware weer boven water worden gehaald.

Het steeds weer overgeplaatst worden van de ene inrichting naar de andere, wat met een groot aantal jongens toch het geval is, betekent elke keer weer een breuk in hun ontwikkelingsgang. Steeds weer met andere mensen omgaan, steeds weer zich ergens opnieuw moeten „invechten", regelmatig aan een andere omgeving wennen. Bij elke overplaatsing sleept hij een steeds dikker wordend dossier met zich mee: Hier mislukt, daar had het geen zin meer en weer ergens anders vroeg de directie of de Raad voor de Kinderbescherming hem alsjeblieft maar weghaalde, want het was geen doen meer. Eigenlijk een levenlang ellende. Ze zijn overal uitgekotst. Een enorme faalangst is het gevolg en dus falen ze ook. Iemand die faalt voelt zich niet nuttig, voelt zich overbodig en onzeker. Een steeds groter wordende opeenhoping van onvermogens waar men hopeloos in vastloopt.

Opneming in de Rijksinrichting voor Jongeren betekent geen garantie dat men erin slaagt om deze jonge mensen weer in het rechte spoor te krijgen. „We streven er ook niet naar om van hen modelburgers te maken, wat dat dan ook zou mogen zijn" relativeert De Haas.

Buitenwacht

De directe omgeving van het „opvoedingsinstituut" is redelijk vertrouwd geraakt met hun aanwezigheid. Zowel in positieve als in negatieve zin zijn reacties te beluisteren van met name inwoners van het plaatsje Overberg. Als er ergens een diefstal heeft plaatsgevonden zijn de reacties al gauw: „Zeker weer eentje uit het boefjeskamp".

Aan de andere kant is het ook zo dat de vele „goodwill"-activiteiten die het kamp onderneemt niet zonder gevolgen zijn gebleven. Zo hielpen de jongens om een plaatselijke bosbrand te bestrijden wat de mening van de buitenwacht natuurlijk in positieve zin beïnvloedt.

De meeste jongens die in Overberg ondergebracht worden zijn geen lid van een kerk. Het gebeurt dus (?) ook zelden dat er een dominee of pastoor eens een kijkje komt nemen. De Gereformeerde kerk te Amerongen maakt in dit geval een gunstige uitzondering. Zij hield met Kerst een inzamelingsactie en bracht, gepakt en gezakt met vele „aardigheden", een bezoek aan de jongens dat door hen zeer gewaardeerd werd.

Het is natuurlijk simpel om deze „boeven" maar links te laten liggen en onze tijd alleen aan diegenen te besteden die er in dit leven met minder kleerscheuren afkomen. Even simpel is het om te stellen dat deze jongens geen enkele blaam omtrent hun problematisch leven treft. Het zal best zo zijn dat bij een aantal van deze jongeren de wil om op gepaste wijze hun leven te leiden, ten enenmale ontbreekt, maar dat geeft ons nog niet het recht om met een grote, afwijzende boog om deze jongelui heen te lopen. De hulpverlening in Overberg wordt helaas niet geïnspireerd door een Bijbelse opdracht. Maar zelfs dat mag voor ons nog geen aanleiding zijn om vanuit een „ivoren toren" de beschuldigende vinger uit te strekken naar deze ontspoorde groep.

Wanneer we zouden beseffen dat we in eigen hart uiteindelijk de grootste „boeven" zijn, zal de veelbetekenende opdracht ook aan ons niet voorbij kunnen gaan. Een ethische opdracht, met Bijbelse gedrevenheid, ja, dat wel.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1982

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Laatste kans voor ontspoorde jeugd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1982

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken