Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bredero, christen of losbol?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bredero, christen of losbol?

„Amstelredammer" vierhonderd jaar geleden geboren

14 minuten leestijd

Morgen is het precies vierhonderd jaar geleden, dat te Amsterdam de dichter Gerbrand Adriaensz. Bredero geboren werd. De man die op het titelblad van sommige van zijn werken met nadruk "Amstelredammer" heet, wordt dezer dagen met name in de hoofdstad in allerlei manifestaties herdacht. Over de manier waarop dat gebeurt kan men zo zijn gedachten hebben. Maar dat de kleurige figuur die de woorden „Het kan verkeren" tot devies had, het herdenken waard is, dat staat vast. Want hij komt in zijn werk als een groot woord-kunstenaar te voorschijn. Dat niet alleen. Hij is ook, bij al zijnuitbundige artisticiteit, een vroom christen.

Men realiseert zich niet altijd, dat het geboortejaar van de dichter het jaar is van de val van Antwerpen: 1585. De moord op Oranje was nog geen jaar achter de rug. Dat was dus een kritieke tijd in de strijd met Spanje. Bredero's vader moet een overtuigd aanhanger van „de partij van de vrijheid" (om met Hooft te spreken) zijn geweest. Zijn naam dankt hij immers aan het feit, dat hij ,,de Graaf van Brederode" had uitgehangen. En dat zegt genoeg. Graaf Hendrik van Bredeode was immers een Nederlands edelman die resoluut koos voor de hervorming en de opstand tegen Filips II. Men is dan ook algemeen van opvatting, dat de jonge Bredero is opgegroeid in een milieu waarin ,,de nieuwe leer" van de gereformeerden werd beleden.

Dynamiek
Over de geschiedenis van de hervormde gemeente van Amsterdam heeft dr. R. B. Evenhuis een boeiend boek geschreven: Ook dat was Amsterdam. Na de wisseling van de macht in 1578 komt de ondergrondse kerk boven water en in de jaren daarop voltrekt zich in een gestage voortgang haar ontplooiing. Dat christelijke, gereformeerde, milieu kenmerkt zich door een enorme dynamiek. De gemeente van de snel groeiende stad werd geleid door predikanten als Petrus Plancius, de bekende geograaf, een man van grote geleerdheid. Dynamiek zat er in die calvinistische gemeente. Die werke ook door in de cultuur. Ik denk b.v. aan de Psalmvariaties van Sweelinck. Die laten zien, hoezeer de liederen die in de hervormde eredienst werden gezonen, de muziekcultuur stimuleerden. In diezelfde gemeente vol bruisende activieit en groei werd ook een man als Jacob Revius gevormd. Die kwam weliswaar evenals Sweelinck uit Deventer en werd er later dominee, maar in het Amsterdam van Bredero groeide ook hij op. Een dynamische kerk in een dynamische stad - men moet het maar eens bij Evenhuis nalezen!
De jonge Bredero toonde talent voor de schilderkunst. Hij ontving dan ook een dienovereenkomstige opleiding. Maar zijn kunstenaarsaanleg richtte zich toch al spoedig vooral op het schrijven van poëzie. Zo kwam hij in aanraking met de rederijkerskamer ,,De Eglantier" met de zinspreuk ,,In liefde bloeiende". Daar leerde hij mensen kennen als Spiegel, Roemer Visscher en Hooft. Gezien zijn kerkelijke afkomst en ook sociaal-cultureel was dat een enigszins ander mileu, waar men wat meer geneigd was, het accent te leggen op een ondogmatisch christendom. De precisie in leer en leven van de gereformeerden werd er door sommigen minder gewaardeerd. Bredero heeft een zekere invloed van deze kring ondergaan, zonder dat hij er zich geheel aan heeft uitgeleverd. Daarvoor was hij in wezen te zelfstandig.
De beïnvloeding was, zeker in de rijpe jaren van Bredero's kunst, wederkerig, hij ontwikkelde namelijk een eigen stijl, die opviel door een grote directheid en een levendige, nu en dan drastische en altijd beeldende manier van zeggen. Het is niet overdreven om te beweren dat Hooft met zijn blijspel Warenar wilde laten zien, dat ook hij in staat was, de schrijftrant toe te passen waarmee Bredero in die jaren zo'n succes oogstte. De elementaire kracht van Bredero's natuurtalent moet op de Amsterdammers van zijn tijd diepe indruk gemaakt heblen.

Geen miskend genie
Maar de jonge dichter hoorde ook nog tot een andere kring. Op een zeker moment werd hij vaandrig van de Amsterlamse schutterij. Dat was in 1613. Die benoeming wijst erop, dat zijn medeburgers hem oprechte achting toedroegen, zo'n functie werd immers niet aan de erste de beste toebedeeld. Zeker niet - om nu maar duidelijk het thema van deze bijdrage aan te geven - aan iemand die als dronkelap, schuinsmarcheerder of losbol te boek stond. Ook de omgang met de zojuist genoemde letterkundigen bewijst dat Bredero een achtenswaardig mens was. Spiegel bijv. was een uiterst serieuze en moreel hoogstaande figuur. De sporen van zijn ethische denkbeelden zijn in sommige liederen van Bredero gemakkelijk terug te vinden.
Van Bredero's uiterlijk en innerlijk leven weten we eigenlijk weinig af. Een levensbeschrijving van hem laat dan ook altijd veel witte plekken open, plekken die men wel eens wat al te vrijmoedig heeft gevuld met elementen ontleend aan zijn gedichten. Getrouwd is hij nooit geweest. In de jaren na 1610 heeft hij verschillende keren naar de hand van een meisje gedongen. Zo is het wel zeker, dat hij een oprechte liefde heeft gekoesterd voor Maria Tesselschade, de charmante dochter van Roemer Visscher. Ze was negen jaar jonger dan hij. Maar ze heeft hem blijkbaar een teken gegeven dat hij niets te hopen had. Later volgt er nog een nieuwe liefde voor een jonge vrouw, Magdalena Stockmans. Maar die verkiest een ander boven Bredero. Verdrietige ervaringen natuurlijk. Maar we hoeven ze niet per se als tragisch te bestempelen.
De neiging om aan tragiek te denken is in de hand gewerkt door de vroege dood van de dichter. Door een ons niet bekende plotselinge ziekte is Bredero op 23 augustus 1618 op 33-jarige leeftijd gestorven. In de voorafgaande vijf jaar had hij voortdurend van zich doen spreken als toneelschrijver en lieddichter. Zijn talent vond ruime erkenning, onder andere ook bij de geleerden in de universiteitstad Leiden. Bredero is geen miskend genie geweest. De waardering van zijn tijdgenoten moet hem veel gedaan hebben. Maar hij zag er tevens de betrekkelijkheid van in.

Realisme
Veel toneelwerk van Bredero heeft een sterk realistische inslag. Daarin herkennen we de echte schilder, de scherpe observator. Maar we moeten niet denken, dat dit realisme, hoe verregaand soms ook, op één lijn staat met dat van moderne schrijvers als Jan Wolkers. Bij de laatste is er een bewust breken met de christelijke ethiek. Bij Bredero vinden we een heel andere houding. Bredero was christen.
In de voorredes van sommige werken verklaart hij zelf, dat het zijn bedoeling is het kwaad in de mensenwereld te hekelen en de toeschouwers aan te zetten tot een beter leven. Dat is geen „doekje voor het bloeden", zoals men vroeger wel dacht. De morele les in de realistische kunst valt goed te vergelijken met wat we bijv. bij Jan Steen zien gebeuren. Op diens schilderij „Toneel van de wereld" is een bont geheel van mensen afgebeeld die zich met allerlei wereldse zaken bezighouden. Maar op een onopvallend plekje in het beeld zien we een doodskop en een bellen blazend jongetje. Veelzeggende waarschuwing! Heel het aards bedrijf staat onder het teken van Prediker: alles is ijdelheid buiten God.
Zo werkt ook Bredero. Zijn realistische tonelen sluiten de ernst van de christelijke levensbeschouwing niet uit. Moderne heidenen hebben dan ook niet het recht van Bredero een vroege heiden te maken, alsof het christelijke in zijn poëzie alleen maar het gevolg is van een onvrijwillige aanpassing aan de maatschappelijke conventies van toen.

Het oude beeld
Men komt het oude beeld van Bredero als een vrijbuiter altijd nog tegen, al hebben de vakmensen het allang achter zich gelaten. De suggestieve titel van A. M. de Jongs biografie van Bredero, De dolle vaandrig, was geheel misplaatst. Dat beeld berustte vooral op een inmiddels verouderde interpretatie van Bredero's liederen. Die werden voorheen ten onrechte opgevat als de directe verslagen van zijn persoonlijke ervaringen. Natuurlijk zijn er onder de liederen, zowel bij de amoureuze als de „aandachtige" (d.w.z. stichtelijke), heel persoonlijke getuigenissen. Maar het gaat niet aan, elk minnelied als een stukje van de legpuzzel van Bredero's leven te beschouwen.
Het oude beeld: Bredero zwervend door de nachtelijke straten van de stad, smoorverliefd, halfdronken, ontgoocheld. Zo heeft Marsman hem in een gedicht „geportretteerd". De dolle vaandrig, die de drinkkan tussen de tanden neemt en over zijn hoofd smijt. De liederen van berouw en inkeer leken dat beeld alleen maar te bevestigen. De dichter erkende daarin immers hoezeer hij het betreurde dat hij zich aan „Venus en de kroes" te buiten was gegaan.

Wat dat de wereld is,
Dat weet ick al te wis

(God betert) door 't versoecken:
Want ick heb daer verkeert
En meer van haer geleerd
Als van de beste boecken.

Want of ick schoon al las
Het geen soo kunstich was
Als Goddelijck geschreven;
Ten gingh ter ziel, noch sin
Soo Nyver my niet in
Als 'teygen selfs beleven.

Nu heb ick 't al versocht:
Soo dol, als onbedacht,
Soo rauw als onberaden.
Och Godt! ick heb te blind
En al te seer bemind
De dingen die my schaden.

Een hooft vol wind en wijn.
Een hart vol suchts en pijn.
Een lichaem gants vol qualen
Heeft Venus, en de kroes, Of selfs die leyde droes,
My dickwils doen behalen.

(die leyde droes: de lelijke duivel zelf)
Niemand in de kring der specialisten twijfelt er aan of Bredero was een levenslustige, uitbundige, maar tegelijk door en door integere jongeman. Hij was door opvoeding en overtuiging een oprecht christen. Is hij nooit over de schreef gegaan? Dat zou ik niet durven beweren. Maar in de grond was hij een vroom en fijngevoelig man. En die uitingen van berouw dan? Die betekenen niet dat hij in burgerlijke zin een wetteloos leven leidde. Ze laten ons veeleer weten, dat Bredero — men kan zeggen: goed-gereformeerd — weet dat zijn hart voor Gods aangezicht boos en schuldig is.

Bredero gereformeerd
In zijn nieuwe uitgave van Bredero's Boertigh, Amoureus en Aendachtigh Groot Lied-boeck vertoont de befaamde Bredero-kenner Stuiveling mijns inziens al te zeer de neiging om de dichter te herscheppen naar zijn eigen beeld, als een ondogmatisch, ja anti-dogmatisch, humanistisch, nagenoeg onkerkelijk christen. Dit beeld contrasteert dan met dat van de contra-remonstrantse dominees volgens de karikatuur, die sinds Vondels hekeldichten traditie is in de Nederlandse geschiedschrijving. Ik meende dat we daar langzamerhand van af waren. En nu is hier toch weer die voorstelling, waarbij de fanatieke gomaristen, hypocriete farizeeërs vol hoogmoed en eigenwaan, over niets anders weten te spreken dan over hel en predestinatie. Het is het beeld van een benepen, cultuurvijandig calvinisme, dat al het echte leven doodmaakt.
Onbevooroordeelde studie leidt tot een ander beeld. De gereformeerden, hun predikanten niet in de laatste plaats, deden volop aan het culturele leven mee, in wetenschap, letteren en muziek. Ik denk aan mensen als Valerius, Huygens, Cats, Revius en Dullaert. Er zijn er nog heel wat meer te noemen. Zeker, de calvinisten hanteerden ook in de cultuur strikte normen. Maar als die een regulerende functie hadden, dan waren ze toch bepaald niet bestemd om een dynamische cultuur-in-opbloei te stuiten of te knakken. Het is eenvoudig een waanidee, dat het calvinisme als zodanig de dood in de pot betekent voor de ware cultuur.
Krijgt men oog voor het feit, dat gereformeerd christendom en cultuur elkaar niet per definitie uitsluiten en dat in de werkelijkheid van de Gouden Eeuw ook niet hebben gedaan, dan komt er ruimte, veronderstel ik, voor de gedachte dat Bredero's aandachtige liederen de expressie zijn van echt gereformeerde, als men wil hervormde, vroomheid.

Heidelberger Catechismus
Een enkel voorbeeld. De dichter zegt ergens dat de mens in een gestage dood leeft. Voor wie thuis is in de gereformeerde wereld is dat een duidelijke echo van het gebed in het oude doopsformulier. Verder kan men in de bruiloftsgedichten van Bredero zonder moeite de taal van het kerkelijke huwelijksformulier horen doorklinken. Dan is er een aandachtig lied, dat nagenoeg geïnspireerd is door de inhoud en de bewoordingen van de Heidelberger Catechismus in Zondag 10, over Gods vaderlijke voorzienigheid. In de liederen van berouw horen we spreken over het schuldige onvermogen van de mens om zich te bekeren: de Geest moet het doen. Elders laat de dichter zich met diepe eerbied uit over het Woord van God als de taal van de Geest. Voor zijn zonden zoekt hij redding in de gerechtigheid van Christus. Zo is er nog veel meer op te sommen. Het vage Godsgeloof dat Stuiveling overhoudt, herken ik in Bredero's poëzie beslist niet. De dichter is veel orthodoxer dan deze geleerde het doet voorkomen.

Twee werelden
Niet te loochenen valt, dat er een duidelijke tweespalt in het werk van Bredero te onderkennen is. Hij heeft die zelf onderkend. In „Een Sieckens Klaegh- Laydt" (klaaglied van een zieke) betreurt hij zijn vorige leven, waarin hij zijn hart verpand had aan de ijdelheden van de wereld. Ik herhaal: dit duidt niet op een loszinnig leven in burgerlijke zin. Het gaat veel dieper. De dichter is gaan beseffen, dat hij voor het oordeel van God niet bestaan kan. Daarin toont hij zich eens te meer een zoon van de hervorming. Dat berouw over de in ijdelheden verkruiste levenstijd is, samen met vele andere bijbelse gedachten in zijn poëzie, een teken dat we in de dichter Bredero te doen hebben met een man, die geleerd had waar hij terecht kon om vrede met God te vinden.

Aan dachtig lied
(op de wijs van Psalm 5)

Gedenct, mijn siel, uws scheppers
krachtich.
Die al wat is eerst schiep uyt niet
En door zijn woord als noch gebiet.
Troost u in hem, hy sal waerachtich
U sijn gedachtich

Verdraegt u leef, en sytgeduldigh
in kommer-kans oftegenspoet.
Erleght in al wat u ontmoet,
Dat uw sonden menichvuldigh
Noch meer sijn schuldigh.

Mijn ziele, wilt toch Overwegen
De schoonheydt Gods, en 'tgroote goet
Dat hy gestadigh aen u doet,
En hoe ghy sijt (voor danck) daer teghen
Tot quaet genegen.

Ist wonder dan dat Gods goetheden
Haer wenden van u boosheydt af.
En die beloont met straf op straf?
God haet de sonden, en qua zeden,
En dat met reden.

Nochtans al schijnt, dat hy sijn ooren
Voor u verstopt, en dickwils dreyght,
Soo is sijn goetheyt geneyght
Om u gebeden te verhooren
Als tot zijn tooren.

De Heer soeckt u niet te bedroeven
Met ballinghschap, met kruys en noot,
Met ouders of met vrunden doot,
Met achterklap van snoode boeven,
Maer te beproeven.

Draeght gelijckmoedigh al u spoeden.
Want vanden Hemel komt ons af
De bedel-nap, de Conincx staf.
De rijckdom en de arremoede,
Yder ten goede.

Laet my o Heer! niet langer swerven
Met een gemoet dus ongerust.
En geeft mijn ziel geen hooger lust
Als in mijn hert u te verwerven.
En wel te sterven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1985

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Bredero, christen of losbol?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1985

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken