Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Was het wel gelukt, dan hadden we veel mensen kunnen redden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Was het wel gelukt, dan hadden we veel mensen kunnen redden"

Drie overvallen op de Weteringschans bleven zonder succes

15 minuten leestijd

  Op de avond van 31 december 1943 komt een groep verzetsstrijders samen op een bovenhuis in Amsterdam. Terwijl Nederiand oudejaarsavond viert zullen ze een poging ondernemen om de „Toteskandidate" uit de SD-gevangenis aan de Weteringschans te bevrijden. De leiding is in handen van de bekende beeldhouwer en verzetsleider Gerrit-Jan van der Veen. Op het laatste moment wordt de actie afgelast. De zaak is verraden. Vier maanden later komt men weer bijeen, nu met een grotere groep. Ook de Drentse knokploegleider Johannes Post is aanwezig. In het holst van de acht weten de mannen de gevangenis binnen te dringen. Deze keer lijkt het een succes te worden, tot een onverwachte schietpartij abrupt een einde maakt aan de overval. Hals over kop moet iedereen vluchten.  Inmiddels zijn 42 jaren verstreken. Maar deze nacht van verschrikking staat onuitwisbaar gegrift in het geheugen van de Noordhollander Jan Brasser. De meesten kenden hem uitsluitend als Witte Ko. Enkele verzetsstrijders met wie hij zeer nauw samenwerkte wisten z'n werkelijke naam: Jan Brasser. De nazi's maakten verbeten jacht op de commandant van de Gewestelijke Sabotage Afdeling in Noord-Holland. Veel van z'n kameraden sneuvelden bij acties of eindigden hun leven voor het vuurpeleton, maar Witte Ko was ongrijpbaar en overleefde de oorlog.

Zachtaardig

In juni 1946 werden enkele Nederlaners onder wie generaal Winkelman, de opperbevelhebber van de Nederlandse trijdkrachten in 1940 door koningin Wilhelmina onderscheiden met de Bronzen Leeuw. Ook Jan Brasser, voormalig smelter bij de hoogovens, kreeg door hare Majesteit de hoge onderscheiding opgespeld. De bijbehorende oorkonde vermeldt in het kort de verzetsdaden die hij verrichtte en besluit met de woorden: "Aldus bewezen een der beste verzetsleden te zijn, die den strijd tegen den Duitschen overheerscher voerden". Toch is Jan Brasser allerminst de keiharde partizaan die je achter een dergelijke onderscheiding zou verwachten. In z'n woning in Krommenie vertelt deze listige man in sobere bewoordingen over zijn verzetsdaden. Soms onderbreekt hij zijn verhaal en staart korte tijd voor zich uit. Zijn vrouw, die hij in het verzet leerde kennen, zegt glimlachend: „Jan is altijd erg zachtaardig geweest. Hij kan nog geen muis doodmaken". „In die tijd was alles heel anders", antwoordt Brasser peinzend. „Als je Jan Bonekamp met kinderen zag omgaan zei je: „Hoe bestaat het". Dan was hij de zachtmoedigheid zelf. Maar verraders ruimde hij met het grootste gemak op. Als er arrestaties werden verricht ging hij er opaf om uit te zoeken of er Nederlandse verraders in het spel waren. Als dat zo was zocht hij ze op. „Bescherm je mensen", was z'n parool. „ledere dag kan van belang zijn". Bij een van zijn acties schoot hij niet zuiver. Toen heeft een verrader hem in zijn buik geschoten. Hij is niet meer bij kennis geweest. Dezelfde dag is hij gestorven. Verschrikkelijk, 't Was zo'n prachtjongen, die Jan... Mevrouw Braser verlaat de kamer. Even later komt ze terug en zegt moeilijk: „Je vergeet het nooit meer. Al die jongens... ze waren nog zo jong...."

Kunstenaarsverzet

Jan Brasser opereerde niet alleen in Noord-Holland, maar maakte ook deel uit van een mobiele groep die in het hele land werd ingezet. Zodoende raakte hij betrokken bij de overvallen op de SD-gevangenis aan de Amsterdamse Weteringschans. „Via via werd ik benaderd", begint Brasser z'n verhaal. „Met één persoon moest ik oudejaarsavond '43 naar het einde van de Spuistraat komen in verland met een overval op de gevangenis. Samen met Jan Bonekamp ben ik naar Amsterdam gegaan. We zouden de anderen aan het begin- en eindpunt van de zogenaamde blauwe tram ontmoeten. Men beweerde dat in die tram minder gecontroleerd werd dan in de trein. Vandaar dat verzetsmensen meestal de tram pakten. Zelf ging ik als dat mogelijk was het liefst op de fiets.

Op de afgesproken plaats stond al een paar man te wachten. Een van hen stelde zich voor als Frits. Later bleek dat Gerrit-Jan van der Veen te zijn, de man van het kunstenaarsverzet. Die had ook de leiding bij de overval op het Amsterdamse bevolkingsregister in 1943. De kunstenaars waren er vlug bij in het verzet. Gerrit noemde het adres waar we naartoe moesten. Twee verzetsmensen waren goed bekend in Amsterdam, dus zonder problemen kwamen we in de Krayenhoffstraat. Daar hadden mensen hun huis ter beschikking gesteld, zo'n oud volksbuurtwoninkje met van die houten trappen. Zelf vierden ze ergens anders oud en nieuw".

Jaarwisseling

„Met een man of tien brachten we de jaarwisseling in dat huis door. Behalve Gerrit-Jan van der Veen waren er nog meer kunstenaars van de partij. Karel Schippers — die is later doodgeschoten — Johan Limpers, een veelbelovende jonge beeldhouwer Ferry van der Ham en de acteur Karel Pekelharing.

De actie was grotendeels door Gerrit-Jan van der Veen voorbereid. Het plan was om in alle vroegte met een auto van de Wehrmacht naar de gevangenis te rijden. Vijf man zou zich verkleden als Duitser, de anderen waren zogenaamd gevangenen die bij de gevangenis afgeleverd moesten worden. De mensen in uniform moesten de dienstdoende SS'ers overvallen. Dat waren er niet zoveel, want ze rekenden nergens op. De SS'-ers waren er uitsluitend om gevangenen die verhoord werden te vervoeren en te bewaken. Het eigenlijke werk gebeurde door Hollanders.

De Duitse uniformen waren al eerder naar de Krayenhoffstraat gesmokkeld. Een paar weken voor de overval had ik opdracht gekregen om die te bemachtigen. Ik heb me toen in verbinding gesteld met een verzetsstrijdster in Alkmaar, Alie van Berkum. Die werkte in de expeditie van stomerij Simon Krom. Daar werd ook Wehrmachtskleding gereinigd.

Op de afgesproken tijd werden de uniformen op een goed adres in Heilo afgeleverd. Daarvandaan werden ze naar Limmen gebracht. Alie Hollander, een meisje van zo'n zestien jaar uit Limmen, een moedig kind, bracht de hele handel naar Amsterdam. Dat was een gevaarlijke onderneming, want als ze in de trein bagage gecontroleerd hadden was het niet best geweest. Gelukkig is het goed gegaan. In Amsterdam hebben ze distinctieven van de Ordnungspolizei op de uniformen genaaid."

Accu

„De vrachtwagen zou bestuurd worden door twee jongens uit de buurt van Amersfoort die voor de Wehrmacht reden. Ze hadden allebei dienst op 31 december, dus dat kwam goed uit. De wagen stond in een klein loodsje in de buurt van het huis waar we zaten. Toen kwam de eerste tegenslag. De accu's deugden niet. Dezelfde avond moesten ze nog vervangen worden. Een Amsterdamse jongen die er ook bij was, wist gelukkig een goed adres voor een nieuwe accu, dus dat probleem was keurig op tijd verholpen.

Het woord zou gedaan worden door ene Albert, een Rijksduitser. Ik heb gehoord dat hij later doodgeschoten is. Die jongen sprak natuurlijk vloeiend Duits. Het plan zat prima in elkaar. Vier uur was de Sperrtijd om. Dan moest het gebeuren. Met de uniformen was het nog passen en meten. Omdat ik nogal fors ben kreeg ik het grootste uniform met het distinctief van een hoge piet, dus ik had zogenaamd de leiding.

Tegen vieren zei Gerrit-Jan van der Veen: Allemaal klaarmaken. Ik ga de auto halen. We komen zo voorrijden". Een man nam hij mee, een grote jonge vent. Jansma bleek hij na de oorlog te heten. Er ging iemand op de uitkijk staan om te voorkomen dat we de SD tegen zouden komen voor we bij de gevangenis waren. Als er een schietpartij kwam konden we de rest wel vergeten."

„Buiten was het nog aardedonker, binnen trouwens ook. We hadden geen licht aan om niemand te alarmeren. Ineens hoorden we een luid gebonk. Iemand probeerde zo snel mogelijk bij ons te komen en stootte zich voortdurend. Omdat het zo stil was in dat huis klonk het als een aardbeving. Iedereen zat stijf van schrik. Sommigen hadden hun pistool al in de aanslag. Toen kwam die Jansma binnen. „Ogenblikkelijk vluchten! Ogenblikkelijk vluchten! De SD staat bij de auto. Het gaat niet door. Uniformen uittrekken en weggooien. Niets achterlaten, als ze de uniformen hier vinden zijn de bewoners nog niet jarig".

Binnen een paar minuten was iedereen verdwenen. Later hoorde ik dat Gerrit Jan van der Veen op dat loodsje was geklommen en daar was blijven liggen tot de SD vertrok. De chauffeurs namen ze mee. Die jongens wisten gelukkig niets af van de werkelijke plannen. Ze dachten dat ze joodse mensen van de ene kant van de stad naar de andere kant moesten vervoeren. Dat verhaal hebben ze aan de Duitsers verteld. Ze kwamen er nog aardig af. Na enkele maanden werden ze vrijgelaten.

Toen dacht je er niet zo over na, maar nu denk ik weleens: „Hoe wist de SD die auto te staan?" „Dat zal altijd wel een vraagteken blijven." Even zwijgt Brasser en fronst de wenkbrauwen alsof hij met geweld het antwoord wil vinden. Dan vervolgt hij zijn verhaal.

Honden

„De tweede overval was gepland op 1 mei, de dag van de arbeid. Van der Veen had weer de leiding. Ik had een man of drie bij me. Jan Bonekamp was er ook bij. Naast mensen van de Raad van Verzet waren er deze keer mensen van de Knokploeg onder leiding van Johannes Post. Er waren zelfs KP'ers uit Zeeland gekomen. In totaal waren we met zo'n vijfentwintig man. De meesten kende ik niet van naam, zelfs Johannes Post niet. Ik wilde zo weinig mogelijk mensen kennen. Des te minder wist je als je gepakt werd. Te veel weten en te veel praten heeft veel mensen in de oorlog het leven gekost.

We kwamen samen in de Sarphatistraat. Er was afgesproken dat iedereen op verschillende tijden zou komen om nieuwsgierige buren of mensen die niet goed waren, niet te alarmeren. Gerrit-Jan van der Veen zette de plannen nog een keer uitvoerig uiteen. Er was een gevangenisbewaarder benaderd die meespeelde en de poort van de gevangenis zou openen. Daarna zou hij naar een goed adres gebracht worden. Zijn gezin was 's avonds al in veiligheid gebracht.

In de gevangenis zouden we de SS'ers die nachtdienst hadden overrompelen. Boven lagen nog zo'n dertig SS'ers te slapen in een kamer die uitzag op de binnenplaats. Als die wakker werden zaten we als muizen in de val, want er waren automatische wapens op die kamer. Het parool van Gerrit-Jan van der Veen was dan ook: „Als er één schot gelost wordt ogenblikkelijk terugtrekken. Anders zijn we verloren". Er waren ook berichten geweest dat er sinds kort honden in de gevangenis waren. Later werden die berichten weer tegengesproken.

Todeskandidate

„Als de SS'ers overmeesterd waren zou ik het archief doorzoeken om te zien wie van de gevangenen Todeskandidate waren. Die zouden we het eerst bevrijden. Buiten zouden ze opgevangen worden door mensen die ze naar onderduikadressen zouden brengen. Johan Limpers was een van de gevangenen die we wilden bevrijden. Bij het plegen van sabotage was hij gegrepen. Ook Karel Pekelharing was in de tussentijd gepakt.

Daarna zouden we alle andere celdeuren openen. Meestal zat er een man of zes in een cel. Liggen konden ze nauwelijks. Al die gevangenen moesten zo snel mogelijk de benen nemen en maar zien wat ze ervan maakten. Voor zo'n grote groep kon je geen onderduikadressen organiseren.

Meteen na Sperrtijd vertrokken we. In groepjes van drie liepen we naar de Weteringschans. De poort ging volgens afspraak open en de bewaarder werd direct door een van de mannen naar zijn onderduikadres gebracht. Het was zo ver. Sokken over de schoenen en lappen met gaten voor de ogen over het hoofd. Achter elkaar slopen we de binnenplaats over. Als een van de SS'ers boven uit het raam keek waren we verloren, maar het ging goed.

Binnen was het schemerig. In de gang brandden zwakke lampen. Voetje voor voetje schuifelden we verder tot we bij een kruising kwamen. Links zaten de Hollandse bewaarders, rechts de dienstdoende SS'ers."

Ploertendoder

„Ineens ging een deur open en kwam een Hollandse bewaarder neuriënd de hoek om. In het schemerdonker zag hij een troep kerels met lappen voor het gezicht in de gang staan. Onmiddellijk had Jan Bonekamp een pistool onder z'n neus. Jan was iemand van snel reageren. Die man was helemaal van de kook. „Ooh, ooh, ooh", steunde hij voortdurend. En Jan maar fluisteren: „Hou je klep dicht, hou je klep dicht".

Gerrit van der Veen liep voorzichtig verder, z'n pistool in de aanslag. Ik liep achter hem met een ploertendoder, zo'n verend geval. Het voordeel van zo'n ding was dat je iemand geluidloos uit kon schakelen. Voor de ramen van de kamer van die SS'ers hing vitrage. Gerrit tuurde naar binnen, maar er brandde geen licht, dus je zag bijna niks. Je moest het doen met het weinige licht dat uit de gang kwam. Staren, staren, staren. Gerrit-Jan was helemaal geconcentreerd op die kamer, maar ik zag dat voorbij de kruising een deur iets openging. Van binnenuit scheen er wat licht op, dus ik gaf Gerrit een por met m'n ploertendoder. Maar Gerrit had de deurknop van dat SS-lokaal al beet. Hij had iets gezien. Zo voorzichtig mogelijk sloop hij naar binnen. Ik volgde maar. Op een sofa lag een SS'er te maffen. Sluipend ging Gerrit er naar toe."

Hondekop

„Toen werd naast het bureau een kop zichtbaar, een enorme hondekop. Ik gaf Gerrit nog een por, maar het was al te laat. „Waauw", deed het dier. Op hetzelfde moment schoot Gerrit 'm in z'n kop. Achteraf bezien was dat niet wijs, maar we waren natuurlijk gespannen. „Terugtrekken", schreeuwde hij, terwijl hij in het donker nog een paar schoten loste in de richting van die SS'er.

We waren halverwege de gang toen de salvo's losbarstten. Waarschijnlijk werd er geschoten vanuit die kamer waar ik licht had gezien. Ik kreeg een schot in m'n bovenbeen, maar op dat moment merkte ik er niets van. De kogel is door m'n portemonnee van richting veranderd. Verschillende geldstukken waren helemaal gebutst. Zodoende bleef het bij een vleeswond. Meindert van der Horst, die ik alleen als Anton kende, kreeg een kogel boven z'n sleutelbeen. Dat viel gelukkig ook erg mee. Gerrit-Jan van Veen was het ernstigst eraan toe. Hij kreeg een kogel in z'n onderrug en was direct verlamd. Meteen werd hij door een paar anderen opgepakt. Ze hebben hem naar de Spiegelstraat gebracht. Daar wist hij een goed adres.

Verder waren er geen gewonden. Het had heel wat erger kunnen zijn. Waarschijnlijk waren die SS'ers bang. want ze hebben behoorlijk in het plafond seschoten. Onze kleren zaten helemaal onder de kalk. Ze schoten met automatische wapens. Rrrt, achtentwintig patronen.' Als ze zuiver geschoten hadden was het, niet best geweest. Toen we buiten waren kwamen ze ons niet achterna. Dat durfden ze waarschijnlijk niet aan."

Fusillade

„De meesten zijn naar de Sarphatistraat gevlucht, maar ik ben met Meindert van der Horst naar een adres aan de Lijnbaansgracht gegaan. Daar zijn we verbonden en hebben we geslapen. De volgende dag zijn we naar huis gegaan. Het was wéér mislukt.

Deze keer kostte het helaas wél mensenlevens. Gerrit-Jan van der Veen is op z'n onderduikadres gegrepen. Verraden! Tussen z'n kameraden is 'ie gefusilleerde. Johan Limpers en Karel Pekelharing zijn ook doodgeschoten. Die Johan was zo'n fijngevoelige jongen. Z'n moeder heeft na de oorlog een SS'er gesproken die bij de fusillade aanwezig was. Die vertelde dat Johan vroeg of ze Gerrit-Jan van der Veen, die op een draagbaar naar de fusilladeplaats werd gedragen, tussen zich in mochten nemen."Dan hoefde hij geen nekschot te krijgen. Dat verzoek werd toegestaan. Gezamenlijk zijn ze gevallen

Later is een derde overval voorbereid. Via Gerben Wagenaar hoorde ik dat het de bedoeling was om via de woning van een gevangenisbewaarder de gevangenis binnen te dringen. Dat huis behoorde tot het gevangeniscomplex. Die bewaarder was bereid om mee te helpen, dus het schoot lekker op. De overval door de Knokploeg van Johannes Post op 15 juli haalde een streep door de rekening. Zij hadden een Hollandse SS'er in de arm genomen die beterschap had beloofd, maar dat was mis. De derde poging heeft de meeste mensenlevens gekost."

Vragen

„Alle overvallen zijn zodoende een mislukking geworden. Als het wel gelukt was hadden we heel wat mensen kunnen redden. Nu was het omgekeerde het geval. Dat was het risico van sabotage.

Na de oorlog bleven er veel raadsels onopgelost. Waarom waren er ineens honden in de gevangenis? Wie heeft Gerrit van der Veen verraden? Zo zijn er tal van vragen onbeantwoord gebleven, ook met betrekking tot andere verzetsdaden. Het is net of die vragen steeds sterker op je afkomen, naarmate de oorlog langer geleden is. Je neemt het mee tot je dood."

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1985

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

„Was het wel gelukt, dan hadden we veel mensen kunnen redden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1985

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken