Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Psalmen van Datheen: miskend en bemind

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Psalmen van Datheen: miskend en bemind

Over psalmberijmers en psalmgezang (3)

7 minuten leestijd

De psalmberijming van Petrus Datheen kan ons niet onbekend zijn. Doch wie is op de hoogte van het feit dat deze reizende prediker in 1563 de Heidelbergse Catechisms in het Nederlands vertaalde en met zijn complete psalmberijming in 1566 de tot op vandaag bestaande liturgische formulieren en gebeden uitgaf? In één band een volledig kerkboek. Zoiets was ongekend, zelfs in die dagen.

De omstreeks 1531 te Vlaanderen geboren Datheen werd als Karmelietermonnik in het jaar 1550 voor de Hervoring gewonnen. Hij verliet het klooster en ging prediken. Wanneer de vervolging toeneemt (er moest met kracht tegen de „ketters" worden opgetreden) neemt hij de wijk naar Londen en voegt zich daar bij de vluchtelingengemeente. Hier leert Datheen de psalmen van Jan Utenhove kennen. Wanneer echter "Maria de Bloedige" de troon bestijgt moeten de ballingen uit Engeland vertrekken.

Ze komen terecht in Emden of andere Duitse steden waar hun vrijheid van godsdienstoefening wordt verleend. In het najaar van 1555 vinden we Datheen in Frankfurt aan de Main. Tijdens zijn ambtsperiode daar ontmoette hij Calvijn (1556). In 1562 vestigt hij zich te Frankenthal, een centrum dat voor Nederland van grote betekenis zou worden. Datheen gaat van hieruit veel op reis. Hij komt in Geneve, waar hij kennisneemt van het kerkelijk leven daar. Diepe indruk maakt op hem de gemeentezang, waarbij een psalmberijming wordt gebruikt van Marot en Beza, met melodieën van Bourgeois en Maïtre Pierre.

Ontijdig
Datheen besluit deze Franse psalmberijming in het Nederlands te vertalen op de bestaande Geneefse melodieën. In 1566 ziet de berijming het licht, waarvan Datheen zelf zegt: „met grooten haast gemaakt en hem schier als een ontijdige geboorte afgedrongen". Hj wilde zijn werk gaarne voor beter geven. Maar dat had geen schijn van kans. Stormenderhand veroverde „Datheen" de harten van het kerkvolk. Alle andere berijmingen moesten in enkele jaren het veld ruimen. De kerkelijke leiding volgde het volk in die keuze. Het Convent van Wezel (1568) verordineerde Datheen in alle kerken van Nederland, „opdat niet door verscheidenheid der vertalingen iets dat minder geschikt is en minder tot opbouwing strekt, storend zou werken". De Acta van Dordrecht (1574) zeggen, „dat men met den Psalmen Datheni mitsgaders t'gunt datter bij is tevreden sal wesen", totdat door de Generale Synode anders besloten zal zijn. Onder voorzitterschap van Datheen besluit deze Synode in 1578 inderdaad niet anders, met uitzondering van de toegevoegde liederen, welke niet aan de Heilige Schrift waren ontleend (!)

Hartetaal
Datheen sprak tot de harten van het volk. Een taal die de mensen verstonden en zelf gebruikten. De berijming werd geloofsbezit van zeer velen. En dat is niet te verklaren uit het feit dat Datheen herhaaldelijk synode-praeses was of uit gunstige voorwaarden voor de verkoop. Al zullen deze facetten ongetwijfeld van enig gewicht zijn. Zelfs de berijming van Marnix van St. Aldegonde (1580), die in dichterlijk opzicht veel beter was en ook zingbaarder, vermocht die van Datheen niet te verdringen.

In Datheens berijming leefde de geloofsworsteling van de vervolgingstijd die het deel was van de vromen. „Het was immers hun psalmboek, dat boek hadden zij met doodsangst soms voor het spiedend oog verborgen, het had hen gesterkt in de ure des gevaars, van welks bladen zij iets van Gods Geest hadden opgevangen" (Kuyper 1869).

„Van weinige boeken toch, hebben ooit zó veel verschillende uitgaven het licht gezien als van de psalmberijming van Datheen", zegt dr. Th. Ruys in zijn proefschrift over Datheen (1919). Tussen 1581 en 1865 telde hij niet minder dan 121 titels van uitgaven. Merkwaardige uitgaven ook. Een psalmboek van Datheen met achterin liederen van Luther en uitgegeven op kosten van de Friese Staten (1574).

Kritiek en spot
Helaas moeten we ook vaststellen dat er geen berijming is geweest die erger miskend is dan die van Petrus Datheen. Kritiek en spot werden haar deel. Vrijwel elke psalmberijmer na Datheen gewaagt in zijn voorrede van bezwaren tegen Datheen, „den erbarmelijken dichter". De een zegt: „De ingelaste stukken ziijn groter dan het laken". Een ander: „Er zijn psalmen onder, waar het derde gedeelte van de tekst niet in is". En wat te denken van de huisopvoeder-predikant uit de Nadere Reformatie, Jacobus Koelman (1679): „Laat de kinderen eenige psalmen van buiten'leren, doch niet m rijm, dewijl de rijm, bijzonder die van Dathenus, den zin veel verduistert, maar zo als zij in de Bijbel staan". Wilhelmus a Brakel (1700): „'t Was te wensen, dat een kunstig en godzalig dichter er zijn werk van maakte, om ze (de psalmen van Datheen) beter en met de grondtekst meer overeenkomende, op dezelfde melodieën, te dichten". Ook Abraham Trommius, Johannes d'Outrein en zelfs vóór hen Jodocus van Lodenstein hebben hun stem tegen Datheens berijming verheven. Vooral door de boeken van Jean Guepin en ds. Andreas Andriessen (rond 1750) werd veel kritiek onder het volk gebracht en algemeen verbreid. Ds. Wilhelmus te Water neemt het weer voor Datheen op.

Oplossing
Eindelijk, in 1572, besluit de overheid een oplossing te zoeken; een niet gemakkelijke opgave, want in ieder gewest en in elke kerkelijke vergadering heeft men zich over een betere berijming beraden en uitgesproken. Datheen bleef sterk, ook na 1773 (waarover in 't vervolg), toen ds. Ledeboer Datheens berijming weer invoerde (1840) en bij de Vereniging van 1907. En nóg wordt Datheen gedrukt én gezongen.

Volgen we nog even Datheen. „Indien ooit het leven van een groot man tragisch geëindigd is, is dit wel met Datheen het geval geweest" (dr. Th. Ruys). Dertig jaar lang was hij een der meest op de voorgrond tredende figuren uit de vaderlandse kerkgeschiedenis van de 16e eeuw. Zijn laatste levensjaren heeft hij als een onbekende in den vreemde gesleten, het beroep van arts uitoefenend. Bijna van allen verlaten, stierf hij in het Oostpruisische stadje Elbing. Er was geen gemeente die hem ten grave droeg. Enkele jaren voor zijn dood werd hij nog door doperse denkbeelden beïnvloed (David Joris). Doch voor een synode-commissie bekende hij te hebben geweifeld, maar verzekerde dat hij tot de laatste ademtocht in het gereformeerd beginsel hoopte te volharden.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1984

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Psalmen van Datheen: miskend en bemind

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1984

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken