Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Rijke historie Katwijkse klederdracht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Rijke historie Katwijkse klederdracht

in de regio

7 minuten leestijd

KATWIJK — „Er waseens... een vissersbevolkingmet een eigen kleding, gepaardgaand met eigen zedenen gewoonten". Volgt nu eensprookje of is dit de werkelijkheid?Het is bekend datveel dorpen iii menig opzicht hun eigen cachet (is kenmerkvan beschaving) hebbenvoor wat betreft kleding,zeden, gewoonten, leefwijzenen dialect. Dit geldt in bijzonderemate voor het vissersdorpKatwijk aan Zee. In vergelijkingmet de naburigedorpen als Valkenburg enRijnsburg heeft Katwijk altijdals een „buitenbeentje"bekendgestaan betreffendede mentaliteit, spraak, maarzeker ook de klederdracht.

  Uit tekeningen en schilderijen blijkt dat in Katwijk al in de 17e eeuw een vorm van klederdracht aanwezig was; duidelijke gegevens hieromtrent vinden we pas in de 18e eeuw. 
  Het tijdstip van de verdwijning van de Katwijkse klederdracht is echter zeer nabij. Dit kwam ook al naar voren in gesprek met de kosters Van der Plas sr. en jr. van de Nieuwe Kerk: slechts één vrouw gaat elke zondag nog in klederdracht naar de kerk. Onze (voor)ouders - die een tachtig jaar geleden leefden - zouden verbaasd opzien en meewarig het hoofd schudden bij het zien van de tegenwoordige kleding en het schoeisel. 

Ingebakerd
  In het boekje „Katwijks Volksleven", samengesteld door de commissie van

volkskunde van de vereniging „Oud Leiden", geeft de heer Nic. van Beelen

een uitvoerige beschrijving van de klederdrachten van Katwijk aan Zee.

  Vanaf de wieg tot het einde van het leven werd de Katwijkse dracht gedragen. In de wieg werd het pasgeboren kind stijf ingebakerd, zodat het nauwelijks de armpjes en beentjes kon bewegen. Bij de doopplechtigheid droeg het ingebakerde kindje een wit zijden hesje met op het hoofd een katoenen ondermutsje en een kapertje (betekent kindermuts) met wit zijden lintjes. De dopeling werd bij de kerkgang meestal door de baker gedragen onder een smetteloos witte doopdeken, welke versierd was met franje. De doopdeken van de baby waarvan de vader of moeder was overleden, was van zwarte kleur, terwijl aan het mutsje zwarte

lintjes waren bevestigd.
  Als de kinderen konden lopen, werden de voeten in gewitte klompjes gestoken. Elke zaterdagmiddag werden de klompen met witsel gewit.


Mannen
  
Schoolgaande jongens droegen een buisje, een plat zwart petje met oogklep, een zwarte broek en kousen en natuurlijk witte klompen. Na het verlaten van de school, als ze op 10 a 11-jarige leeftijd gingen varen, werd een „frok" - een zwarte of donkerblauwe trui - gedragen, 's Zondags zag men deze jongens lopen in een zwartlakense broek en fluwelen pantoffels met leren neuzen.
  
Op oudere leeftijd veranderde deze kleding in een zwart „keesjak" met korte mouwen met daaronder een hemdrok met lange goudkleurige mouwen. De mouwen van dit hemdrok waren aan het eind omboord met rood koord  en voorzien van twee zilveren knoppen. De klepbroek, die de mannen door de week droegen, was gemaakt van zwart bombazijn (is zware katoenen stof). Op zondag liepen ze met een klepbroek, die gemaakt was van gestreept kamgaren of zwart laken. De kwaliteit van deze broeken was zo degelijk, dat slechts zelden een tweede broek behoefde te worden aangeschaft.
  Verder had de visser een platte zeemanspet op zijn hoofd. Vermeldenswaardig is, dat de meeste vissers kleine gouden oorringen - ook wel zilveren - droegen, die gemonteerd werden met een ankertje. Zeelieden in ruste bedekten hun hoofd veelal dagelijks met een hoge hoed.

Hoofdijzer
  De hoofdbedekking van de Katwijkse vrouw was rijk aan versierselen. Deze bestond uit een zilveren of zelfs gouden kap (hoofdijzer of beugel) met de gouden boeken en parelspelden en een 4 of 5-snoerige halsketting van granaatkralen. De meeste vrouwen droegen er gouden oorbellen bij. Het gouden slot van de halsketting, de boeken en de oorbellen waren opgebouwd uit fraai cantillewerk (fijn draadwerk).
  
Deze sieraden werden echter alleen op de zondag gedragen en werden door het meisje zelf opgespaard. Op ongeveer 15-jarige leeftijd begon ze hiermee. Was het meisje zuinig en spaarde ze ijverig, dan werd het hoofdijzer met de versierselen bij het afleggen van de geloofsbelijdenis voor het eerst gedragen. Ze was dan ongeveer 20 jaar oud.
  
Over het hoofdijzer werd een muts van Brusselse kant gedragen. Eronder bevond zich een zwarte ondermuts, die onder de haarknot door middel van bandjes werd vast geregen. Het haar droeg men met de scheiding in het midden.
  
De vissersvrouwen droegen een kleinere muts alleen over het zilver. De meer gegoeden - reders vrouwen, kapiteinsvrouwen - hadden meestal een massief gouden oorijzer op het hoofd met daarover een lange op de schouders hangende muts van Brussels kant en daarop een zwart hoedje, het zogenaamde kepoetje. De halskettingen van deze vrouwen hadden een veel grotere omvang dan die van de vissersvrouwen.
  
De witte muts was aan de voorzijde geknepen (geplisseerd). Door dit geknepen gedeelte werd een rijgdraadje van wit garen getrokken. Het plisseren geschiedde door middel van een koperen knijpertje of een gegroefd houten plankje met rolletje.

Kleurrijk
  
De kleding van de Katwijkse vrouwen was zeer kleurrijk. De jakken (bestaande uit een boven- en onderstuk) waren van felgetinte kleuren: parelgrijs, hemelsblauw, donkerblauw, bordeaux-rood, bruin, paars en lila. In de winter werd een fraaie schoudermantel met een van achteren opstaand kraagje over het jak gedragen. Deze schoudermantel was van een andere kleur dan jak en rok.
  
Om netter gekleed en met zwieriger gang over de „wurft" (boulevard) te gaan droegen de vrouwen vier of vijf onderrokken. De vrouwen en oudere meisjes, die bij het visopzetten - het sorteren van de aangevoerde vis op het strand en het in manden bergen daarvan - bezig waren op het strand, droegen bovendien een „wagt". Dit is een rok van zeer zware donkere stof, welke diende om bij harde wind het opwaaien van de kleren te voorkomen. In de laatste periode van de klederdracht werden de kleurrijke kledingstukken steeds meer vervangen door zwart.

Rouw
  
Bij rouw bleef de kleur achterwege. Men rouwde voor ouders, broers of zusters zes jaar; drie jaar zware rouw (zwarte kleding) en drie jaar lichte (donkergrijs). Voor een overleden grootouder werd één jaar licht gerouwd.
  
Bij rouw werd geen oorijzer gedragen, en gouden versierselen werden door zilveren vervangen. Het kwam voor dat een vrouw na het overlijden van haar man nooit meer het gouden oorijzer droeg maar wel het zilveren als teken van nagedachtenis aan de overledene.

  Mannen en jongens van wie de kleding toch al zwart was, droegen bij rouw een zwart rozetje met een knopje aan de linkerkant van de pet. Tevens werden de gouden oorringen door zilveren vervangen. De mate van rouw kwam bij de vrouwen ook tot uitdrukking in de soort stof van de muts. Bij zware rouw werd de kanten muts vervangen door één van batist, een zware stof. Men zei dan wel: „Ze het een dikke muts op". Bij minder zware rouw droeg men een muts van kamerdoekse stof en bij lichte rouw een muts van tule. 
  
Bij een ongeval op zee, als iemand was „gebleven", ging de weduwe na drie weken „de rouw in de kerk brengen", met als hoofdbedekking een gevlochten strooien hoed, zoals de visvrouwen droegen. Deze hoed was aan de randen met zwarte zijde omboord en geflankeerd met brede zwarte linten. Het kerkboek werd omwonden met een gladde zwarte stof, en men gebruikte witte zakdoeken met zwarte randen.

Er was eens...
    Al deze glorie behoort tot het verleden. Bijna al dit schone, dit karakteristieke is verdwenen. Wat nu nog over is, blijft beperkt tot het oorijzer met de versierselen - zonder de halsketting - en de muts nog door één vrouw gedragen! Slechts de ouderen onder ons herinneren zich nog het gulden tijdperk van de rijke klederdracht, herinneren zich een kerkgang van vroeger, waarbij allen in dracht waren. Zo'n kerkgang was prachtig en waardig; in de kerk nog bezaaid met witte mutsen.
  
Helaas moeten we nu zeggen: „Er was een..." „Er is nu": kleding - zeer mode-afhankelijk - welke met de pracht van vroeger in de verste verte niet kan worden vergeleken.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1985

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Rijke historie Katwijkse klederdracht

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1985

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken