Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Christus' opstanding is wezenlijk voor het christelijk geloof

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Christus' opstanding is wezenlijk voor het christelijk geloof

13 minuten leestijd

Het geloof in Christus' opstanding uit de doden is een der eerste christelijke vastigheden geweest, die door de rukwinden van de moderne twijfel in de harten van velen tot wankelen zijn gebracht. Toen in de tweede helft van de 18e eeuw het Rationalisme, met zijn verheffing van de mogelijkheden van de menselijke rede, de heersende geestesrichting werd in tal van Europese landen, richtte het zich, eerst nog schoorvoetend maar op den duur steeds resoluter, tegen het bijbels getuigenis aangaande het wonder van Pasen, de overwinning van de dood door de Levensvorst.

Men achtte deze belijdenis onaannemelijk voor het menselijk verstand, en daarom als af te wijzen. Voor het eerst kondigde zich binnen onze cultuurkring aan een fundamentele twijfel aan de heilsfeiten, met name het heilsfeit van Christus' opstanding.

Schijndood

Aanvankelijk zocht men nog naar een redelijke uitweg. Men wilde het geloof niet geheel en al overboord zetten. Men trachtte het bovennatuurlijke op een natuurlijke wijze te interpreteren. Men vond in die tijd uit de zogenaamde schijndood-theorie. Jezus zou niet werkelijk dood zijn geweest, maar slechts schijndood. Na enige tijd in zijn graf te hebben gelegen, zou Hij uit de schijndood zijn ontwaakt, en aan zijn discipelen zijn verschenen, die toen aan een wonder hebben geloofd.

Deze schijndood-theorie is een te doorzichtige hypothese dan dat zij lange tijd zou hebben kunnen standhouden. Dat zij het geloof onbevredigd liet is duidelijk. Het geloof kan nu eenmaal niet leven bij een schijnoverwinning. Is de dood van Christus enkel schijn geweest, dan is natuurlijk Zijn overwinning op de dood ook niet meer dan enkel schijn geweest.

Het geloof kon dus met deze theorie niet uit de voeten. Maar ook de menselijke rede liet zij onbevredigd. Zij kon naar haar aard slechts één ding bereiken: het wégverklaren van het wonder. Zij bleef zitten met de vraag: En hoe is het later met Jezus gegaan; is Hij uiteindelijk tóch gestorven? De lezer gevoelt wel: de problematiek werd alleen maar wat opgeschoven, tot een later tijdstip. Kortom: deze theorie heeft — zelfs voor de rede — niets opgelost.

Visioenstheorie

Zo kwam dan ook na verloop van enige tijd, te weten in de 19e eeuw, een nieuwe theorie de oude aflossen. Het was in de tijd van het religieuze Liberalisme; men kan ook zeggen: van het opkomende modernisme.

Wij hebben hier het oog op wat men noemt de visioenstheorie. De verschijningen van Christus aan zijn discipelen zouden wij, volgens deze theorie, niet mogen opvatten als werkelijkheden, zodat een werkelijke Christus, dezelfde die de discipelen en vrouwen begraven hadden, in lichamelijke gedaante aan hen verschenen zou zijn, maar als visionaire belevingen.

De Duitse theoloog David Friedrich Strausz, die links-vrijzinnig was, herleidde heel het paasgeloof tot niets meer dan een reeks hallucinaties, waanvoorstellingen. Er zou geen enkele realiteit buiten de discipelen zelf aan hebben beantwoord. Dit was, zoals ieder wel beseffen zal, de meest radicale theorie die ooit verdedigd kon worden. Zij maakte niet alleen het paasgeloof der discipelen maar alle christelijk geloof volkomen illusoir.

Geestelijke Christus

Het is dan ook te begrijpen dat niet alle liberale theologen zo ver wilden of durfden gaan als Strausz. Er waren er onder hen die een gematigder standpunt innamen. Die toch wel enige realiteit buiten de discipelen zelf in hun paaservaringen wilden verdisconteren. Zij zochten naar een objectiever standpunt en meenden dat gevonden te hebben in de stelling, dat aan de discipelen van Godswege visioenen ten deel waren gevallen, waarin zij hun Meester, Jezus Christus, herkenden.

Niet de lichamelijke Jezus, met wie zij eertijds dagelijks omgingen, zouden zij in deze visioenen hebben ontmoet, maar wel de geestelijke Christus. De geestelijke of eeuwige Christus, zo stelde men, leeft nog steeds voort, terwijl de aardse Jezus allang tot stof vergaan is. Het graf was niet werkelijk leeg, maar toch leeft Christus!

Dat ook deze theorie met het Schriftgetuigenis duidelijk in strijd is, behoeft geen nader betoog. Wij wijzen alleen op het feit dat Christus zelf deze theorie, al eeuwenlang vóór zij ontstond, gelogenstraft heeft door bij één van z'n verschijningen te zeggen: „Een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet dat Ik heb" (Luk 24,39).

Voor het geloof is ook de visioenstheorie onaanvaardbaar. Zij laat Jezus in zijn graf. In feite is er in de hof, volgens haar, niets gebeurd. Zij lijdt bovendien aan een innerlijke onmogelijkheid. Het kan ieder bekend zijn, dat de discipelen na Jezus' dood in een hoge mate van geestelijke verwarring hebben verkeerd, en dat zij maar heel moeilijk te overreden zijn geweest van de waarheid van Christus' opstanding, en zouden zij dan toch, via een visioen of wensdroom, uit zichzelf tot het paasgeloof gekomen zijn? Psychologisch gezien moet dat voor een onmogelijkheid worden gehouden.

De visioenstheorie wordt heden nog maar door weinigen aangehangen. Maar helaas betekent dat niet, dat men weer teruggekeerd is tot het geloof in een werkelijke opstanding van Christus, en dat men het lege graf aanvaardt. Was het maar waar!

Paasgeloof

De bekende Duitse nieuwtestamenticus Rudolf Bultmann schreef eertijds: „De opstanding van Christus is geen historische gebeurtenis; een historische gebeurtenis is alleen het paasgeloof der discipelen".

Men wil ons heden steeds weer inprenten, dat aan de historische werkelijkheid van Christus' opstanding zoveel niet gelegen is. Het gaat, zegt men, alleen om de heilsboodschap die in de paasverhalen in het Nieuwe Testament doorklinkt. Of het graf leeg was, doet er niet toe.

Alles wat men leest in het Nieuwe Testament, en dus ook de paasverhalen, zo houdt men ons voor, moet men lezen als een schriftelijke neerslag van het geloofsgetuigenis van Jezus' eerste discipelen ofwel van de oergemeente. Zo wringt men er met alle geweld een subjectief element in.

Wij zouden voor onze kennis van de heilsfeiten overgeleverd zijn aan het subjectieve geloof der oudste getuigen. Om de historiciteit ervan zouden wij ons niet al te zeer mogen bekommeren. Men geeft vrij spel aan het historisch-kritisch onderzoek van het Nieuwe Testament; dat moet maar uitmaken wat historisch is en wat niet. Men trekt zich terug op de boodschap, of, zoals men zegt, het kerugma van het Nieuwe Testament en dus ook van de paasverhalen.

Wie leest hoe Heinrich Ott, de opvolger van Karl Barth op de leerstoel der dogmatiek te Bazel, in zijri boek „Die Antwort des Glaübens", over de opstanding schrijft, ontdekt dat hij geheel in aansluiting bij Bultmann, die wij al citeerden, het historische negeert en terstond overgaat tot wat hij vindt dat de boodschap def paasverhalen is.

Maar zijn verstaan van die boodschap is er dan ook naar! Zij draagt geheel het stempel van Ott's eigen theologie. Wie eenmaal de historiciteit heeft losgelaten, kan van het kerugma, de boodschap, gaan maken wat hij zelf wil.

Zo staan de zaken dus op het moment. Een brute loochening van Christus' opstanding zal men niet vaak tegenkomen. Maar wel een theorie die in wezen even gevaarlijk is. Zij vertoont een schone schijn. Zij wil de boodschap, het kerugma, handhaven. Maar het feitelijk gebeurde maakt zij irrelevant, het zou van geen betekenis zijn. En het gevolg is, dat men met die boodschap dan alle kanten uit kan, dat men haar kan vullen zoals men zelf wil, zoals in eigen theologische kraam te pas komt.

Schriftgetuigenis

Tegenover al deze theologische theorieën is het nodig en goed om nog eens opnieuw en extra te luisteren naar wat de Schrift zelf zegt over Christus' opstanding. En tot het verstaan daarvan kunnen wij mede gebruik maken van hetgeen de kerk in het geloof, in het verleden (en ook nog in het heden), aangaande Christus' opstanding beleden heeft.

Ik meen dan op een drietal zaken te mogen wijzen. Ten eerste getuigt de Schrift, dat door Christus' opstanding de dood waarlijk is overwonnen. In de diverse theorieën, die ik hierboven beschreef, blijft men, hoe men het ook wendt of keert en hoezeer men het ook versluiert, zitten met een ónoverwonnen dood.

Als Jezus Christus wel gestorven is. maar niet is opgestaan, en zijn lichaam in het graf vergaan is, zodat op de paasmorgen het graf niet werkelijk leeg was, dan kan de dood niet overwonnen zijn. De overwinning van de dood is afhankelijk van de werkelijkheid van het lege graf.

Wij willen niet ontkennen dat ook al in de dóód van Christus de macht des doods gebroken is. Onze vaderen plachten nogal eens te zeggen: Christus heeft met zijn dood de dood gedood! Alleen, dan wordt de dood van Christus toch wel verstaan in het licht der opstanding, wat volkomen gerechtvaardigd is, want beide zijn het éne werk van de éne Verlosser.

Wij hebben er waarlijk geen behoefte aan om de opstanding van Christus te isoleren van zijn dood. Maar beide zijn toch ook weer niet hetzelfde. In de moderne theologie laat men ze vaak bijkans samenvallen. Men kent de overwinning van de dood aan Christus' dood toe en laat Hem overigens liggen in Zijn graf. De boodschap van Pasen zou niet meer zijn dan een zingeving aan Jezus' dood.

Neen, Pasen predikt ons een eigen heilsfeit! Die dood, die door Christus aan het kruis reeds gedood werd, werd gans en al overwonnen op de paasmorgen. Christenen staan vanaf dat ogenblik tegenover een overwonnen dood. Zij ondervinden daarvan de troost in het stervensuur, wanneer het geloof rust vindt in 's Heeren opstanding, wanneer het een levende Heere voor ogen heeft en ons de ogen doet sluiten in de zekere verwachting van een eeuwig leven.

Zekerheid weggehaal

Wie uit de paasboodschap het historische weghaalt, zoals in allerlei moderne theologie thans en al eerder is geschied, haalt uit het geloof de zekerheid weg. Die maakt machteloos in de strijd met de dood. Hij mag nog zo mooi filosoferen of theologiseren over opstanding en leven, het mist de realiteit. Met mooie woorden en mooie ideeën kunnen wij het niet doen in de strijd met de dood; daar gaat de dood ook geen stap voor opzij; wij moeten vaste grond onder onze voeten hebben. Daarom was er Paulus zoveel gelegen aan de werkelijkheid van het lege graf. En daarom hebben de evangelisten zo uitbundig uiting gegeven aan hun paasvreugde. Wij zijn, om Paulus te citeren, geen oudwijfse fabelen (mythen) nagevolgd. In het christelijk geloof gaat het om werkelijkheden. Christus is wáárlijk opgestaan, de dood is wáárlijk overwonnen. In dat geloof mag de strijd met de dood gevoerd worden en die strijd is dan waarlijk geen uitzichtloze.

Tot onze rechtvaardiging

Het tweede waarop wij de aandacht willen vestigen is, dat de Schrift ons leert, dat Christus' opstanding heeft plaatsgevonden tot onze rechtvaardiging (Rom 4:25), Afwisselend wordt in de Schrift gesproken over Christus' „opstanding" en „opwekking". In verreweg de meeste gevallen wordt het woord „opwekking" gebruikt. Dat wijst op een Ander, Die Christus uit de doden heeft doen opstaan, en die Ander is God, de Vader of de Geest. Christus' opstanding is geweest het werk van de drieëne God. De Vader heeft Zijn Zoon uit het graf gehaald, de schuld was betaald, de zonden waren verzoend. Op de dood van Christus móest de opstanding volgen, wilde Zijn dood effect hebben. Dat effect is de verzoening en de rechtvaardiging van de zondaar met God.

Daarom kon Paulus in één adem zeggen: gestorven voor onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking (Rom 4:25). In dit licht leze men ook het felle verweer van diezelfde apostel tegen hen die een opstanding der doden loochenden en daarmee ook Christus' opstanding in twijfel trokken, wanneer hij zegt: Als Christus niet is opgewekt dan is onze prediking ijdel, en dan is uw geloof ijdel en dan zijt ge nog in uw zonden (1 Kor. 15:14 en 17). Dit verweer van Paulus treft onverminderd ook de moderne vormen van ontkenning van de leegheid van het graf in de hof van Jozef. Men berooft ons daarin van de werkelijkheid der verzoening en van ons rechtvaardigd zijn voor God door een waar geloof.

Treffend is wat Calvijn in zijn Institutie (11.16.13) geschreven heeft over de opstanding van Christus. Hij heeft Christus' dood en opstanding geen moment van elkaar willen scheiden, maar ze toch ook niet willen laten samenvallen. Calvijn wist dat de ware gelovigen door Christus' dood met God verzoend zijn, maar toch schrijft hij ook iets eigens toe aan Christus' opstanding. Men kan zeggen: het negatieve, de wegneming van zonden en schuld, schrijft hij toe aan Christus' zoendood, en het positieve, het rechtvaardig zijn voor God en het herstel van de zondaar en de vernieuwing van zijn leven, schrijft hij toe aan Christus' opstanding. Maar dan beide uiteraard ten nauwste op elkaar betrokken en nimmer het een zonder het ander.

De hoop

Er is aan de opstanding van Christus nog een derde aspekt. Het is het heilsfeit van de hoop van de verwachting.

De apostel Petrus zegt: dat God Zijn Zoon uit de doden heeft opgewekt en Hem heerlijkheid heeft gegeven ,,opdat uw geloof en hoop op God zijn zou" (1 Petr. 1:21). Al even eerder heeft hij gezegd, dat wij wedergeboren zijn „tot een levende hoop", n.l. door de opstanding van Jezus Christus uit de doden (vs 3).

Is Christus niet werkelijk opgestaan, en daarmee bedoelen wij: lichamelijk opgestaan (zoals sinds de 18e eeuw in allerlei vorm herhaaldelijk beweerd is of tenminste ter discussie is gesteld) dan is Hij, uiteraard, ook niet lichamelijk ten hemel gevaren. Dan is Christus niet meer dan een Idee, en wat hebben wij dan nog te verwachten? Een Idee kan niet op de wolken des hemels wederkomen. Een Idee kan ons geen waarborg geven voor de toekomst, voor een opstanding der doden, in de voleinding der eeuwen.

Alles hangt hier aan het lichamelijke van Christus' opstanding. Daarvoor heeft Paulus dan ook gevochten, tegenover een gemeente, die van Korinthe, waarin toen al het lichamelijke van de opstanding door sommigen vervangen was door een Idee.

De Eersteling

Neen, Christus is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn (1 Kor 15:20). De oogst zal volgen. Hij heet elders de Eerstgeborene uit de doden (Opb. 1:5). Het is volkomen naar de Schrift wanneer de Heidelbergse Catechismus belijdt, dat de opstanding van Christus ons een zeker pand is van onze zalige opstanding (Vr 45).

Die troost, die verwachting, willen we ons niet laten ontnemen. Temidden van een wereld waarin de hoop schijnt uitgeblust, mogen allen die Jezus Christus toebehoren, belijden: Dit mijn vlees zal door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig worden. (Heid. Cat.Vr 57). Wij behoeven niet te zeggen dat er geen hoop is. Zij is er tot ver over dood en graf heen. Maar zij is er alleen voor hen die in plaats van zijn opstanding te loochenen die van harte belijden, en hun heil zoeken bij Hem, die waarlijk is opgestaan, en de levende Heere is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 9 April 1982

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Christus' opstanding is wezenlijk voor het christelijk geloof

Bekijk de hele uitgave van Friday 9 April 1982

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken