Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ambtsgewaad veelal ten onrechte twistappel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ambtsgewaad veelal ten onrechte twistappel

9 minuten leestijd

Een zwerftocht door de kerkhistorie in verband met een veel te snel verschijnende vakantlebijlage levert weleens iets onverwachts op. En Herman Bavincks woord wordt wel waar: „Geschiedenis is zulk een heerlijke zaak. Zij is niet alleen de wortel van het heden, maar ook rijk aan lessen voor de toekomst." Wandelend door de Zeeuwse hoofdstad stuit je op de „antitogakerk". Of lieven op de geschiedenis van die gemeente, want de „anti-togakerk" bestaat sedert lang niet meer. Mede om soortgelijke redenen hebben in die tijd — het midden van de vorige eeuw — twisten de kerken der Afgescheidenen verscheurd. En mede om soortgelijke redenen strandde in 1907 een algehele vereniging van Kruisgezinden en Ledeboerianen. Rijk aan lessen voor de toekomst? We zullen eens zien.

De bewuste kwestie — het al of niet dragen van een ambtsgewaad door de herder en leraar en vervolgens de vraag: welk ambtsgewaad dan — is in zekere zin actueel. Niet zozeer vanwege brieven met vragen, die ook heden je bureau nog wel bereiken. Vragen over de kleedjas en het colbert, de streepjesbroek, de witte stropdas en het puntboord. Vragen naar de achtergrond en de betekenisvan die kledij.

De bewuste kwestie is in zekere zin actueel omdat ook vandaag de vraag naar het verband van kledij en zuiverheid van de Woordbediening gesteld wordt. En dat geldt dan eigenlijk niet alleen de predikant, maar ook andere ambtsdragers, al of niet voorzien van snorren of grijze stropdassen in diverse tinten — in elk geval niet zwart! De historie rijk aan lessen voor de toekomst? We zullen eens zien.

Ambtsgewaad

In de achttiende eeuw raakte de toga, die in de Geref. Kerken in ons land in de zestiende eeuw gedragen werd, uit de mode. Die toga was eigenlijk geen ambtsgewaad, maar een standsgewaad. De toga was het kleed van de geleerde stand. Maar in dé achttiende eeuw gingen de predikers zich kleden als deftige burgers. Toen kwamen de kuitbroek, bef, mantel en steek in zwang.

Wel ontstond er verschil tussen een Voetiaanse, Coccejaanse, Libertijnse of Groeneweegse bef, zo vertelt H. M. Stoppelenburg ergens: dat verschil kwam uit in de lengte van de tabletten en de breedte der boorden en in de wijze van dragen van deze bef. Zoals gezegd, in de negentiende eeuw raakte dit gewaad uit de mode. In 1840 verklaarde de Evangelisch Lutherse synode de toga tot ambtsgewaad. Vier jaar later volgde de Remonstrantse Broederschap en in 1854 beval de Hervormde synode de toga aan als dracht voor de predikanten.

De Afscheiding ging in veel dingen terug tot voor de Franse tijd. En zo nam menigeen, niet bijster geleerd, maar wel van God geleerde, het oude gewaad uit de achttiende eeuw weer aan. Het waren Oud Gereformeerde predikanten die zich tot halverwege deze eeuw in deze dracht kleedden. (Ds. W. H. Blaak, ds. C. van de Gruiter en anderen).

Anti-togakerk

De aanschaf van toga's verliep in Hervormd Middelburg niet geruisloos. Het kledingstuk heette bij een deel van het kerkvolk al dra een „mantel der ongerechtigheid". Maar het is de vraag in hoeverre deze kledingkwestie werkelijk „diep" zat bij de velen die in 1855 opgewonden de kerk uitliepen. Meer dan honderd leden dienden gezamenlijk een bezwaarschrift in. Het hielp niets. Maar zich bij de Christelijke Afgescheidenen voegen — een gemeente die toen juist gediend werd door de godvruchtige ds. H. H. Middel — wilde men ook niet.

Een deel van de anti-togamensen liet in 1858 door ds. H. van den Oever een Geref. Gem. onder het Kruis institueren (later Gereformeerd). Een ander deel zocht de Ledeboeriaanse gemeente van Domburg (Aagtekerke) op, zodat, mede door de overkomst van ds. P. van Dijke, een Middelburgse Ledeboeriaanse gemeente tot bloei kwam. Een niet onbelangrijk deel van de anti-togamensen uit Middelburg stichtte een eigen kerk. Waar liep dat op uit met deze anti-togakerk?

Het liep op niets uit! Aanvankelijk beriep men nog wel ds. A. P. A. du Cloux en zelfs dr. H. F. Kohlbrugge. Van lieverlee werd de Zendingsgemeente een „vrije" gemeente — „niet kerkelijk, hoewel niet anti-kerkelijk" — waar ten slotte ieder, lid of geen lid, aan het avondmaal kon gaan en die uiteindelijk verliep. Ging het bij de strijd tegen de toga slechts om de vorm? Of ontbrak het wezen?

Zoals gezegd, ook de Afscheiding kreeg haar deel van de ambtskledingtwisten. De Drentse ds. H. Joffers stond daarin lijnrecht tegenover de Gelderse ds. A. Brummelkamp.

„Waakt en drijft de neven uit, eer het onkruid verder spruit! Waakt en drijft de neven uit, eer de onrust hoger ruit! Waakt en drijft de neven uit, eer de twistgeest sterker muit! Waakt en drijft de neven uit, eer Gods Geest met werken stuit..." zo bezong in de vorige eeuw Joffers het „verdiende loon" van een groep medeafgescheidenen. Reden was behalve een leerverschil... het feit dat deze groep „het dragen van het ambtsgewaad zonde noemt". Althans, zo zegt Joffers. Ik heb nergens gevonden dat Brummelkamp inderdaad over „zonde" spreekt in dit verband.

Waar liep dit op uit? Begrijp mij goed, de door dr. F. L. Bos „benepen conservatieve, star dogmatisch „genoemde Drentse richting is mij niet onsympathiek. Maar waar liep de strijd, mede om het ambtsgewaad op uit? Hierop dat bij Brummelkamps graf door een van zijn medebroeders gezegd kon worden: „Een tijd was er, waarin men vroeg voor of tegen Brummelkamp? Sommigen riepen: neen, neen, tegen! Die tijd is voorbij. Nu is er geen gemeente in ons vaderland, die Brummelkamp niet hoogacht".

Geen verandering

Er is nog een geval, waarin aanvankelijk de kwestie van het gewaad der leraars een rol speelde. Dr. H. A. Hofman noemt als bezwaren tegen vereniging met de Kruisgemeenten van ds. L. Boone (in „Ledeboerianen en Kruisgezinden") dat „de predikanten uit de Kruisgemeenten het ambtsgewaad niet zouden dragen, dat de Ledeboeriaanse predikanten wel droegen, en dat de psalmberijmmg van Datheen niet unaniem gehandhaafd zou blijven. Ook had Boone een voorkeur voor de naam OudGereformeerde Gemeenten." Ds. Boone kon zich niet vermengen met degenen die naar verandering stonden.

Volgens ds. G. H. Kersten heeft ds. Boone in 1932 nog een poging gedaan om opgenomen te worden in het verband van de Geref. Gemeenten. Kersten schrijft in „Ledeboer herdacht": „Hij heeft in het laatst van zijn dagen zijn schuld moeten bekennen. Dit schreef hij aan ds. Fraanje en aan mij, begeerend herstel van de geslagen breuk. Nimmer is het echter daartoe gekomen. Bij vernieuwing keerde ds. Boone om en is in dien toestand gestorven."

De les

Hoe het ook zijn mag, ik geloof niet dat er op dit moment in Neêrlands gereformeerde gezindte nog een predikant vasthoudt aan kuitbroek, bef, mantel en steek. Als Bavinck gelijk had dat de geschiedenis rijk is aan lessen 'voor de toekomst — en ik denk dat hij gelijk had — dan leert ons de geschiedenis dat wij uiterst terughoudend moeten zijn om van het ambtsgewaad van predikanten een twistpunt te maken. Of het nu gaat om de geklede jas, het colbert, of de toga.

Men vraagt mij of ik dan alle dingen die in het verleden meer dan eens mislukt zijn daarom ook vandaag maar moet relativeren en van ondergeschikt belang achten. Dan antwoord ik: neen. Er is — behalve de les van de historie — een ander argument dat tot voorzichtigheid maant.

In de Nieuwtestamentische kerk hebben ceremoniën in die zin geen betekenis meer, dat zij vervuld zijn. Dus er is in het Nieuwe Testarnent geen enkel voorschrift voor liturgische ambtskleding. Met name Zwingli verzette zich daarom tegen elk onderscheidend ambtsgewaad, vanzelfsprekend mede vanwege de strijd met Rome, dat met het overdadige symbolische gewaad en de vele voorschriften de schaduwendienst onnodig in stand hield en het onderscheid tussen leken en geestelijken overaccentueerde.

Deftig en sober

Betekent dit alles nu dat ik iedere predikant of ook de ambtsdragers in de kerkeraadsbank dan maar zo zijn eigen genoeglijke gang wil laten gaan? Vast niet! Dat zou al te veel ruimte bieden voor de geest van de tijd. Onze tijd kenmerkt zich door tomeloze ordeloosheid. En zo mag het in de eredienst niet toegaan.

In tegenstelling tot het ceremoniële of symbolische ambtsgewaad is onderscheidene kleding waar mogelijk te waarderen. Mits — zo merkt dr. J. C. de Moor ergens snedig op — deze niet wordt gebruikt „om zich(zelf) te onderscheiden". Een niet denkbeeldig gevaar in de geref. gezindte waar iemand soms tientallen jaren ambtsdrager is.

De prediker moet — aldus ds. K. de Gier in 1977 in „De Saambinder" — deftig en sober gekleed zijn. „Met deftig wordt bedoeld, dat hij een gewaad draagt waarmee men bij aanzienlijke personen verschijnt en sober, opdat uit de kleding van de dienaar des Woords alles geweerd wordt, wat de aandacht trekt." Daarbij in aanmerking nemend dat alles in de dienst des Heeren met orde en stichting wil plaatsvinden, is enige uniformiteit, overeenkomst in de kleding der ambtsdragers niet overbodig. Wat leent zich in de praktijk beter voor deze uniformiteit dan een zwart kostuum?

Verdraagzaamheid

Zo heb ik dus de vraag (die mij gesteld werd) naar het verband van ambtskleding en de zuiverheid van Woordbediening beantwoord. Dat verband bestaat niet. Of toch? Ja, daar waar deftigheid en soberheid, de orde en de goede stijl veranderen in ongebondenheid kan de prediking oorzaak geven. Maar dan komt dat openbaar in meer dan in de kleding: in de levensstijl van de gemeente en in de leer.

Vraagstukken van deze aard zouden, indien ieder, ambtsdragers en gemeente, bevreesd zou zijn oorzaak te geven dat om zijnentwil of om harentwil de Naam des Heeren gelasterd zou worden, weinig problemen geven. De vraag is daarbij niet: hoever kan ik ten uiterste gaan om nog net geen aanstoot te geven; wij blijven integendeel zover mogelijk bij de grens van de aanstoot vandaan. Verdraagzaamheid is terzake van middelmatige dingen van groot belang.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 januari 1984

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

Ambtsgewaad veelal ten onrechte twistappel

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 januari 1984

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken