Bekijk het origineel

Overbemesting grond in toekomst niet mogelijk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Overbemesting grond in toekomst niet mogelijk

Srenge regels in nieuwe ontwerp-wet

6 minuten leestijd

Op dit moment is men koortsachtig bezig de meststoffenproblematiek wettelijk aan te pakken. Als alles doorgaat zal de verouderde Meststoffenwet 1947 worden ingetrokken en een geheel nieuwe Meststoffenwet worden vastgesteld. Een vooral voor de agrarische bevolking ingrijpende wet. Het meststoffenprobleem is de laatste tijd wat in een stroomversnelling geraakt.

Men heeft geconstateerd dat onder andere door overbemesting grond- en oppervlaktewater aan het verontreinigen is. Er wordt volgens de overheidsinstanties meer besmet dan de grond op kan nemen. Daarnaast moet men vaststellen dat het steeds vaker voorkomt dat agrariërs hun op het bedrijf geproduceerde mest niet meer kwijt kunnen. Het gaat vooral om mest geproduceerd in de intensieve veehouderijen. Op twee manieren probeert men een oplossing te vinden. Allereerst het versneld bouwen van giervoorzuiveringsinstaliaties (de eerste proefinstallatie staat in Elspeet) maar bovendien staat er een heel nieuwe Meststoffenwet op stapel. Een wet welke ingrijpende wijzigingen met zich mee zal brengen. In dit artikel wil ik enkele essentiële punten uit deze wet lichten.

Maximum
Op dit moment is het zo dat een agrariër eigenlijk onbeperkt zijn land kan bemesten. Het is weliswaar zo dat op grond van een aantal milieuwetten het verboden is over te bemesten maar hierop is in de praktijk nauwelijks enige controle mogelijk. Artikel 4 van de ontwerp-Meststoffenwet echter voorziet hierin: „Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van het agrarisch produktievermogen van de grond en, in samenhang daarmee, van het voorkomen of beperken van daarbij ongewenste neveneffecten van het gebruik van meststoffen, regels worden gesteld met betrekking tot het gebruik van meststoffen. Deze regels kunnen onder meer inhouden een verbod om op gronden of bepaalde grond van één of meer daarbij aangewezen meststoffen of groepen van meststoffen — grotere hoeveelheden per oppervlakte-eenheid in een bepaald tijdvak te gebruiken — dan bij die regelen is vastgesteld". En dat is een belangrijke bepaling want laten we eens proberen deze naar de praktijk toe te vertalen. Waarschijnlijk zal het zo zijn dat de minister uit gaat rekenen hoeveel mest er per jaar op een agrarisch bedrijf wordt geproduceerd. Dan gaat hij vaststellen hoeveel mest er op een hectare grond mag worden gebracht. Is dat eenmaal gebeurd, dan is het vrij eenvoudig overbemesting terug te dringen. Immers per bedrijf kan worden nagegaan hoeveel landbouwgrond aanwezig is (gronden welke bij het bedrijf horen) en dus ook hoeveel mest de boer op zijn eigen grond kwijt kan. Wat overblijft zal dan naar elders moeten worden gebracht.

„Slim"
Men zou zeggen dat de minister dan misschien kan voorkomen dat de boer zijn eigen land teveel bemest maar dat toch niemand deze boer kan beletten de overtollige mest elders te brengen op een plaats die hij zelf wil. Ik denk bijvoorbeeld aan een agrariër die geen vee, en dus geen mest heeft maar wel veel land. Als men de mest daar dan heen brengt is het probleem niet opgelost doch alleen maar verplaatst.
Welnu ook de wetgever heeft zich dat gerealiseerd. Heel slim heeft men ook het „verhandelen van mest" geregeld. En onder verhandelen verstaat de wetgever dan ook het voor niets aan een collega-agrariër, leveren van mest. Op grond van artikel 6 van de ontwerpwet kan de minister verbieden de extra mestproduktie te verhandelen. Wil men dan overtollige mest kwijt dan moet eerst aan de minister een vergunning worden gevraagd. En deze kan dan dwingend opleggen de overtollige mest te leveren aan een door hem aangewezen instantie.

Mestbank
En nu komt de mestbank op de proppen. De ontwerpwet bevat een uitvoerige regeling over het instituut „mestbank". Dit orgaan kan zich voorstellen als een echte bank: sommigen brengen mest (in gebieden waar een mestoverschot is vastgesteld door de minister); anderen (agrariërs welke in gebieden wonen waar weinig veeteelt of intensieve veehouderij is en veel landbouw) vragen naar mest. De mestbank zit er dan zo'n beetje tussenin als handelaar in mest (zonder dat ze overigens winst maken). Ook exploiteert de mestbank voorzuiveringsinstallaties. Dat zijn installaties waarin gier wordt ontdaan van bepaalde stoffen zodat het op het riool kan worden geloosd.

Iedereen begrijpt nu de strekking van de regeringsvoornemens: op eigen grond, zo men deze heeft, mag maar een bepaald gedeelte van de mestproduktie worden gebracht. De rest gaat naar door de minister aan te wijzen installaties. Wie helemaal geen eigen grond heeft kan alles wegbrengen. Niet naar de persoon die hij verkiest maar, in de meeste gevallen naar de mestbank. Uiteraard zal niet alles hiernaar moeten worden gebracht. De minister kan vergunning geven een door hem te bepalen hoeveelheid naar particulieren te brengen.

Consequenties
Is men er eenmaal van overtuigd dat het mestprobleem ook werkelijk een probleem is, dan is de nu voorgestelde regeling technisch gezien uiterst efficiënt. Toch moeten we ook een andere kant van de zaak niet vergeten. Zonder tekort te willen doen aan het milieuprobleem moeten we niet vergeten dat als de Meststoffenwet in de nu voorgestelde vorm in werking zal treden, deze aanzienlijke financiële consequenties met zich mee zal brengen. Op dit moment betaalt men bij de voorzuiveringsinstallatie een bedrag van ƒ 3,50 voor het verwerken van één kubieke meter gier. Dit relatief lage bedrag is mogelijk door forse subsidies en de winst welke wordt gemaakt op andere meststoffen dan gier. Draait de Meststoffenwet dan moet er toch rekening mee worden gehouden dat men zo langzamerhand tegen kostprijs gier kan gaan brengen. En deze kostprijs ligt eerder bij 10 gulden dan 5 gulden. Het is niet onredelijk dat er voor het zuiveren van gier moet worden betaald. Maar men moet er aan de andere kant voor waken agrarische bedrijven voor zulke hoge kosten te plaatsen dat bedrijfssluitingen het gevolg zijn.

Voorzichtig
Natuurlijk moet het milieuprobleem niet worden onderschat. Er is inderdaad behoefte aan een regeling. Maar men moet voorzichtig zijn. Het is vooral de intensieve veehouderij (grootste leverancier van meststoffen) die de laatste tijd steeds meer onder druk is komen te staan. Denk bijvoorbeeld aan de acties van de actiegroep „Lekker dier"; aan het strenger toepassen van de Hinderwet (bedrijfsuitbreidingen nauwelijks mogelijk) enz. De stemming onder de boeren zelf is op dit moment gespannen, Er gaan steeds meer stemmen op dat hun sector door allerleid overheidsbemoeienis wordt kapot gemaakt. Wat betreft de verontreiniging van grond- en oppervlaktewater is men er nog niet zo van overtuigd dat alleen de bemester de boosdoener is. Men hoort vaak noemen dat het vooral het gebruik van zinkputten is dat ook „meehelpt" aan de verontreiniging van water en bodem.

Dit soort zaken dient serieus te worden onderzocht. Het gaat niet aan klakkeloos beslissingen te nemen. Voordat men tot invoering van de Meststoffenwet overgaat, zal de overheid eerst alle consequenties op een rijtje moeten zetten. En wel om recht te doen aan een niet onbelangrijke sector van onze Nederlandse economie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1983

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

Overbemesting grond in toekomst niet mogelijk

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1983

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken