Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Legende van Ugchelens gouden kloosterklok

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Legende van Ugchelens gouden kloosterklok

7 minuten leestijd Arcering uitzetten

UGCHELEN — Volgens overlevering moet heel lang geleden in Ugchelen een klooster hebben gestaan met een gouden torenklok. Deze gouden klok zou door de Noormannen worden geroofd, hetgeen de monniken wel wisten te verijdelen maar wat hun echter duur kwam te staan. Het volgende verhaal is door de heer C. J, Hoogland uit Apeldoorn uitgewerkt naar de aantekeningen van overleveringen die hem vroeger werden verteld.

„Het was erg warm die middag op een der laatste dagen van augustus in het jaar 809. Er was geen zuchtje wind. Boven de heide en het moeras hing een ondraaghjke hitte. Zowel mens als dier had, voor zover dit mogelijk was, een plaats in de schaduw gezocht. Behalve de nijvere bijen, die onophoudelijk van bloem tot bloem zoemden om juist nu een rijke honingbuit binnen te halen. Maar toch waren zij het niet alleen die deze ondraaglijke hitte trotseerden en zelfs haastig en gejaagd aan het werk waren. Dat waren ook de bewoners van Ugchelen, een kleine nederzetting, bestaande uit wat armelijke boerenwoningen met rieten daken en een groot en rijk klooster met een gouden klok, gelegen aan de voet van een berg en een uur gaans van de marke Apoldro. De bewoners van Ugchelen waren als bij toverslag uit hun droom gewekt. Het was daar plotseling een gedraaf en gezwoeg. Ze liepen en riepen door elkaar om in allerijl hun schamele bezittingen bijeen te sjouwen en te laden op wagens en karren. Ook de schapen en de enkele magere koeien, welke ze bezaten, werden bijeengedreven. Grijsaards, vrouwen en kinderen, allen hielpen gehaast en klagend mee. Daar'zag men de eersten al met have en goed naar de berg vluchten in de richting van Deelen en de Pampelt (Hoenderloo bestond toen nog niet). Zelfs de monniken uit het klooster, anders onder alle omstandigheden niet uit hun evenwicht te krijgen, waren nu ook zenuwachtig aan het werk. Ze schenen zelfs de gouden klok, de trots van hun klooster, van haar verheven plaats te halen. Wat was toch wel de oorzaak van deze algemene angst en verwarring? Wel, nog geen uur tevoren had een marskramer de rust verstoord met de jobstijding dat de woeste en niets ontziende Noormannen de IJssel waren opgevaren tot aan de rijke handelsstad Daventre. De stad was al geplunderd, en gedeeltelijk platgebrand.' En nu kwam een groot deel van de wilde horde in de richting Ugchelen naar het rijke klooster om de gouden klok te roven. De marskramer was na zijn waarschuwing zelf haastig opgestapt. Dat deed hij anders nooit omdat hij gewoonlijk trachtte een deel van zijn koopwaar in Ugchelen te slijten. Ook het gastvrije klooster ging hij niet gaarne voorbij, want daar wachtte hem altijd een goede maaltijd. En als de dag te ver was verstreken dan overnachtte hij er zelfs, om de volgende dag na een stevig ontbijt weer verder te trekken. Maar nu had de marskramer maar één doel: zo vlug mogelijk weg te komen. En met hem de bevolking en de monniken.

Moeras
Zie daar kwam al een rij kloosterlingen aan, die te zamen een grote balk torsten, waar in het midden inderdaad de gouden torenklok aan hing. Men liep niet snel maar stapte wel regelmatig door en bij elke stap slingerde de klok heen en weer. Soms raakte daardoor de klepel even de klok en dat klonk of de doodsklok luidde over Ugchelen en het klooster. Gingen de kloosterbroeders ook naar Deelen of Pampelt? Nee, omdat ze niet vlug konden opschieten probeerden ze dichter in de nabijheid een veilige schuilplaats voor henzelf en de klok te vinden. Men liep in de richting van het moeras, genaamd „Salamandergat". De bewoners van Ugchelen gunden zich echter geen tijd om daarop te letten. Ze hadden het te druk met zichzelf. Toen de avond was gevallen verkondigde een roze gloed aan de hemel welk lot ook Ugchelen met het klooster hadden ondergaan. Doordat de monniken met hun loodzware vracht niet zo vlug uit de voeten konden komen hadden de Noormannen nog bijna de gouden klok te pakken gekregen. In hun radeloosheid lieten de monniken echter de klok in het moeras verzinken. De woede van de woeste Noormannen steeg daardoor ten top en ze vermoordden alle kloosterlingen. Maar die namen het geheim van de juiste plek waar ze de klok hadden laten zinken, mee in hun ongedolven graven.

Bron: Het eerste kwartaalblad in 1985 van de stichting Regiocontact.

Maar toch waren zij het niet alleen die deze ondraaglijke hitte trotseerden en zelfs haastig en gejaagd aan het werk waren. Dat waren ook de bewoners van Ugchelen, een kleine nederzetting, bestaande uit wat armelijke boerenwoningen met rieten daken en een groot en rijk klooster met een gouden klok, gelegen aan de voet van een berg en een uur gaans van de marke Apoldro.

De bewoners van Ugchelen waren als bij toverslag uit hun droom gewekt. Het was daar plotseling een gedraaf en gezwoeg. Ze liepen en riepen door elkaar om in allerijl hun schamele bezittingen bijeen te sjouwen en te laden op wagens en karren. Ook de schapen en de enkele magere koeien, welke ze bezaten, werden bijeengedreven. Grijsaards, vrouwen en kinderen, allen hielpen gehaast en klagend mee. Daar'zag men de eersten al met have en goed naar de berg vluchten in de richting van Deelen en de Pampelt (Hoenderloo bestond toen nog niet). Zelfs de monniken xiit het klooster, anders onder alle omstandigheden niet uit hun evenwicht te krijgen, waren nu ook zenuwachtig aan het werk. Ze schenen zelfs de gouden klok, de trots van hun klooster, van haar verheven plaats te halen.

Wat was toch wel de oorzaak van deze algemene angst en verwarring? Wel, nog geen uur tevoren had een marskramer de rust verstoord met de jobstijding dat de woeste en niets ontziende Noormannen de IJssel waren opgevaren tot aan de rijke handelsstad Daventre. De stad was al geplunderd, en gedeeltelijk platgebrand.' En nu kwam een groot deel van de wilde horde in de richting Ugchelen naar het rijke klooster om de gouden klok te roven. De'marskramer was na zijn waarschuwing zelf haastig opgestapt.

Dat deed hij anders nooit omdat hij gewoonlijk trachtte een deel van zijn koopwaar in Ugchelen te slijten. Ook het gastvrije klooster ging hij niet gaarne voorbij, want daar wachtte hem altijd een goede maaltijd. En als de dag te ver was verstreken dan overnachtte hij er zelfs, om de volgende dag na een stevig ontbijt weer verder te trekken. Maar nu had de marskramer maar één doel: zo vlug mogelijk weg te komen. En met hem de bevolking en de monniken.

Moeras
"Zie daar kwam al een rij kloosterlingen aan, die te zamen een grote balk torsten, waar in het midden inderdaad de gouden torenklok aan hing. Men liep niet snel maar stapte wel regelmatig door en bij elke stap slingerde de klok heen en weer. Soms raakte daardoor de klepel even de klok en dat klonk of de doodsklok luidde over Ugchelen en het klooster. Gingen de kloosterbroeders ook naar Deelen of Pampelt? Nee, omdat ze niet zo vlug konden opschieten probeerden ze dichter in de nabijheid een veilige schüUplaats voor henzelf en de klok te vinden. Men liep in de richting van het moeras, genaamd „Salamandergat". De bewoners van Ugchelen gunden zich echter geen tijd om daarop te letten. Ze hadden het te druk met zichzelf.

Toen de avond was gevallen verkondigde een roze gloed aan de hemel welk lot ook Ugchelen met het klooster hadden ondergaan. Doordat de monniken met hun loodzware vracht niet zo vlug uit de voeten konden komen hadden de Noormannen nog bijna de gouden klok te pakken gekregen. In hun radeloosheid lieten de monniken echter de klok in het moeras verzinken. De woede van de woeste Noormannen steeg daardoor ten top en ze vermoordden alle kloosterlingen. Maar die namen het geheim van de juiste plek waar ze de klok hadden laten zinken, mee in hun ongedolven graven.

Bron: Het eerste kwartaalblad in 1985 van de stichting Regiocontact.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 26 juni 1985

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

Legende van Ugchelens gouden kloosterklok

Bekijk de hele uitgave van woensdag 26 juni 1985

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's