Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het ontstaan van christelijke talen (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het ontstaan van christelijke talen (3)

15 minuten leestijd

Er bestaat in West-Europa een heel belangrijke groep talen die men gewoonlijk de Romaanse talen noemt; het Frans, Italiaans en Spaans behoren daartoe. De Romaanse taalfamilie is pas vrij laat in de geschiedenis ontstaan. Het is een vertakking of afsplitsing van het Latijn die van 500 tot 1000 na Chr. tot stand is gekomen. Dit is laat, want de Germaanse familie is minstens 1000 jaar ouder. In de vele wetenschappelijke studies die aan het ontstaan van de Romaanse talen gewijd zijn, wordt over één aspect maar heel weinig gesproken en wel over de christelijke invloeden die zich in deze taalontwikkeling hebben doen gelden. Dit is jammer want die christelijke invloeden op taal en cultuur zijn wel degelijk zeer groot geweest; men kan dit o.a. terugvinden in boeken over kerkgeschiedenis.

Reeds verschillende malen heb ik er de nadruk op gelegd dat de grenzen tussen taalfamilies dikwijls gelijk liepen met die van religieuze groeperingen. Zo spraken de mensen die een Germaanse godsdienst beleden Germaanse talen; ook de Kelten hadden Keltische talen en Keltische godsdiensten. (Dit alles binnen de grote groep van de Indo-Europese talen waarvan de sprekers meestal IndoEuropese godsdiensten waren toegedaan).

Kort geleden was ik aan het lezen in een boek over kerkgeschiedenis. In het gedeelte over de 5e eeuw en later sprak de schrijver herhaaldelijk over de katholisering van Germaanse volksstammen. (Let wel: katholisering, niet alleen maar kerstening). Het ging daar speciaal over de Bourgondiërs en de Franken, allebei Germaanse volken. Deze Germaanse volken zijn toen een verbasterd Latijn gaan spreken; taalhistorici noemen dit: werden geromaniseerd. Het lijkt dus (en dat is ook inderdaad zo) dat êr een verband heeft bestaan tussen een katholisering (in de godsdienst) en een romanisering (in de taal).

Arianisme
Wat betekent katholisering in dit verband? Er stonden toen twee grote richtingen in het christendom tegenover elkaar, het arianisme en het katholicisme. Tot het arianisme, die richting die de Goddelijke Drieëenheid loochende, behoorden vooral de zuidelijke Germaanse volken zoals de Ostrogoten, die ook wel Oost-Goten of kortweg Goten genoemd worden. Heel beroemd is hun GotischGermaanse bijbelvertaling door bisschop Wulfila die dateert uit de 4e eeuw. Zij woonden toen nog buiten de grenzen van het Westromeinse Rijk en waren toen Arianen. Op het (West-)Romeinse grondgebied trof men de katholieke kerk (of algemene kerk) aan. Deze was rechtzinnig en geloofde wel in de Drieëenheid. (Pas later is de rechtzinnige katholieke kerk vervallen in vele dwalingen; daardoor is het de Rooms-Katholieke Kerk van tegenwoordig geworden).

Zo omstreeks 500 stonden dus in Zuid-Europa twee groepen volken met twee godsdiensten tegenover elkaar: de katholieke Romanen en de ariaanse Germanen die militair gezien wel sterker waren. Maar de Zuideuropese Germanen hebben langzamerhand de taal en de godsdienst van de om hen heen wonende Romanen overgenomen, zij werden dus (taalkundig) geromaniseerd en (godsdienstig) gekatholiseerd.

Volkslatijn
De Germaanse volkeren in Zuid-Europa, Italië, Spanje en Zuid-Frankrijk, werden dus gekatholiseerd en geromaniseerd. Gekatholiseerd wilde zeggen dat zij rechtzinnig werden, geromaniseerd betekende dat ze het Latijn, de taal van die rechtzinnige christenen, gingen spreken. Een erg schitterend Latijn was dit niet, want de christenen waren over het algemeen maar heel eenvoudige mensen. Slechts een heel enkele christen, Augustinus bijvoorbeeld, was in staat echt mooi Latijn te spreken of te schrijven. De ütetair begaafde Romeinen zijn bijna tot de ondergang van hun rijk (476 na Chr.) heidenen gebleven, die zich in hun levensbeschouwing en taalgebruik nauw aansloten bij de heidense klassieke schrijvers die, zoals Cicero of Seneca, 400 of 500 jaar eerder geleefd hadden. Hun taal, het christelijk Latijn, was een van de vormen van het Vulgair Latijn of Volkslatijn.

Het Latijn heeft zich in Zuidwest-Europa wijd verbreid en diep wortel geschoten, vooral in Italië, Frankrijk en Spanje. De talen die daar zelfs in onze tijd nog worden gesproken, zijn daar ook nu nog de voortzetting van.

Dat het Latijn zich zozeer heeft kunnen verbreiden, is te danken aan de invloed van de Romeinse machthebbers, vooral Julius Caesar (101-44 v. Chr.), over wie ik in het vorige artikel geschreven heb. Deze Caesar zou men een „voorloper" kunnen noemen van de indrukwekkende reeks van Romeinse keizers die gezamenlijk vijf eeuwen lang over Rome hebben geregeerd. Deze rij is begonnen in 27 v. Chr. met (Octavianus) Augustus, wiens pleegvader Caesar nog geen 20 jaar tevoren was vermoord. De rij keizers, die begonnen was met Augustus, eindigde met Augustulus (476 na Chr.). (Zijn naam betekent letterlijk kleine Augustus of Augustusje). Augustulus was een onbeduidende keizer die in 476 na Chr. na een regering van enkele maanden van de troon werd gestoten door de Germaan Odoakar. Odoakar was koning over een Germaanse volksstam die toen in Italië woonde.

Samenhang
Dat de volken uit het zuidwesten van Europa dezelfde taal (het Latijn) waren gaan spreken, kwam dus niet alleen doordat ze op een gegeven ogenblik allemaal door een veroveraar zoals Julius Caesar onderworpen waren. Het kwam ook doordat ze 500 jaar lang vanuit één centrum, Rome, bestuurd waren, omdat vrijwel alle keizers hun zetel gehad hebben in Rome. In cultureel en taalkundig opzicht zorgde dit voor een zekere samenhang; later, toen de Christelijke Kerk tot staatskerk verklaard was, bestond die samenhang zelfs op religieus gebied. Door deze langdurige, centrale leiding bleef er een sterke eenheid gehandhaafd.

Toen de keizerlijke macht tot bijna niets gereduceerd werd (in de laatste 21 jaar zijn er wel 9 keizers geweest) en tenslotte in 476 geheel verdween, leek dit centrum te verdwijnen zodat de Romaanse wereld uit elkaar kon spatten en er een grote verscheidenheid op kon treden. Dit was echter niet het geval, want in Rome was een nieuw gezagscentrum ontstaan, daar heerste toen de bisschop van Rome, die vooral later dikwijls paus werd genoemd. Van 440 tot 461 werd Vooral door toedoen van paus Leo de Grote werd Rome he't centrum van de kerkelijke macht. Tot op de dag van vandaag geldt dat nog steeds voor de Rooms-katholieke kerk. deze waardigheid beklê'ëd dïoof Leo de Grote, volgens Roomse tellingen de 45e paus. Toch moet u bij het horen van de woorden Paus Leo hem niet op een lijn stellen met de pausen van onze tijd. Leo was een achtenswaardig bisschop uit de 5e eeuw, de eeuw waarin Augustinus bisschop van Hippo is geweest.

Volksverhuizingen
Leo de Grote heeft veel gedaan voor kerk en staat. Voor de kerk omdat hij op rechtzinnige wijze meehielp aan de oplossing van een conflict over de beide naturen van Christus. Ook voor de stad Rome heeft Leo veel goeds gedaan. Zijn ambtsperiode viel in de meest bewogen tijd van de Europese geschiedenis: in de tijd van de Grote Volksverhuizingen. Attila, de beruchte koning van de Hunnen, een Aziatische volksstam, maakte toen aan het hoofd van zijn woeste benden ongeveer heel Europa onveilig. Ook Italië, waar hij in 452 naderde tot voor de poorten van Rome en de stad wilde plunderen. De keizer van Rome die toen nog zogenaamd regeerde, had geen enkel prestige en er was ook geen legertje dat Attila af kon weren; iedereen verwachtte dat de stad totaal leeg geplunderd zou worden. Toen nam Leo de leiding in deze situatie. Hij trok ongewapend de stad uit en wist in een persoonlijk gesprek Attila ertoe te brengen Rome met rust te laten Het bleek dus dat Rome niets meer te verwachten had van de keizer, maar dat het wel kon bouwen op de bisschop, op de paus. Diens aanzien nam natuurlijk enorm toe. De macht van de paus werd vooral veel groter onder Gregorius dé Grote, vorst over Midden-Italië ( 600). Onder zijn bestuur werden de Longobarden gekatholiseerd en geromaniseerd.

Leermeesteres

Zo heeft de macht van Rome vele eeuwen bestaan: eerst onder de keizers en toen die weg waren onder de pausen. (Eigenlijk heeft dat zich voortgezet tot op heden). Maar onder de keizers Augustus, Nero, Trajanus was Rome een heidense stad geweest. Daar is reeds heel vroeg, denkt u maar aan de apostel Paulus, het christendom a.h.w. binnengedrongen. En langzamerhand ontwikkelde zich, zoals ik de vorige keer uiteengezet heb, een christelijke woordenschat in het Latijn, bij wijze van indringster. Maar toen het Romeinse heidendom en de heidens-filosofische wereldbeschouwingen verdrongen waren en er dus haast niets anders meer over was dan eén christelijke beschaving, kwamen de Grote Volksverhuizingen. Van indringster werd de (latijnstalige) beschaving nu leermeesteres van de nieuwe krachtige volken. Want de Germaanse volksstammen die zich in Zuid-Europa gevestigd hadden, lieten zich katholiseren en romaniseren. (De Longobarden, een Germaans volk dat in Noord-Italië woonde, hebben zich daar nog het langst tegen verzet). En de pausen oefenden een steeds machtiger invloed uit, als het tenminste krachtige pausen waren zoals Leo de Grote. Onder hun leiding is de situatie op taalkundig gebied in Zuid-Europa gestabiliseerd. Het Latijn, dat zich onder de Romeinse keizers wijd verbreid had, bleef in ere. Het was niet alleen kerktaal maar ook volkstaal. Het Latijn was en bleef dus de taal van Zuid-Europa, al was het dan een sterk vereenvoudigd en verbasterd Latijn. Waar het het Gallisch verdrong (in het tegenwoordige Frankrijk) onderging het Gallische invloeden en zo werd het gesproken Latijn per land verschillend. Later groeide het nog verder uit elkaar, vooral in de zeer donkere eeuwen van de vroege Middeleeuwen (500-800). In die tijd was het analfabetisme groot en de mensen (meest geestelijken) die nog weleens schreven, deden dat dikwijls met heel veel moeite en fouten. Zodoende verwaterde het Latijn snel, maar het bleef toch nog (slecht) Latijn. Een factor die van grote betekenis was voor het in stand houden ervan was de centraal (vanuit Rome) bestuurde kerk, waar de macht der pausen steeds groter werd.

Romaans

Op het gebied van het Romeinse Rijk en dan waar de katholieke kerk de heersende was, zijn dus langzamerhand uit het Latijn de Romaanse talen ontstaan (talen uit Rome, vandaar Romaans); de voornaamste zijn Italiaans, Spaans, Portugees en Frans. Behalve het Italiaans worden deze talen ook veel gesproken in andere werelddelen. Verder zijn er nog enkele Romaanse spreektalen: Catalaans (Spanje), Sardisch (Sardinië), Provengaals (Zuid-Frankrijk) en Retoromaans (Zwitserland). Al die talen worden gesproken op een aaneengesloten gebied, dat in zijn geheel vroeger tot het Romeinse Rijk heeft behoord, dank zjj de veroveringen van JuUus Caesar. Dit gebied is ook reeds vroeg gekerstend; het laatst kwam Noord-Frankrijk aan de beurt, omstreeks 500, onder koning CIovis en de volken hier kwamen onder sterke invloed van Leo de Grote en zijn opvolgers, bisschoppen van Rome.

Er is nog een laatste taal die gewoonlijk tot de Romaanse taalfamilie gerekend wordt, maar die men ook een half- Romaanse taal zou kunnen noemen; dit is het Roemeens, gesproken in Roemenië. Roemenië heeft maar kort tot het Romeinse Rijk behoord en het land is ook veel later gekerstend dan die van de overige Romaanse talen. Bovendien ligt Roemenië geïsoleerd. Door al die factoren is het Roemeens een taal van een eigen type geworden, vooral ook wat betreft de woordenschat met veel niewe vormingen en ontleningen. Het zal u in het bovenstaande stuk zijn opgevallen dat ik herhaaldelijk gesproken heb over Germanen die Latijn gingen spreken. Germanen, zoals ook wij Nederlanders Germanen zijn. Maar dit geldt uitsluitend voor de Germanen in het zuiden van Europa. Wij Nederlanders, of liever gezegd onze Germaanse voorouders, zoals Friezen en Saksen zijn, evenals de hele omgeving waarin wij woonden, veel langer heidenen gebleven. Zij bleven dan ook vasthouden aan hun heidense Germaanse talen. En toen zij tenslotte, omstreeks 700 of 800, tot christenen werden, was de grootste glorie van Rome en het Latijn al verdwenen, omdat er geen (West-)Romeins Rijk meer bestond. Zij gingen dan ook geen Latijn meer spreken maar hield vast aan hun Germaanse taal. Hetzelfde geldt voor de Saksen en Alemannen in Duitsland en voor de Angelsaksen die Engeland bewoonden. Ook die zijn later heidenen gebleven en daardoor spreken de Duitsers en de Engelsen van tegenwoordig nog steeds Germaanse talen (De Germanen hebben wel veel christelijke woorden en beschavingswoorden uit het Latijn overgenomen). Zodoende zijn er in West-Europa ook thans twee duidelijk onderscheiden taalgroepen: Germaanse en Romaanse. Romaanse talen zijn die, welke gesproken worden door volken die reeds vroeg tot het christendom zijn overgegaan; Germaanse talen worden gesproken door volken wier voorouders veel langer heidenen zijn gebleven. Een grenspositie tussen beide groepen wordt ingenomen door de Franken. Dit is een van de punten die ik een volgende keer wilde behandelen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1983

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Het ontstaan van christelijke talen (3)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1983

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken