Bekijk het origineel

i/cxltaaithól^olc

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

i/cxltaaithól^olc

Een plan voor Marieke (2)

8 minuten leestijd

Door Adrie Nijsse Tingelingeling. Met een ruk vliegt de schooldeur open. Joelend komen de jongens en meisjes naar buiten. Joepieee, 't is woensdagmiddag. De wind rukt aan hun jassen en dassen, maar dat geeft niets, 't Is prachtig weer om in de polder te spelen vanmiddag. De jongens uit de klas van Mark hebben afgesproken dat ze om half twee vanmiddag buiten het dorp op elkaar zullen wachten. Een van de jongens heeft een prachtig spel bedacht. Mark heeft nog maar net het eten achter zijn kiezen of hij laat zich al van zijn stoel glijden om zijn speelkleren aan te gaan trekken. „Zo jongen, je zit wel op hete kolen geloof ik," zegt moeder glimlachend, terwijl ze Marieke die al half slaapt uit de kinderstoel pakt. „O ja moeder. Piet heeft zo'n mooi spel bedacht, we gaan rovertje spelen in de polder." Mark ziet het al voor zich. In gedachten is hij hun ploeg al aan het verdedigen.

Om een uur stapt Mark de deuruit. Eigenlijk is het nog veel te vroeg, maar wat moet hij nu nog thuis doen! Even later ziet hij Henk, zijn vnend, die net op weg is om Mark te gaan halen. „Heui, wat ben jij vroeg, ik kwam je net halen én nu ben je nog eerder dan ik." Weldra zijn ze buiten het dorp op de afgesproken plaats. Er komen steeds meer jongens bij en om half twee is de groep compleet. Piet vertelt zijn plan: ze zullen de groep in twee ploegen verdelen. Een groep moet naar de andere kant van de sloot en moet proberen ongezien weer terug te komen over dezelfde sloot. Maar eerst zetten we vlaggen neer op de plaatsen tot waar je over de sloot mag gaan. Waar de vlaggen staan daar zijn de grenzen.

Uit zijn zak haalt Piet twee rode zakdoeken van zijn vader. Zo, ,nu nog twee stokken. Met grote passen meet hij de afstand langs de sloot, zoals hij de boeren altijd ziet doen. Even later wapperen de rode vlaggen in de wind. Zo, dat is geregeld. Nu de twee ploegen nog. Een groep veroveraars van vier jongens en een groep verdedigers van vijf jongens. Piet, Henk en Mark willen bij de verdedigers en al vlug zijn de ploegen verdeeld. Mark zwaait mét een stok in het rond. „Pas op" roept hij. „O wee, als ik een van jullie betrap, dan is hij mijn gevangene."

De veroveraars springen over de sloot. Nu moeten de verdedigers zij aan zij-met hun rug naar de slootkant gaan staan en tot tien tellen. Dan kunnen de veroveraars een mooi plaatsje zoeken, om hun sloot weer te veroveren. Een, twéé, drie... tien. De verdedigers draaien zich om, er is niemand te zien. Maar de veroveraars kunnen zich ook prachtig verstoppen achter de struiken en het hoge gras dat langs de sloot groeit. „Jongens, we moeten ons verdelen," zegt Piet. „Er zijn twee planken over de sloot waar ze gemakkelijk over heen kunnen komen, die moeten we goed verdedigen. Henk en Joop, gaan jullie bij de ene loopplank staan dan gaan Bram en ik bij de andere. En jij Mark, jij moet steeds heel de sloot in de gaten houden. En als je gevaar ziet, fluiten hoor, jongens!"

Mark laat zich al op zijn buik zakken, zodat ze hem niet kunnen zien. De anderen sluipen , naar hun loopplank die ze moeten verdedigen. Ze zijn daar nog maar net of achter de struiken, aan de overkant verschijnt het hoofd van Klaas. Al verder rekt Klaas zich uit, maar hij ziet niets. Nou, dan maar wat dichterbij. Eerst kruipt hij een stuk, maar dat valt nog niet mee, 't is geen pretje om over die harde grond te kruipen. Hij krijgt er zere knieën van. Het zal wel goed zijn hoor, hij ziet niemand. Die sukkels zijn zeker in slaap gevallen, hij kan net zo goed gaan lopen.

Als hij .bij de slootkant gekomen is, blijkt hij dicht bij een loopplank te zijn. En nog ziet hij niets. De andere jongens houden zich muisstil. Nog een keer kijkt Klaas goed om zich heen. Maar nee, niemand te zien. Nou, dat is makkelijk denkt hij. Straks ben ik nog het eerst aan de overkant, en dan hoef ik er nog geen moeite voor te doen ook. Zo denkend stapt hij over de loopplank.

Maar als hij bijna aan de over-, kant is, springen de twee verdedigers op, en de ene pakt Klaas aan zijn arm en trekt hem naar de overkant. „Ja, jou hebben we mannetje, dat had je niet gedacht, hè." Beduusd kijkt Klaas hen aan. Hoe kan dat nou. Hij had hen niet eens gezien. Maar Joop en Henk hebben hem al ieder aan een arm vast gepakt en brengen hem naar hun gevangenis, die bestaat uit een klein stuk grond, afgegrensd door vier stokken die de jongens gevonden en daar neergezet hebben. Aan vluchten denkt Klaas niet. Welnee, gevangen is gevangen. Bovendien heeft hij nog een lekkere reep chocola van moeder meegekregen. Dan kan hij die lekker opeten. Hij is het spel bij die gedachte alweer vergeten.

Maar Joop en Henk rennen terug. Er zijn nog drie veroveraars die ze willen vangen. Hoor, daar fluit iemand; gevaar! Nog harder rennen ze. Op hun loopplank ligt helemaal voorover gebogen een veroveraar, en hij is er bijna. Piet en Bram komen ook al aangerend. Joop en Henk komen net op tijd aan, maar daar fluit Mark ook opeens. Ook bij de andere loopplank is een veroveraar aangekomen. Bram en Piet zijn niet op hun post. Onmiddellijk draaien zij zich om en rennen terug. Ondertussen hebben Joop en Henk hun handen vol aan hun veroveraar. Hij laat zich zomaar niet gevangen nemen. „Hoe moet dat nu," fluistert Joop. „Als we hem met zijn tweeën weg moeten brengen, dan is er niemand op onze post, en ér is nog een veroveraar aan de over. kant." „Vlug dan maar," zegt Henk „want ik kan hem alleen echt niet houden."

Dus slepen ze hun gevangene samen mee naar hun gevangenis. Als Piet en Bram bij hun post terugkomen is de andere veroveraar al aan de overkant. Nu moet hij nog naar de boom rennen, pas als hij die aangetikt heeft is hij vrij. O, dat moeten Piet en Bram zien te voorkomen. Ook Mark komt er al aan. Maar ze hebben al langer gehold en ze zijn al een beetje moe. Maar o, het moet. De veroveraar mag hen niet ontsnappen. Bram zet zijn tanden op elkaar, zijn gezicht wordt helemaal rood. Maar net voor de boom, krijgt hij de veroveraar te pakken. „Jammer," zegt Frank de veroveraar met een zucht van vermoeidheid. „Eerlijk is eerlijk, maar ik was er toch bijna, hè. Maar ik ga wel mee, als jullie mij maar diragen."

Dat was een hele slimme zet van Frank. Want ze konden hem niet loslaten. En als ze hem moeten dragen, moeten ze dat met z'n tweeën doen. Zo blijft er maar een verdediger over om dé laatste veroveraar te vangen.

Mark blijft achter. Nu wordt het oppassen. Hij is nu maar alleen om Herman straks te vangen. Hè, hij is best wel moe van al dat rennen. Weet je wat! Hij gaat achter de boom staan die aangetikt moet worden door Herman, wil hij vrij zijn.

Aan de overkant ziet Herman hoe de anderen Frank wegdragen. Hij lacht. Zo, die zijn dom. .Nu kan hij zo maar naar de overkant, er is nu niemand. Maar hij moet wel vlug zijn. Hij zal wel de enige zijn, die zich vrij kan maken. Dat zal mooi zijn. Wacht, hij zal naar de loopplank gaan die het dichtst bij de boom is. Hij zal toch maar goed uitkijken en goed dicht over de grond sluipen. Je weet rhaar nooit, hoe vlug ze hem tegenkomen.

Ziezo, hij heeft de overkant al bereikt. Nu nog naar de boom. De anderen zijn nog een eind weg. Ja hoor, hij zal winnen vanmiddag. Fijn, dan mag hij de volgende keer vast aanvoerder zijn. Al denkend over zijn glorie nadert hij de boom. Maar dan ineens... „Halt" roept Mark en springt bij Herman op zijn rug. En Herman? Herman die dacht gewonnen te hebben wordt woest. Bah, moet Mark hem nu zijn eer afnemen, laat die jongen thuisblijven bij dat lieve zusje van hem. En hij denkt het niet alleen, nee, hij zegt het ook: Akelige jongen, smerige jongen, doe dat bij je zussie op d'r rug springen, doe dat bij die mongool." Maar dan wordt Mark witheet. Wat heeft Marieke hier nu mee te maken; Hun lieve Marieke.

Maar hij laat niet met Marieke spotten. Het is alsof er kringen voor zijn ogen komen. Hij stompt en schopt enslaat Herman overal waar hij hem maar raken kan. Herman huilt van pijn, maar Mark hoort het niet. Hij heeft zelf ook pijn, van binnen, om Marieke.

De andere jongens horen Herrnan echter wel roepen en komen naar hem toe. „Mark, Mark toch," roept Henk. Maar nog hoort Mark het niet. Of wil hij het niet horen? Hij zal, hij zal... Wat? Opeens is het alsof zijn armen en benen niet meer willen. Verdwaasd kijkt hij om zich heen. Wat... heeft hij dit gewild? Hij, Mark van Harsen die altijd geleerd heeft: Gij zult niet doodslaan. O, wat is dat erg.

De andere jongens weten niet wat ze doen moeten. Wat doet Mark raar. Herman trekt zich

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1984

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

i/cxltaaithól^olc

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1984

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken