Bekijk het origineel

„Zonder stof, zweet en moeite het aardoppervlak met de ogen bewandelen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Zonder stof, zweet en moeite het aardoppervlak met de ogen bewandelen"

Het gemak van een landkaart:

10 minuten leestijd

Cartografie is erg belangrijk. Wie dat niet geloven wil moet zich eens wat meer in de geschiedenis van de kunst van het kaarttekenen verdiepen. Wanneer men zich realiseert dat Columbus zijn vrouw trouwde omdat zij als bruidsschat een fraaie collectie „Portolaankaarten" meekreeg (zoals het verhaal gaat) dan zegt dat toch wel iets...

De wijze waarop kaarten werden opgetekend hing in vroeger tijden vaak af van het persoonlijke oordeel van de cartograaf omtrent de vorm van de aarde. Thales van Milete (640-548 v. Chr.), 'n Griekse wijsgeer en natuurkundige, zag de aarde nog als een cilindervormige massa, dobberend op het water, met uiteraard zijn vaderland in het centrum. Eratosthenes van Alexandrië (275-194 v Chr.) kwam echter al op het verlichte idee dat de aarde een bol moest zijn. Zonder hulp van telescoop en andere precisie-instrumenten wist hij tot op vier kilometer nauwkeurig de omtrek van de aarde te berekenen. Op de wereldkaart van Eratosthenes nam de Middellandse Zee een centrale plaats in, met daaromheen de toen bekende delen van Europa, Azië en Afrika. Eratosthenes ontkende niet het bestaan van meer landen, maar daar was het volgens hem grotendeels te heet of te koud voor menselijk lven. Zoals Eratosthenes zijn voorgangers bekritiseerde, zo werd hij ook zelf onderwerp van kritiek. Ongeveer 75 jaar na zijn dood bestreed Hipparchus van Niceain drie boeken met de niet mis te verstane titel „Tegen Eratosthenes" de opvatting van diens wereldbeeld.

De meeste moeite had Hipparchus met de werkwijze van Eratosthenes, die vaak gebruik had gemaakt van door soldaten en kooplieden verschafte informatie. Dit soort weinig wetenschappelijke inlichtingen kon zijn goedkeuring niet wegdragen.

Rijksbestuur

De Romeinen gebruikten de cartografie ten behoeve van het bestuur van hun rijk. De theoretische kant van dit vak, die de Grieken zo interesseerde, kon hen veel minder boeien. De Romeinse kaarten beperkten zich daarom tot datgene waarvoor men deze het meeste nodig had, namelijk de militaire verbindingswegen, de heerbanen. De Peutingerkaart, zo genoemd naar de Duitse verzamelaar Konrad Peutinger, die de kaart in 1507 verwierf, is een beroemd voorbeeld van een Romeinse wegenkaart. De kaart bestaat uit 11 vellen perkament met een gezamenlijke lengte van meer dan zes meter en een breedte van slechts dertig centimeter.

Ten tijde van de middeleeuwen ging alle kennis die de Grieken en de Romeinen op het gebied van cartografie vergaard hadden, verloren voor de bewoners van West-Europa. Soms zelfs doelbewust. Het opkomende christendom zette zich af tegen de Grieks-Romeinse oudheid. De overlevering van wetenschappelijke kennis uit die tijd was bij voorbaat verdacht.

In de zesde eeuw besteedde de monnik Cosmas Indicopleustus een groot deel van zijn activiteiten aan het schrijven van zijn Topographia Christiana. Een werk waarin hij de Griekse idee dat de aarde rond zou zijn belachelijk maakte. De tekst uit de Bijbel (Ezechiël 5:5) „Alzo zegt de Heere: Dit is Jeruzalem, welke Ik in het midden der heidenen gezet heb, en landen rondom haar henen", bepaalde voor hem het wereldbeeld. Niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk. Jeruzalem was het middelpunt der aarde. Cosmas zag de stad liggen aan een driesprong die werd gevormd door de rivieren de Don en de Nijl en de Middellandse Zee met Hnks van de zee Europa en rechts Afrika. Boven Jeruzalem lag Azië. Dit alles was omgeven door een oceaan, waardoor het geheel nu lijkt alsof een hoofdletter T omsloten wordt door een O. Vandaar ook de naam van deze kaarten: T.O. (of T-in O) kaarten. Ook bijzonderheden uit de Bijbel en de middeleeuwse sagen, alsmede pas gebouwde kastelen en nieuwe steden kregen een plaats op de kaart. Fantasie en werkelijkheid liepen soms door elkaar heen. Voor de praktijk waren deze T.O.-kaarten niet altijd even bruikbaar.

Met het toenemen van de handel en de overzeese contacten ontstond in de dertiende eeuw een nieuw kaarttype: de Portolaankaarten. Het was om deze kaarten dat Columbus zijn bruid aanpaste terwille van de bruidsschat.

Beroemd is een collectie Portolaankaarten uit 1375, de „Catalaanse atlas" genaamd, die een groot deel van de toenmalig bekende wereld omvatte. De kaarten, door Abraham Cresquens van Mallorca getekend op schapevellen, waren bedoeld als vorstelijk relatiegeschenk voor de Franse koning Charles V. Temidden van prachtige versieringen en allerlei fantastische afbeeldingen van koningen, parelvissers en kameelkaravanen, is ook de kust van Holland afgebeeld. Het Marsdiep, 's-Gravenzande, Dordrecht en het latere IJsselmeer zijn vermeld. Ze laten zien dat Holland op het gebied van de zeevaart en handel gaat meetellen en voor de buitenwereld interessant wordt.

Ontdekkingsreizen

Belangrijk voor de ontwikkeling van de cartografie waren de ontdekkingsreizen naar Indië, Afrika en Amerika. Het kaartbeeld werd steeds nauwkeuriger, omdat de zeelieden na iedere zeereis de nieuwe gegevens aan de kaartmakers doorgaven. De uit Vlaanderen • afkomstige predikant, cartograaf en leraar zeevaartkunde Petrus Plancius speelde hierbij een grote rol.

Vanaf de kansel van de Oudezijdskapel in Amsterdam gaf hij onderricht aao de stuurlieden van de Verenigde Oostindische Compagnie, voor wie hij ook de kaarten tekende. Deze nevenactiviteiten van Plancius (hij was tenslotte theoloog) namen hem zo in beslag, dat hij zich niet altijd realiseerde wanneer het zondag was. In plaats van een stichtelijk woord over geestelijke belangen kreeg de verbaasde gemeente dan een verhandeling te horen over de nog te ontdekken rijken der aarde...

Ons land

De cartografische activiteiten in ons land werden meestal verricht door landmeters. Niet altijd betekende dat dat er een kaart tot stand kwam. Vaak ging het om het opmeten van kavels grond ten behoeve van ontginningen en belastingheffingen. De aanstelling van een landmeter was een zaak van de graaf. Uit een hoofdstuk in het rechtsboek van Den Briel uit 1402 blijkt dat aan zijn opleiding wel enige eisen worden gesteld. Hierin wordt namelijk gezegd dat de landmeter „wel gefundeert zal wezen in geometria, dair hij uut zal meten sijn proporciones ende principia". Ook wordt hem nog eens op het hart gedrukt „rechtvaardige instrumenten" te gebruiken.

Van hun activiteiten in Holland voor het jaar 1500 zijn slechts drie kaarten overgeleverd. Een kaart uit 1357, van het grensgebied tussen Holland en Brabant, een uit 1457, van een stuk dijk bij Halfweg en een uit 1472 met als onderwerp de grens tussen Holland en Utrecht. Alle drie de kaarten, handschriftkaarten, zijn gemaakt naar aanleiding van geschillen. Andere vijftiende-eeuwse kaarten zijn geen landmeterskaarten, maar schildersprodukten, waarbij het decoratieve element een belangrijke rol speelde.

Het maken van betrouwbare en nauwkeurige overzichtskaarten van grote gebieden bleek een kunst die voor de middeleeuwse landmeters nog niet was weggelegd. Dat veranderde pas in de zestiende eeuw. Toen werd een nieuwe meetmethode uitgevonden, die zorgde voor een omwenteling op landmeetkundig gebied: de driehoeksmeting. Deze ontdekking werd op verschillende plaatsen gelijktijdig gedaan. De nieuwe meetmethode was bij uitstek geschikt om het vlakke land van Holland in kaart te brengen.

Weinig gehoor

Het systeem van de driehoeksmeting werd in de zeventiende eeuw door Willibrord Snellius vervolmaakt. Hij legde tussen de steden Alkmaar en Bergen op Zoom een driehoeksnet, waardoor de afstand tussen deze plaatsen berekend kon worden. Snellius vond in de Hollandse gewesten echter niet zoveel gehoor. Dit kwam deels omdat hij zijn bevindingen in het Latijn publiceerde. Bovendien had men in Holland meer oog voor de handel dan voor de wetenschap; de verdiensten aan het eerste waren zeker, aan het tweede twijfelachtig.

In het buitenland werden de resultaten van Snellius' arbeid meer gewaardeerd en op hun waarde geschat. Franse cartografen, gestimuleerd door koning Lodewijk XIV paste de methode van Snellius toe, waardoor zij de omtrek van Frankrijk moesten herzien. Op papier werd Frankrijk vele vierkante kilometers kleiner. Toen Lodewijk XIV hun resultaten onder ogen kreeg, riep hij verschrikt uit dat de cartografen hem meer grond hadden gekost dan hij in enige oorlog ooit had verloren.

Fantasie

Een van de beroemdste kaarten van Holland is gemaakt door Balthasar Florisz. van Berkenrode en door Willem Jansz Blaeu in 1621 uitgegeven met een opdracht aan de Staten van Holland en West-Friesland. De kaart munt uit door precisie, hetgeen van veel voorgaande cartografische produkten niet gezegd kon worden. Bijvoorbeeld de kaart van „keizerlijk en koninklijk" geograaf Christiaan's Grooten. Deze cartograaf liet de monding van de Oude Rijn, die sedert de twaalfde eeuw was verzand, weer bij Katwijk in zee stromen. Ook bij de afbeelding van boschages en wateringen ging hij niet altijd natuurgetrouw te werk en liet hij zijn fantasie de vrije loop. Bij een dergelijke werkwijze kan men zich afvragen welke nut zo'n kaart had voor bijvoorbeeld militaire veldtochten.

Proceskaarten

Er werden niet alleen wereldkaarten (mappamundi) gemaakt, maar ook regionale kaarten, overzichtskaarten, polderkaarten, rivierkaarten, zeekaarten enzovoorts. En ook proceskaarten waren gangbaar. Naar aanleiding van een geschil waarbij gebiedsgrenzen van belang waren, werden aparte kaarten vervaardigd van de situatie ter plaatse. Deze proceskaarten hielpen de rechter dan zich een oordeel te vormen en het geschil te beslechten.

Opdrachtgevers voor regionale kaarten waren-meestal-de hoogheemraadschappen. Zij wensten nauwkeurig op de hoogte te zijn van de situatie in hun rechtsgebied en verlangden dan ook steeds nieuwe en exacte metingen. Voor verantwoord onderhoud van de waterstaatwerken, de dijken en het op peil houden van het water waren dit zeker geen onredelijke eisen. Bovendien werd door de bevolkingsgroei in de zeventiende eeuw het platteland van bijvoorbeeld Holland intensiever gebruikt. Veenafgravingen en droogmakerijen veranderden het landschap regelmatig. Het in kaart brengen van deze ontwikkelingen was van groot belang.

Toch waren de kaarten niet alleen bedoeld voor cultuurtechnisch gebruik. Met de toenemende macht van de hoogheemraadschappen in de zeventiende eeuw groeide bij de bestuurders van deze instellingen de behoefte zich duidelijker te presenteren. De kaarten die in de bestuurslokalen een plaats kregen werden vaak versierd met prachtige gekleurde randen waarop titels en familiewapens stonden van dijkgraaf en hoogheemraden. In de hal van het Gemeenlandshuis van Rijnland in Leiden hangen ook nu nog twee grote overzichtskaarten van het gebied van dit hoogheemraadschap. Een indrukwekkend gezicht, zeker ook voor de zeventiende-eeuwse ingeland die hier zijn belasting kwam betalen...

Vertekeningen

Een bekend cartograaf, die de hoogheemraadschappen Delfland, Rijnland en Schieland in kaart bracht was Floris Balthasar van Berckenrode (1562-1616), de vader van de al eerder genoemde Balthasar Florisz. Samen met zijn zoon doorkruiste hij de hoogheemraadschappen. Zijn werkwijze is bekend. Ter plaatse in de ambachten maakte hij kladaantekeningen van de topografische situatie. De lokale bestuurders gaven hem aanwijzingen over het verloop van de grenzen en de benamingen. Als na enige dagen het kladexemplaar gereed was, gaf het ambachtsbestuur een verklaring af, dat de tekening met de ware toestand overeenstemde. Daarop trokken de landmeters weer naar het volgende ambacht. In de wintermaanden, wanneer het veldwerk stil lag, werkte Floris Balthasar thuis, in Delft, verder aan de tekeningen. De afbeeldingen van de afzonderlijke ambachten werden dan tot een grote overzichtskaart gecombineerd, eerst in pentekening en daarna in kopergravure. Deze werkwijze, het in elkaar passen van de schetsen, leidde hier en daar tot vertekeningen. Toch doet dit geen afbreuk aan de regionale overzichtskaarten, die volgens Floris Balthasar „zowel het nuttije als het aangename in zich verenigen. Het nuttige door de vele mogelijkheden van gebruik en het aangename omdat nïen, thuiszittend, zonder zweet, stof en moeite het aardoppervlak met de ogen kan bewandelen..."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 mei 1984

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

„Zonder stof, zweet en moeite het aardoppervlak met de ogen bewandelen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 mei 1984

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken