Bekijk het origineel

Dingeman van der Stoep commentator van zijn tijd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dingeman van der Stoep commentator van zijn tijd

Binnenkort nieuwe roman op de literaire markt

14 minuten leestijd

,,Deez' man, die zoveel goeds presteren kan. Dat is geen woordman, maar een Dinge-man" schreef Fedde Schurer op 1 augustus 1958 aan het slot van een kort gedichtje ter ere van Dingeman van der Stoep. Inderdaad heeft Van der Stoep veel gedaan in zijn leven, veel gepresteerd en, naar ik aanneem, ook veel goeds gepresteerd. Eveneens is hij geen woord-man geweest in de vaak gebruikte betekenis van die uitdrukking. Hij heeft zijn leven niet gewijd aan het eigenlijke schrijverschap zoals Vestdijk heeft gedaan. Van der Stoep moest zich inderdaad met veel „dingen" bezighouden, maar deze „dingen" hadden — en dat maakt Schurers constatering wat minder absoluut — toch wel erg veel met „woorden" te maken.

Dingeman van der Stoep werd op 17 september 1906 geboren te Berkel en Rodenrijs als oudste zoon van een tuindersechtpaar. Later verhuisde het gezin naar het naburige Pijnacker. Van hieruit bezocht hij na de lagere school het Marnix-gymnasium te Rotterdam. Hij heeft de studie aan deze school niet afgemaakt. Na drie jaar gymnasium, werd hij volontair op een drukkerij te Schiedam. Dat was zijn eerste kennismaking met de „woorden".
In 1926 — Van der Stoep was toen dus 20 jaar — kwam hij in aanraking met een andere manier van „woord"-leven, de journalistiek. Hij werd verbonden aan de Nieuwe Leidsche Courant, één van de (latere) Kwartetbladen voor de fusie met Trouw tot stand kwam. De Nieuwe Leidsche Courant was een der eerste kranten die door de Duitsers verboden werd. Dat was in 1942. Van der Stoep verhuisde daarna naar Baarn, waar hij op een derde manier in aanraking kwam met de „woorden", als redacteur bij de Uitgeverij Bosch en Keuning. Tot aan zijn pensionering in 1971 is hij aan dit uitgeversbedrijf verbonden gebleven, aanvankelijk als redacteur, daarna als adjunct-directeur en ten slotte als directeur. In de drukke jaren van het directeurschap kwam er van het schrijven weinig meer, op een handvol cursiefjes na in het nu niet meer bestaande blad „De Uitgever", een enkele bloemlezing en een gedichtenbundel. Hij was nu met recht een „dingen"-man. Dit verklaart het opvallende zwijgen wat fictief proza betreft tussen de jaren 1953 (Ten derde male August en Alida) en 1980 toen Voeten in de aarde verscheen.

Plaatsaanduiding
Van der Stoep heeft ook op het terrein van de zuiver literaire activiteiten al van meet af het karakter van een „dingen"-man vertoond, getuige zijn plaats in de min of meer bloeiende Christelijke Auteurskring in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog en zijn redacteurschap voor De Werkplaats, een christelijke periodiek voor literatuur die enige jaren naast het bekendere tijdschrift Opwaartsche Wegen bestond.
Na de oorlog vormde hij met C. Rijnsdorp en P. J. Risseeuw het driemanschap dat het letterkundig en algemeen-cultureel maandblad Ontmoeting uitgaf. Dit blad heeft tot 1964 mede het gezicht bepaald van de naoorlogse christelijke literatuur. De presentatie hiervan werd overigens — althans zeker in Ontmoeting — steeds aarzelender, omdat men het had afgeleerd een aantal christelijke vooronderstellingen al te gemakkelijk voor de literatuur en de kunst in het algemeen te gebruiken. Deze opstelling past zeker goed bij Van der Stoep, zoals we zullen constateren wanneer we de ontwikkeling in zijn werk nagaan.

In vogelvlucht
Zijn eigenlijke debuut maakte Van der Stoep in 1933 met het kinderboek Een avontuur in de polder gevolgd door Jan Vermeer, in 1935 dat eveneens voor de jeugd was geschreven. In 1937 volgt dan zijn eerste roman Zijn dat uw kinderen? De vooroorlogse periode werd afgesloten met een tweede roman Laterveer wil het rechte weten (1939). Vanaf Daatje en ik, dat in 1941 verscheen, verandert zijn werk van karakter. Daatje en ik is moeilijk een roman in de eigenlijke zin van het woord te noemen. Het boek is voortgekomen uit een aantal cursiefjes die Van der Stoep als „Brieven van mijnheer De Man" in „De Rotterdammer" schreef. Dat cursiefjes-karakter heeft het ook bewaard. Hetzelfde geldt voor het in 1950 verschenen Charlientje en ik voor de August en Alida-trilogie, 1951 tot 1953 uitkwam.
Mede door de humoristische wijze van schrijven doen deze boeken aan de bundels van Carmiggelt denken, al is er dit verschil dat bij Van der Stoep er steeds een verhaaldraad te ontdekken valt, terwijl bij Carmiggelt de verhaaltjes meestal los van elkaar staan. Na de lange periode van het „literaire zwijgen" komt dan in 1980 het boek Voeten in de aarde, dat getypeerd kan worden als gerijpt werk uit de ouderdom, waarin hij voor het eerst zijn jeugdherinneringen geeft.
Ter gelegenheid van zijn pensionering werd in 1971 als een soort afscheidsgroet de bundel Lachen tegen 't duimpje uitgegeven, waarin zich „een verzameling artikelen, fragmenten, citaten, cursiefjes, rijmpjes en korte verhalen" bevindt. Op verzoek van Bosch en Keuning en de hiermee samenwerkende uitgeverijen heeft Dingeman van der Stoep dit boekje zelf samengesteld uit zijn verspreide publicistisch werk. Het is erg jammer dat juist dit boekje niet in de handel is. Het geheel is namelijk een uitstekend portret geworden van iemand die zijn bescheiden maar eigen plaats in de literatuur heeft ingenomen en dat nog doet.

Najaarsaanbieding
Deze thans 79-jarige auteur is namelijk nóg niet uitgeschreven. Toen ik hem enkele jaren geleden bezocht ter voorbereiding van een artikel over hem, vertelde hij me dat hij na Voeten in de aarde nog met iets begonnen was, al had hij zijn twijfels of het iets worden zou. Dat laatste is echter het geval, want in de najaarsaanbieding van uitgeverij Kok wordt onder het kopje „Literatuur" een nieuw verhaal aangekondigd van Dingeman van der Stoep onder de titel De dader ligt op Meerzijn. Het is nog niet verschenen, maar wél reeds in het stadium van de drukproeven.

Aankondigingen in reclamemateriaal moeten vaak met enkele korrels zout genomen worden. Volgens de tekstschrijver heeft Van der Stoep een verhaal geschreven waarin hij het tijdsbeeld rond 1880 — er staat abusievelijk 1900 — treffend weet op te roepen. „In een aantal intermezzo's laat de auteur bovendien veel moderne verschijnselen en nieuwerwetse opvattingen de revue passeren op een onnavolgbare wijze". De auteur doet dat bovendien „vol humor en eigentijdse spitsvondigheden".

Ik ben zo vrij geweest deze uitspraken op hun betrouwbaarheid te toetsen door de drukproeven op te vragen en het verhaal te lezen. Welnu, de reclametekst berust grotendeels op waarheid! Het is verrassend te merken dat deze auteur in zijn ouderdom zulk kwalitatief sterk werk levert. Daarbij zou ik er voor willen pleiten om het woord humor in te ruilen voor ironie en vaak ook sarcasme. Inderdaad, in Daatje en ik en in de August en Alida-boeken overheerste een milde, relativerende humor. In Voeten in de aarde is deze toon echter veranderd in ernst, zeker in die gedeelten waar de hoofdfiguur opbotst tegen de raadselachtige realiteiten van het leven — met God allesbeheersend op de achtergrond — en de sfeer wordt zelfs wat bijterig, daar waar de gereformeerde dogmatiek volgens de verteller al te gemakkelijke en stellige antwoorden geeft.
In De dader ligt op Meerzijn blijft wel het relativerende karakter bewaard dat zo kenmerkend is voor Van der Stoeps schrijven, maar vaak wordt de ergernis om moderne situaties en gebeurtenissen zó groot daf de roman een ironisch en sarcastisch commentaar op de eigen tijd genoemd kan worden.

Bekend procédé
Van der Stoep bereikt dit door een bekend procédé toe te passen. Hij creëert namelijk een ik-figuur, de wijnhandelaar-in-ruste Lukas Visserman, die een aantal schriften bewaart van zijn grootvader, de predikant Lukas Visserman, uit welke papieren diens levensverhaal gereconstrueerd kan worden. Overigens betreft dat alleen de wijze waarop grootvader Lukas aan zijn vrouw Annabetje kwam. Met deze vertelling wordt de basis gelegd waarop het gehele verhaal berust.
Het komt in het kort hierop neer dat ds. Lukas Visserman als vrijgezel in zijn eerste gemeente Keldrichem komt en daar al spoedig de wenk krijgt een vrouw te zoeken. Dat zou wel lukken als Annabetje Kraayevanger, dochter van de plaatselijke herbergier, al niet was uitgekozen door niet minder dan twee aanbidders, nl. Jozef Speeltjens en Pieter Abroda, twee onafscheidelijke vrienden. Deze gaan een weddenschap aan over het tijdstip waarop de klok in de kerktoren (die door brand verwoest was) naar beneden zal vallen. Het pikante is dat ze aan deze transactie ook het toekomstig lot van Annabetje willen verbinden. Valt de klok vóór een bepaalde datum, dan zal zij voor Pieter zijn; valt ze daarna, dan wordt zij Jozefs bruid. De koster Krijn Klompertje laat het echter niet zover komen, want op het meest „neutrale" moment, tussen de vijfde en zesde slag van tien uur op de bewuste dag, laat hij de klok naar beneden komen. Beide minnaars zijn daarover erg verheugd, waarover Annabetje op haar beurt begrijpelijkerwijze zeer beledigd is. De weg is nu vrij voor dominee Lukas. Zijn koster is hem onbedoeld buitengewoon ter wille geweest.
Toen veel later Krijn stierf, stond ds. Visserman erop, hoewel reeds lang in een andere gemeente, om hem te begraven. Aan het einde van het verhaal bezoekt kleinzoon Lukas (de ik-figuur dus) met zijn vrouw Nelia nog eenmaal het graf van Klompertje op de begraafplaats Meerzijn, waarbij hij er — nu pas — achter komt dat zijn grootvader via de grafsteen aan de bevolking van Keldrichem wilde duidelijk maken dat zijn vroegere koster de eigenlijke veroorzaker was geweest van het zogenaamde „klokkewonder van Keldrichem". De titel van het verhaal. De dader ligt op Meerzijn, zal nu wel duidelijk zijn.

Evenwichtig verspreid
Van der Stoep heeft, gelukkig, aan deze op zichzelf kostelijk vertelde gebeurtenissen niet genoeg gehad om er zijn roman op te baseren. Daarom neemt deze basisvertelling slechts 13 van de 36 (korte) hoofdstukken in beslag, die op een zeer evenwichtige wijze over het gehele boek verspreid zijn. Daartussen is er steeds het commentaar van de ik-figuur Lukas Visserman op eigentijdse toestanden en waar nodig zijn ook de jeugdherinneringen van de rentenierende Lukas in het geheel verwerkt. Het is duidelijk dat Lukas Visserman en Dingeman van der Stoep nagenoeg samenvallen als commentator van de huidige situatie en misschien ook wel wat hun herinneringen aan vroeger betreft.

Het knappe van het verhaal is nu dat het hierdoor ten minste drie tijdlagen te zien geeft: die van omstreeks 1880, 1930 en 1980, zonder dat het verhaal als geheel in drieën breekt. De dagboeken overschrijvende, zich herinnerende en commentariërende ik-figuur verbindt de verschillende verhaal- en tijdlagen met elkaar en schept daardoor tevens een door de lezer als natuurlijk geaccepteerde eenheid.

Het is duidelijk dat de eerste en tweede verhaallaag bedoeld zijn als contrast met de huidige situatie. Lukas Visserman vertelt bijvoorbeeld hoe hij (per brief!) zijn Nelia veroverde, dat hij haar eenmaal per 14 dagen mocht bezoeken, dat ze een klinkend verlovingsfeest hielden en, met de nodige spanningen overigens, niet te ver gingen vóór de huwelijksdag. En van Lukas' vader, Matthijs Visserman, vernemen we hoeveel hij van zijn vrouw Berendientje gehouden heeft en hoe ontredderd hij was toen zij hem ontviel. Trouwens, Lukas Visserman vertrouwt ons toe, dat hij en Nelia nooit een gezelliger tijd gekend hebben dan toen ze beiden rond de vijftig waren en hun huis bevolkt was met groot geworden kinderen die hun vrienden en vriendinnen meebrachten; toen ze met elkaar christelijke liederen zongen, spelletjes deden en plannen maakten, op deze wijze hun gezelligheid zoekend en vindend in het „gewone" gezinsleven.
Daar stelt Lukas de huidige situatie en mentaliteit tegenover. Dat doet hij door onder andere zijn kinderen en kleinkinderen als mensen te typeren aan wie het moderne denken niet is voorbijgegaan. Door juist ook zijn eigen nageslacht erbij te betrekken wordt het al te moralistische dat een dergelijke tegenstelling kan oproepen, weggenomen. De kritiek wordt hierdoor enerzijds op zijn eigen opvoedend bezigzijn gericht, anderzijds ontstaat nu ook gemakkelijk de gelaten houding van „het is nu eenmaal niet anders".
Maar juist deze schijnbaar neutrale en passieve houding tegenover de hem omringende verschijnselen maakt een niets verhullende waarneming mogelijk, die daardoor als uitermate schokkend kan worden ervaren.

Aan de kaak
Ik denk bijvoorbeeld aan de wijze waarop commentator Lukas de moderne seksuele moraal aan de kaak stelt. Hij heeft zojuist verteld hoe enkele krakers hem het ziekenhuis hebben ingewerkt door hem van de trap te gooien in een huis dat het rechtmatig eigendom was van de wijnfirma. Ze wilden zo graag bij elkaar wonen, vertelden ze toen ze onhandig hun excuses kwamen maken, en ze konden dat ook doen door „een van de grootste verworvenheden van deze eeuw: de pil". Hij vervolgt dan: „Vroeger had men het idee, sterker, geloofde men, dat de conceptie iets met het believen Gods te maken had. Lees er de vroegere geboortekaartjes maar op na. De dingen kunnen nu geregeld naar eigen believen of behagen. Tegen het ongemak van het kinderen krijgen, dat aan de seksuele omgang kleeft, hebben we, na het geknoei met condoom en spiraaltje, nu de pil (binnenkort ook onderhuids aan te brengen) en tegen de vervelende omstandigheid geen kinderen te kunnen krijgen als we ze graag willen, hebben we de k.i. met het donorschap en nog een paar mogelijkheden en hoopvolle ontwikkelingen tot en met de reageerbuisbaby. Materieel behoeven we ons ook geen zorgen te maken. Het zit of komt allemaal in het ziekenfondspakket. Zo kan de seksuele toenadering van de mensen tot elkaar gemakkelijker worden, de sleur doorbroken, de spijs veranderd terwille van de eetlust, de emancipatie van de vrouw bevorderd, de mensheid gelukkiger gemaakt, zoals we overal rondom ons zien gebeuren. De harmonie der sexen straalt ons allerwegen tegemoet.
Een citaat als dit toont duidelijk aan, dat Van der Stoep zijn gave om helder, puntig, spits en scherp te formuleren, niet verloren heeft. Het maakt ook duidelijk dat ironie en bijtende spot soms dicht bij elkaar liggen.
Overigens bekent Lukas even later dat zijn kleindochter Katrien nog steeds met haar Treurniet hokt en dat zijn kleinzoon „die dankzij een afschuwelijk hoog IQ reeds op zijn negentiende de Amsterdamse Universiteit betrad", en na een halfjaar zijn studie Politicologie al op een laag pitje zette „om het kraakpand dat hij met anderen bewoont in staat van verdediging te brengen tegen geplande aanvallen van kapitalistische horden". Deze beide kleinkinderen hebben Lukas Visserman jr. en Emma als ouders, die echter sinds kort gescheiden zijn. „Ik kreeg het flink te pakken en Emma en ik waren een beetje op elkaar uitgekeken. En op een gegeven moment is het dan nu of nooit", vertelt zoon Lukas. „En natuurlijk is het dan altijd nu en nooit nooit", merkte ik nog op, maar verder deed ik er het zwijgen toe".

Overigens geldt dat zwijgen maar voor korte tijd, want Lukas kan het niet laten zijn mening te geven over datgene wat hem mateloos ergert. Daarbij behoort beslist ook het modieuze linkse gedoe, in de politiek uiteraard, maar ook in de vakbeweging en in de pers.
Een citaat dat er niet om liegt: „En nu moeten we van de wereldraad van kerken en van Mient Jan Faber op onze tenen lopen en zachtjes praten om de Russen niet boos te maken. De Russen zijn vriendelijke en aardige mensen (hoe komen we toch aan dat vijandbeeld?) als ze maar niet nijdig worden, want dan zijn ze tot de smerigste dingen in staat. En wie wil nu dat de Russen de smerigste dingen gaan doen. Daarom zijn we ook tegen het plaatsen van kruisvluchtwapens. Ze zouden daar ontzettend boos over worden, weglopen van de onderhandelingstafels, dwangneurotisch joodje en kerkje gaan pesten en geen kerstkaarten meer versturen. Het spel met hen is net boter, kaas en eieren. Zij hebben de kruisjes en wij de rondjes, maar zij hebben alle vakjes al met kruisjes ingevuld, allemaal rijtjes van drie kruisjes (koppen). Wat willen wij dan nog met die rondjes. We kunnen maar het beste onze frustraties af blijven reageren op de twee boosaardige machten van deze wereld: Reagan en Zuid-Afrika. Dit land mag wat ons betreft economisch en politiek te gronde gericht worden om, daarna, herrezen uit zijn as, verlost van blanke inmenging, aan een gelukkige toekomst in vrede, vrijheid en welzijn te gaan werken, zoals men in Afrika, in de gedekoloniseerde landen allerwege ziet gebeuren. En Reagan, die er niet voor terugdeinsde Grenada binnen te vallen — dat is nog iets anders dan de

Zie verder pag. 4

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1986

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Dingeman van der Stoep commentator van zijn tijd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1986

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken