Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het ontstaan van Christelijke talen (XI)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het ontstaan van Christelijke talen (XI)

10 minuten leestijd

Reeds enige tijd geleden werd door een belangstellende lezer de vraag gesteld wat nu eigenlijk indirecte ontleningen zijn. Ontleningen aan vreemde talen, ook wel leenwoorden genoemd, zijn in deze rubriek al dikwijls ter sprake gekomen. Maar het blijkt toch nodig te zijn eens iets beter te bekijken wat ontleningen eigenlijk zijn.

Behalve indirecte ontleningen, waarnaar gevraagd werd, zijn er ook directe. Deze zijn direct of onmiddellijk aan een vreemde taal ontleend. Meestal komen die dan uit talen waarmee we dikwijl in aanraking komen, zoals buurtalen. Toch is daarmee niet alles gezegd, want uit het Duits, dat toch aan onze grenzen gesproken wordt, hebben we maar weinig woorden ontleend. De talen die in dit opzicht vooral onze woordenschat hebben verrijkt, zijn het Engels in onze tijd; in de 19e eeuw en nog vele honderden jaren daarvoor het Frans; en het Latijn in de eerste eeuwen na Chr. Hun grote invloed, ieder in zijn eigen tijd, danken het Latijn, Frans en Engels daaraan dat het de voornaamste cultuurtalen zijn. Dan krijgen we dus woorden zoals goodwill en baby uit het Engels, rivier en natie uit het Frans en regel en tegel uit het Latijn.

De overname van zulke woorden is vergemakkelijkt doordat er veel Nederlanders waren die de desbetreffende vreemde taal leerden.

Bestaansrecht
Het bestaansrecht van zulke leenwoorden is vrij duidelijk, want het gaat daarbij meest om termen uit een vreemde taal die op een bepaald ogenblik erg populair zijn en waarin allerlei termen, vooral beschavingstermen, gemakkelijker of vaker uitgedrukt worden dan het Nederlands. Want hoe moet men bijvoorbeeld in onze tijd de begrippen flat en cape met een zuiver Nederlands woord aanduiden? In dat geval is het verleidelijk om zulke nieuwe begrippen maar aan te blijven duiden met de vreemde Engelse naam.
Wat de oorsprong en het bestaansrecht is van de directe ontleningen, is dus gemakkelijk te doorzien. (Behalve de bovengenoemde reden is er nog een ander motief dat een sterke rol speelt: er zijn veel mensen die wat willen pronken met hun soms niet eens zo heel grote taalkennis en daarom een vreemd woord in willen voeren). Maar het gebeurt ook weleens dat we een vreemd woord gaan gebruiken uit een taal die wat ver bij ons vandaan gesproken wordt. In dat geval kunnen we ook wel directe ontleningen hebben, maar dikwijls ook indirecte, d.w.z. ontleningen via een andere taal. Dat zien we bijvoorbeeld aan de Italiaanse ontleningen. Van de directe noem ik netto en bruto. Bruto komt van het Italiaanse brutto (spreek uit broetto, met 2 t's). Behalve de klank verschilt ook de betekenis van het Italiaanse brutto (d.w.z. lelijk, klad). Het bruto gewicht daarentegen wordt door de Italianen genoteerd als lordo. Ondanks al die verschillen blijven we bruto een directe ontlening uit het Italiaans noemen.

Averij
Maar nu zijn er ook woorden die weliswaar uit het Italiaans komen, maar die we slechts hebben leren kennen in verfranste vorm. Dat zijn woorden zoals averij. Dit hebben we wel overgenomen uit het Frans, van avarie, maar de Fransen hebben deze echte scheepsterm niet verzonnen. Integendeel, zij hebben dit avarie weer overgenomen van het Italiaanse avaria. Zo'n oorsprong is heel aannemelijk, want de Italianen zijn altijd veel grotere zeevaarders geweest dan de Fransen, vooral in de Middeleeuwen. Zo'n oorsprong klopt dus beter. En wie nog verder gaat zoeken kan zelfs bemerken dat ook de Italianen deze term al niet eens zelf hebben verzonnen, maar dat ze hem overgenomen hebben uit het Arabisch (van awar, schade). Dat komt doordat op de wateren van de Middellandse Zee de Arabieren vroeger de grote concurrenten of collega's waren van de Italianen.
Het woord averij is dus indirect door het Nederlands, via het Frans, ontleend aan het Italiaans, en men kan zelfs zeggen dat het Franse avarie weer een indirecte ontlening is aan het Arabisch. Daarmee is de geschiedenis van het woord averij echter nog niet eens uit, want nadat het in onze taal was doorgedrongen hebben de Duitsers het weer aan het Nederlands ontleend. Dit was dus weer een nieuwe schakel in de ketting van indirecte ontleningen. (Het komt uiterst zelden voor dat het Nederlands als ,,transporttaal" dient, want het Nederlands heeft wel woorden aan vreemde talen geschonken, meer dan men doorgaans denkt, en Nederland ontleent wel woorden aan het buitenland, maar het is een merkwaardig feit dat het Nederlands bijna geen woorden doorgeeft.)
Het Frans is een heel belangrijke weg geweest waardoor vele eeuwen lang woorden indirect onze taal zijn binnengedrongen. Van de verfranste Italiaanse handels- en zeevaarttermen die op hun beurt weer uit het Arabisch afkomstig waren, noem ik arsenaal, admiraal, magazijn en tarief. Ook veel Spaanse en Portugese woorden zijn door Frankrijk gereisd om tenslotte in Nederland terecht te komen. (Bijna alle woorden verliezen tijdens de reis door Frankrijk een lettergreep). Hiervan noem ik o.a. banaan, tomaat, tabak, kaste en kannibaal. Dit zijn woorden die de Spanjaarden en de Portugezen weer uit andere werelddelen Europa binnengebracht hebben, ook een categorie van indirecte ontleningen dus.
Een mooi voorbeeld van een indirecte ontlening, die niet uit het Frans of Latijn komt, maar uit Oost-Europa is huzaar. Geschiedenisliefhebbers kunnen weten dat er vroeger ergens in Centraal Europa geduchte ruiters geweest zijn van Servische en vooral Hongaarse nationaliteit, die zich met die naam aanduidden. In het Servisch noemden ze zich gu(r)sar, in het Hongaars Huszar. Ze hebben zich vooral beroemd gemaakt in hun strijd tegen de Turken. En omdat ze bij het vechten zulke indrukwekkende prestaties leverden, hebben de Duitsers het Hongaarse woord overgenomen en hun Duitse cavaleristen Husar genoemd. Maar toen hebben de Nederlanders het woord weer van de Duitsers overgenomen. (De Fransen en de Engelsen trouwens ook). Welnu, in het Nederlands, Engels en Frans is het woord huzaar een indirecte ontlening omdat we het via het Duits aan het Hongaars ontleend hebben.
Leenwoorden zijn vaak min of meer geleerde woorden, die met een hogere cultuurtrap verband houden. Dat ligt voor de hand, want voor de namen van de allereenvoudigste begrippen heeft ieder kind reeds namen in zijn moedertaal. Maar deze elementaire woordenschat is niet toereikend zodra men in contact komt met de wetenschap, techniek, andere tijden en andere landen. Ook voor onze godsdienst hebben we veel woorden nodig en vooral wanneer een volk van godsdienst verandert, moeten er nieuwe woorden gecreëerd worden.

Kerk
Heel dikwijls zijn de godsdienstige woorden van het christelijke West-Europa uit het Latijn afkomstig; vaak hebben ze ook nog een Griekse voorgeschiedenis (psalm, apostel, profeet). Door die gemeenschappelijke oorsprong hebben ze dan vaak in de Westeuropese talen overeenkomstige vormen, of het nu Germaanse zijn (bijvoorbeeld Nederlands, Duits, Engels) of Romaanse (Frans, Spaans, Italiaans). Maar er is één woord: kerk, dat daarop een uitzondering maakt. De Germaanse talen lijken in dat opzicht sterk op het Nederlands (met kerk), de Romaanse lijken hierin op het Frans (met église). Dit Germaans-Romaanse verschil is heel opmerkelijk; wat nog merkwaardiger is, is het feit dat de Slavische talen een vorm hebben die met het Germaans overeenstemt; Tsjechisch: kerkov, Russisch: tserkov, Servisch: crkva. Hoe kan dit alles verklaard worden? Het is uitstekend te begrijpen als men overweegt hoe de christelijke talen ontstaan zijn. In het bijbelse, nieuwtestamentische Grieks heette de kerk ekklèsia. Dit woord, dat bij de Grieken oorspronkelijk de volksvergadering van de stadsstaten aanduidde, werd reeds zeer vroeg door de Romeinse christenen overgenomen in de nauwelijks gewijzigde vorm ecclesia. Daaraan zijn de bovengenoemde Romaanse vormen te danken, église (Frans), iglesia (Spaans), igreja (Portugees), chiesa' (spreek uit kjeeza; Italiaans). De Romaanse volkeren laten dus thans nog zien dat de basis van hun christelijke woordenschat zeer vroeg gelegd is. En omdat de Keltische volken ook reeds vroeg gekerstend werden, namen die het woord ecclesia over uit het Latijn (Oudiers eclis, Brits eglwys).
Maar na de bijbelse periode, in het Laat-Grieks van de 4e eeuw, werd ekklèsia vervangen door kuriakon (wat des Heeren is), later verbasterd tot kyrikon. Deze naamswijziging had geen invloed meer op het Latijn, de taal van Rome, want daar bleef men rustig ecclesia zeggen. Maar deze naamsverandering drong wel door tot de Slavische en Germaanse stammen die toen de Balkan bevolkten. Deze Balkan-Germanen behoorden tot de Oostgermaanse taalgroep; bij de Oostgermanen moet men o.a. denken aan de Goten die toen woonden aan de kusten van de Zwarte Zee. Verschillende van deze volken werden gekerstend, vooral onder Byzantijnse, d.w.z. Grieks-christelijke invloed. Een van de beroemdste voorbeelden, waar ik reeds over geschreven heb, vindt men in de Moraviërs, die in de 9e eeuw tot het christendom overgingen. Dit geschiedde vooral door de prediking van Cyrillus en Methodius, die de Bijbel vertaalden in de taal der Moraviërs, het Kerkslavisch. (Ook wel Oudslavisch of Oudbulgaars genoemd). Door de bekering van de Slavische en Germaanse stammen in Centraal-Europa drong het woord „kerk" naar het noordwesten. Zo kwam het in de groep van de Westgermaanse talen. Het is op vele manieren verbasterd, ook in het Nederlands, waar het kerk geworden is. Toch is dit kerk nog een betrekkelijk zuivere vorm, want er staan nog 2 k's in, evenals in het Griekse kyrikon. Van deze Westgermaanse talen noem ik het Oudduitse Kirice, thans Kirche, het Oudfriese szereke, thans tsjerke, het Angelsaksische cirice, thans church.

