Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Betrokkenheid met kerkelijke beroeringen van zijn tijd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrokkenheid met kerkelijke beroeringen van zijn tijd

Van der Kemp „Advocaat der afgescheidenen" (III)

9 minuten leestijd

BARNEVELD — Mr. Van der Kemp had als nauwgezet historicus door zijn publikaties het bewijs geleverd van een intensieve betrokkenheid met de kerkelijke beroeringen van zijn tijd. Dit gold niet alleen de Hervormde Kerk, waarvan hij had getracht „de eer te handhaven", ook ten aanzien van de verwikkelingen rond de Afscheiding liet hij zich niet onbetuigd.

Dr. Moet spreekt hier zelfs van een dubbele rol, die hij heeft gespeeld, „mits elke gedachte aan dubbelhartigheid hier verre van ons zij." Hij maakt in dit verband onderscheid tussen Van der Kemps optreden als „Advocaat der Afgescheidenen" en als „Criticus der Afscheiding".

Ds. H. de Cock
Slechts korte tijd nadat Van der Kemp het laatste deel van zijn „De Eere der Nederlandsch Hervormde Kerk gehandhaafd" (1833) in het licht had doen verschijnen, diende de Afscheiding zich aan. Van der Kemp had in zijn apologie gesproken van „de leugengeest... die vooral in onze Ned. Herv. Kerk op de troon zit en die de waarheid zoekt te verdrukken" en van leraars, die „zich toonen als wolven in schaapskleederen", maar hij had ten aanzien van deze beschuldiging geen namen genoemd.
Ds. H. de Cock, de latere „Vader der Afscheiding" wees de dwaalleraars echter met naam en toenaam aan, o.a. in de personen van ds. L. Meyer Brouwer en ds. G. Benthem Reddingius, die hij eveneens als wolven betitelde. Hij beriep zich hierbij op „den eerwaardigen" Van der Kemp, die „zoo klaar als de dag had aangetoond dat Brouwer en Reddingius schuldig stonden aan meineed, doordat zij de eed van trouw aan de ware Gereformeerde leer hadden gebroken".
Van der Kemp had namelijk in het jaar van de Afscheiding een brochure laten verschijnen tegen de „verlichte" Erasmiaans-gezinde prof. F. Hofstede de Groot, de vertegenwoordiger van de Groninger theologie, onder de titel: „De Beschuldigingen tegen de leeraars der Herv. Kerk, dat zij hunnen eed breken, enz." Deze beschuldigingen werden door ds. De Cock nader gepreciseerd, o.a. door namen te noemen van bepaalde predikanten en dat op grond van hun geschriften. Van der Kemp had dus zonder er zich zelf van bewust te zijn De Cock reeds bij het begin van diens kerkelijke procedure „een wapen uit het welvoorziene arsenaal in de hand gegeven". (Dr. J. P. Moet).
Toen De Cock dan ook door het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen ter verantwoording werd geroepen vanwege zijn aanbeveling bij het werkje van Jac. Klok tegen de Gezangen (21 april 1834) kon hij zich zonder voorbehoud beroepen op de „Advocaat van de Vaderlandsche Kerk".

Bemoeienissen
Baron P. J. van Zuylen van Nyevelt, woonachtig op kasteel De Schaffelaar te Barneveld en die de Ulrumse predikant zeer toegenegen was, had deze in zijn streven naar rechtsherstel reeds op Van der Kemp als een bekwaam en gereformeerd jurist geattendeerd. Toen De Cock in het voorjaar van 1834 naar Den Haag reisde om bij de Koning op audiëntie te gaan, heeft hij Van der Kemp persoonlijk ten huize van Capadose ontmoet. Dat de „boerschen, lompen Groninger plattelandsdominee" — een tendentieuze karakteristiek — door de aristocratische Haagse broeders niet met voldoende begrip zou zijn bejegend, is met de feiten in tegenspraak.
Nadat De Cock enige tijd na zijn terugkomst in Ulrum door het Provinciaal Kerkbestuur was afgezet (29 mei. 1834) ging hij bij de Haagse broeders advies inwinnen. De bekende Dirk graaf Van Hogendorp stelde toen een memorie van appèl aan de Synode voor hem op, terwijl Van der Kemp voor dezelfde instantie een Adres opstelde ten behoeve van de Kerkeraad van Ulrum. Dit laatste adres wordt door dr. Keizer het belangrijkste geacht. Dat ds. De Cock ten overvloede zelf ook nog een eigen memorie opstelde en deze mee inzond, wijt Kluit aan het feit, dat De Cock „in wereldsche zaken een groot kind was". Van der Kemp zelf noemde het „bespottelijk en onhandig" om enkele memoriën in te dienen, welke naar toon en inhoud nog al verschilden. „Doch veel begrip van orde schijnt de man niet te bezitten," aldus luidde zijn commentaar op ds. De Cock.
De zaak van De Cock werd door Van der Kemp niettemin op vakbekwame wijze bepleit. In zijn memorie, een „meesterlijk pleidooi" (dr. Keizer) vraagt hij om herziening van de vonnissen welke Ulrums gemeente van haar „wettigen en dierbaren leeraar" hebben beroofd. De Cock wordt slechts vervolgd omdat hij een voorstander is van de ware gereformeerde leer, aldus Van der Kemp. Hierdoor worden de rechten der Ulrumse gemeente met voeten getreden.

Beoordeling
Bovendien was het door de Classis uitgesproken vonnis ongeldig, aangezien het quorum — twee-derde van het aantal leden — niet aanwezig was. Het vonnis van het Provinciaal Bestuur spotte met alle logica, omdat, hoewel men de schuld van de appellant geringer had geacht, toch de straf had verzwaard. Het dopen van kinderen uit andere gemeenten was niet strijdig met enige reglementaire bepaling. En wanneer De Cock tegen zijn „meinedige" collega's Brouwer en Reddingius niet naar de pen had gegrepen, zou hij zichzelf hebben schuldig gemaakt aan meineed. De op deze predikanten toegepaste kwalificatie van „wolven in schaapskleederen" zijn voluit Bijbels te noemen. Mag de Dordtse Synode, mogen Calvijn, Bogerman, Trigland enz. wel in hun eer worden aangetast?
Overigens heeft De Cock in zijn weerlegging van de Gezangen niets beweerd zonder behoorlijke motivering. En is het niet vreemd dat de kerkelijke besturen, die „Formulierendwang" verwerpen, toch een Gezangenplicht hebben ingevoerd? Indien men de Formulieren „menschenwerk" noemt, terwijl zij door de Kerk zijn goedgekeurd, hoe moet men dan over de Gezangen denken? Ds. De Cock heeft volgens Van der Kemp recht op herstel in zijn ambt. „De gevolgen van den tegenwoordigen staat van zaken komen voor rekening der hoogere Kerkbesturen."
Wie hoort in deze „Advocaat der Afgescheidenen" niet het heldere stemgeluid van de „Advocaat der Vaderlandsche Kerk"? De talrijke punten van overeenkomst springen duidelijk in het oog!

Kerkelijke toestand
De memorie van Van der Kemp is een duidelijk bewijs van het inzicht dat hij had in de kerkelijke toestand. Overigens had hij weinig verwachting van een positief resultaat. De samenstelling van de Synode met mannen als Donker Curtius, Reddingius en Dermout e.a. bood hiertoe geen waarborg. Alleen van prof. Clarisse had Van der Kemp nog enige verwachting. Of de memorie van Van der Kemp nog een bijdrage is geweest tot de verzachting van het vonnis over De Cock — hij kreeg een half jaar „bedenktijd" — is twijfelachtig. De synode wilde volgens Kluit de geit en de kool sparen. Men sprak uit dat ingeval De Cock geen berouw en leedwezen zou doen blijken wegens de „verstooring van de orde en de eendragt in de Ned. Herv. Kerk" hij definitief zou worden afgezet.
Van der Kemp liet het er echter niet bij zitten. Hij wekte zijn vriend Koenen, een der redacteuren van de „Nederlandsche Stemmen" — een in de Reveilkringen verschijnend orgaan (1834-'40) — op om een woord tot verdediging van De Cock op te nemen. Mocht deze in sommige opzichten „verkeerd en strafwaardig" hebben gehandeld, hij had niettemin „ter eere Gods - zo wij met grond vertrouwen mogen — zoeken te ijveren en dus mag hem de Christelijke achting niet ontzegd worden." Het artikel van de hand van een andere redacteur, namelijk Da Costa, kon Van der Kemps goedkeuring niet wegdragen. De verkeerde handelwijze van het Kerkbestuur kwam er zijns inziens niet voldoende in uit.
Ook in een later stadium bood Van der Kemp aan De Cock zijn diensten aan, namelijk toen laatstgenoemde tot drie maanden gevangenisstraf was veroordeeld. Ongevraagd stelde hij toen een request van gratie voor de veroordeelde op, waarvan de Ulrumse predikant echter geen gebruik wenste te maken.

Ds. H. P. Scholte
Ook de zaak van een andere afgescheiden predikant, namelijk ds. H. P. Scholte te Doeveren en Genderen, trok Van der Kemp zich aan. Samen met zijn vriend en collega Gefken had hij een langdurig gesprek met Scholte te Gorkum. Scholte had zich met zijn gemeente afgescheiden en maakte nu aanspraak op de kerkelijke goederen. De vraag of men zich wel zo „gemeentensgewijze" kon afscheiden, woog Van der Kemp bij de beoordeling van deze kwestie zwaar. Overigens had hij meer achting voor De Cock dan voor Scholte, die hij in navolging van Da Costa „Boanerges" noemde.
Van der Kemp trachtte eveneens in een geschrift aan te tonen dat de afgescheiden broeders een grondwettig recht bezaten een nieuw kerkgenootschap op te richten zonder verlof van de Koning. De op hen toegepaste strafbepalingen, welke door Napoleon waren uitgedacht om zijn despotiek bestuur te handhaven, konden volgens hem beter worden gebruikt tegen hen, die de Hervormde leer niet handhaafden. Het gekrenkte rechtsgevoel van Van der Kemp deed hem aan de zijde van Groen van Prinsterer en Van Hall, eveneens pleitbezorgers van de vervolgde Afgescheidenen scharen. De Afgescheidenen waren, evenals hijzelf, gehecht aan de leer van de predestinatie en de Dordtse Leerregels, aldus schreef hij aan Koenen. Het beginsel der Scheiding was behoefte aan waarheid.

Afkerig van afscheiding
Dat Van der Kemp in de Afgescheidenen zijn broeders erkende, betekende echter niet dat hij de Afscheiding zelf goedkeurde. Hij heeft er soms een scherp oordeel over geveld. Niettemin waren de Afgescheidenen volgens hem uit het Genootschap van 1816 uitgegaan om in de Gereformeerde Kerk te blijven. Deze opvatting was Groen ook toegedaan. Zo groot was zijn wrevel jegens het Kerkbestuur, dat De Cock had afgezet, dat hij een tijdlang de Gezangen, „dit schibboleth der Synode, waarover de Cock gestruikeld was" weigerde mee te zingen. Hij ging echter niet zo ver als Capadose, die tijdens het zingen van de Gezangen zijn hoed op het hoofd hield.
Meermalen ging hij bij de Afgescheidenen, o.a. bij ds. Brummelkamp in Velp, ter kerk en soms zelfs aan het Heilig Avondmaal. Maar ds. Brummelkamp vond het inconsequent dat een jurist als Van der Kemp, die het goed recht der Afgescheidenen had verdedigd, niettemin onwillig was zich met de Afgescheidenen te verenigen. Dat de Hervormde ds. Callenbach echter eens weigerde om in de Afgescheiden Kerk te Velp voor te gaan, keurde Van der Kemp af.
„Een vriend van de Afgescheidenen, afkeerig van de Afscheiding", aldus typeert dr. Moet Van der Kemp in zijn academisch proefschrift. Wat hen beiden echter innerlijk verbond was de leer, waren de canones van Dordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Tuesday 26 July 1983

Reformatorisch Dagblad | 10 Pagina's

Betrokkenheid met kerkelijke beroeringen van zijn tijd

Bekijk de hele uitgave van Tuesday 26 July 1983

Reformatorisch Dagblad | 10 Pagina's

PDF Bekijken