10e eeuw
Daarna kwam de 10e eeuw. Het christendom onderging toen een grote uitbreiding. Onder de Slavische volken door de kerstening van de Russen die gingen spreken van tserkov. Onder de Germanen vond eveneens een grote uitbreiding plaats. Door het werk van Angelsaksische zendelingen werd hun woord cirice overgeplant naar Skandinavië. Het kreeg daar in het Oudnoors de vorm kirkja. In die vorm is het blijven bestaan, daar stammen ook het Zweedse kyrka en het Deense kirke van af. Het is opmerkelijk op welke wijze het woord kirkja zich vanuit het Oudnoors weer over Noord-Europa heeft verspreid, onder de Germaanse volken van de Shetland Eilanden en Schotland. Vandaar dat nu in het Schots en Noordengels de vorm kirk voorkomt. Maar verder is kirkja ook letterlijk overgenomen door een aantal andere volken, Finnen, Lappen en Esten. (Het Fins, Laps en Estisch zijn geen Indo-Europese talen; zij behoren tot de zogenaamde Fins- Oegrische taalgroep). Deze internationale verbreiding van kirkja wijst op een bijzonderheid waarover in (kerk)geschiedenisboeken weinig geschreven wordt. Blijkbaar hebben de Noren of Noormannen, die in schoolboekjes te veel als rovers en brandstichters worden aangemerkt, veel gedaan voor de verbreiding van het christendom in Noord-Europa. Dat moet vooral gebeurd zijn in de tijd van Alfred de Grote de Heilige (871-899) en Kanoet de Grote (1017-1036). Tijdens Kanoet was de Noordzee een Noorse binnenzee geworden, omringd door de landen van Kanoet: Noorwegen, Denemarken en Engeland.
De beide woorden voor kerk, die thans in Europa gangbaar zijn, berusten dus allebei op het Grieks. Maar op twee heel verschillende Griekse woorden: op ekklèsia (vergadering) uit het Bijbelse Grieks en op kuriakon of kyrikon uit het Laat-Grieks. Het oude ekklèsia is door de Romeinen ontleend (als ecclesia) en bestaat in sterk gelijkende vorm voort in bijna alle Romaanse talen (Frans église enz.); het is daarom een indirecte ontlening aan het Grieks, waarbij de schrijftaal een belangrijke rol heeft gespeeld. Met het veel nieuwere woord kyrikon is het heel anders gegaan. Dit is vanuit het Grieks direct in de Germaanse talen terechtgekomen (ook in de Slavische) zonder een Latijns tussentrapje. Het heeft zich toen mondeling van taal tot taal voortgeplant, en heeft door alle verbasteringen wel sterk afwijkende vormen gekregen, zoals het Engelse church, het Nederlandse kerk en het Russische tserkov. Maar al die woorden komen van dezelfde Griekse basis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 28 October 1983

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

Het ontstaan van Christelijke talen (XI)

Bekijk de hele uitgave van Friday 28 October 1983

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken