Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

UIT DE KERKELIJKE PERS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

UIT DE KERKELIJKE PERS

11 minuten leestijd

De reformatie

De „Bewaar het pandgemeenten" binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken hebben moeite om samen te gaan met vrijgemaakten omwille van de kwestie der bevinding. Ds. C. J. Smelik die een artikelenserie plaatste in „De Reformatie" (het weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde vrijgemaakte leven) beantwoordt een van christelijk gereformeerde zijde gestelde vraag hierover als volgt:
„Laat ik proberen zo kort en duidelijk mogelijk antwoord te geven op de gestelde vraag: „Wat wordt bedoeld met valse en met Schriftuurlijke bevinding?" Bij alle nuanceringen die zich kunnen voordoen, gaat het toch voornamelijk om het volgende. De valse bevinding neemt z'n uitgangspunt in de mens. Hij speurt z'n hart na om te onderzoeken of hij wel een kind van God is, of hij door God werd aangenomen. Aan de hand van „kenmerken" die de mens bij zichzelf waarneemt, moet hij tot de overtuiging komen dat hij door God gekend is. Zolang je daarover nog geen zekerheid hebt mag je (en durf je) de belofte van God nog niet toeëigenen. Met andere woorden: de bevinding en ervaring die je in je leven meemaakt en opdoet, zullen uiteindelijk uitsluitsel moeten geven over de levensvraag of je je een kind van God mag weten, door Hem aangenomen en verkoren. De weg naar de zekerheid van het geloof loopt dus via de bevinding van de kenmerken die men bij zichzelf waarneemt naar de conclusie dat God je aangenomen heeft.
Wat is nu het „valse" in deze beschouwing? Kort en goed: de (zoekende) mens wordt, als 't erop aan komt, helemaal teruggeworpen op zichzelf! Die mens moet zich concentreren op het innerlijk van zijn bestaan om daar de bewijzen van Gods goedgunstigheid op te merken. Maar wat is dat een doodvermoeiende bezigheid, en een uitzichtloze! Zolang de mens blijft rondcirkelen met zijn bevindingen en met zijn onderzoek daarna, komt hij niet verder dan verterende onzekerheid. Vaak vertwijfeld, steeds in onzekerheid is hij op zoek naar de vrede van het hart met God. Hoe anders is het met de Schriftuurlijke bevinding. Die is er! Die leert de Schrift. En evenzeer de confessie.
Maar dan niet als een weg om tot de zekerheid van het geloof te komen, maar als een vrucht die uit het geloof opbloeit. Schriftuurlijke bevinding is dat het hart rust vindt in Gods beloften, in die alleen. In die waarachtige beloften van de onwankelbare God vindt het zijn zekerheid, de van God gegeven zekerheid. Die zekerheid hoort tot het geloof, het geloof is zekerheid (Zondag 7 H.C.).
Schriftuurlijke bevinding is dat die zekerheid bovendien nog eens bevestigd en onderstreept wordt door het gelovig opmerken van de vruchten van de Geest in het leven. Zie hiervoor met name Zondag 32 antw. 86 H.C. De gelovige zal in zijn leven mogen „bevinden": de trouw van Vader, de zwakheid van het geloof, vreugde in God, verwondering over Gods goedheid, aanvechting door duivel en eigen vlees. Hij zal ook „bevinden" dat God zijn beloften waar maakt, en zijn oordelen evenzeer. Wat beleeft, ervaart, bevindt de gelovige al niet van Gods werken in eigen kleine leven en in het dagelijks leven om hem heen? Maar juist zó wordt hij teruggeworpen, niet op zichzelf, maar op zijn God, op zijn waarachtig spreken in belofte en roeping. En als onze geachte briefschrijver vraagt: „Wat zou Calvijn hierover gezegd hebben?", dan wil ik volstaan met één citaat van hem (al is de verleiding groot er méér te geven): „Wij zeggen dat het fundament van het geloof is de genadige belofte, omdat op haar het geloof eigenlijk berust. Want ofschoon het vaststelt, dat God in alles waarachtig is, hetzij Hij beveelt, hetzij Hij verbiedt, hetzij Hij belooft, hetzij Hij dreigt; ofschoon het zijn bevelen ook gehoorzaam aanvaardt, op zijn verboden acht geeft en zijn dreigingen opmerkt: eigenlijk begint het toch bij de belofte, daarop berust het, daarin eindigt het."

de Waarheidsvriend

In een serie over „Beroep en beroepsethiek" in De Waarheidsvriend" (Wekelijks orgaan van de Gereformeerde  Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk) komt deze week burgemeester A. C. Ph. Hardonk van Oldebroek aan het woord.
„Waar liggen de grenzen als het gaat om mijn christelijke verantwoordehjkheid en dat wat mijn beroep vandaag van mij vraagt? Mijn grenzen liggen verankerd in Gods Woord en zeer in het bijzonder daar waar gesproken wordt over de taak van de overheid. De overheid is dienaresse Gods, het volk ten goede, en uit dien hoofde in een afhankelijke, gehoorzamende positie jegens de Heere God geplaatst. De Wet des Heeren geldt onverkort ook voor de overheid; ook zij zal daarnaar hebben te handelen. De dienaren van de overheid, waartoe ik mij moet rekenen, zullen eenmaal voor Gods rechterstoel moeten verschijnen om verantwoording af te leggen voor het doen en laten in hun functie. Daarbij zal, naar mijn overtuiging, het oordeel Gods zich meer uitstrekken over de wijze van bekleding van het ambt in relatie tot wat God daarvan verlangt dan over de wijze waarop de bekleder van het ambt tegemoet is gekomen aan wat het volk van hem vroeg. De ambten zijn uit Christus, niet in het minst het overheidsambt. Daarvan ben ik diep doordrongen en deze wetenschap is voor mij van veel meer belang dan te weten hoe mensen over mij oordelen. Gebrekkig en zondig als mensenwerk echter is, maak ook ik fouten; veelal geen zichtbare voor de mensen, maar wel voelbaar in de persoonlijke verhouding tot de Heere God. Daarom past veel gebed in deze functie, ertoe strekkend dat Hij ons bewaart bij Zijn Woord en Wet. In dit verband mag ik mij gelukkig prijzen dat in mijn gemeente de raadsvergaderingen zowel als de vergaderingen van het college van burgemeester en wethouders altijd beginnen en eindigen met een door de voorzitter uit te spreken vrij gebed. Een andere begrenzing vormt het beginselprogramma van de SGP waaraan ik mij uit overtuiging en krachtens lidmaatschap gebonden voel. Zeker dit laatste is geen ondraaglijke last omdat ik verstandelijk toestem en in mijn hart mag gevoelen dat de beginselen van mijn partij gegrond zijn op het onfeilbare en onveranderlijke Woord van God.
Wat betekenen die begrenzingen nu in de dagelijkse praktijk van het leven? Alvorens die vraag te beantwoorden, moet ik opmerken dat ik burgemeester ben in een gemeente waarin de verhoudingen in de burgerij en die in de bestuursorganen zodanig zijn, dat ik daarbinnen ook wezenlijk kan functioneren. Met andere woorden: de mij toevertrouwde gemeente is in tal van opzichten betrekkelijk traditioneel met een bevolking die een grote mate van kerkelijke betrokkenheid vertoont. Dat bewerkstelligt, dat ik niet dagelijks om der wille van mijn principes de barricaden behoef te beklimmen. Maar soms komt het voor — dat is aan de politiek nu eenmaal eigen — dat ik een barrière niet over kan. In dat geval verklaar ik mijn stem en neem ik een minderheidsstandpunt in. Zodoende maak ik mij vrij van de verantwoordelijkheid voor een besluit dat ik wegens zijn inhoud niet kan dragen. Zo alleen ook blijft men als burgemeester duidelijk en herkenbaar voor de medebestuurders en voor de burgerij. En zo alleen ook jaagt men een rechte verhouding tot de Heere God na. Doch ook daarin ligt een element van spanning, omdat naar mijn oordeel terughoudendheid in het innemen van minderheidsstandpunten een burgemeester meer siert dat het tot een vorm van polarisatie leidende innemen van afwijkende standpunten zonder dat daar een dwingende noodzaak toe aanwezig is. Wijsheid is beter dan kracht, zegt de Prediker, en waar die wijsheid te bekomen is verzuimt bij gelukkig niet te vermelden. Bij de Heere God, Die mildelijk geeft en niet verwijt."

OPBOUW

Ds. H. J. van der Kwast, Nederlands gereformeerd predikant te Heerde, vraagt zich in „Opbouw" (weekblad tot opbouw van het gereformeerde leven, dat verschijnt binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken) af of de Doleantie een mislukking was.
„Het is dit jaar een eeuw geleden dat zich in ons land de Doleantie voltrok.
In het kader van de herdenking werd in Amsterdam een symposion gehouden, waarin sprekers van gereformeerde en hervormde huize, maar ook „buitenstaanders", inleidingen hielden over diverse aspecten van dit gebeuren.
Een levende discussie toonde aan dat bij de ruim honderd aanwezigen een warme belangstelling bestond voor dit zo ingrijpend gebeuren voor het kerkelijk en christelijk leven in ons land. Steeds weer kwam de figuur van Abraham Kuyper, de geweldige, in het centrum van de aandacht. In mijn jeugd heb ik in de Keizersgrachtkerk in Amsterdam de herdenking van vijftig jaar Doleantie meegemaakt. Op de catechisatie wekte wijlen ds. D. Sikkel ons op om te gaan luisteren naar ds. K. Fernhout, die de Doleantie zelf had meegemaakt. Er was veel belangstelling onder het gereformeerde volk in die dagen; een dankbaar nageslacht kwam bijeen en zong uit volle borst God heeft bij ons wat groots verricht Hij Zelf heeft onze druk verlicht en als we toekwamen aan de woorden: Breng Heer al uw gevang'nen weder, dachten we aan onze Hervormde broeders en zusters die nog onder het juk waren. Men noemde de Doleantie vrijmoedig Reformatie. De Hervormden namen ons die herdenkingen niet in dank af, zoals duidelijk werd in sommige stekelige artikelen van hun kant. Nu we weer vijftig jaar verder zijn horen we in de kringen van de Geref. Kerken (syn.) de psalmen van lof en dank niet, als bij de herdenking in de dertiger jaren.
Zoals ik schreef waren op het symposion veel belangstellenden uit Hervormde kring. Het viel mij op dat de broeders en zusters in de Hervormde Kerk, van gereformeerde bond tot vrijzinnig, één zijn in hun kritiek op en afwijzing van de Doleantie in het algemeen en het optreden van Abraham Kuyper in het bijzonder. Gaarne vestigt men er de aandacht op dat de Doleantie mislukt is. Bij de aanwezigen uit de Geref. Kerken (syn.) kruipt liet bloed waar het niet gaan kan en werd b.v. toen Kuyper een streven naar macht werd verweten gewezen op de macht van de synoden in die dagen, maar zij geven over het algemeen toe dat de Doleantie een mislukking is geworden.
Nu heeft de Doleantie wel ver om zich heengegrepen, maar het is niet zo ver gekomen dat het kerkelijk juk algemeen werd afgeworpen en zo werd de Doleantie een tweede afscheiding. Wil dit nu zeggen dat de Doleantie is mislukt, zoals velen ons willen doen geloven? Deze „mislukking" is niet het enige dat de aarzelingen in Geref. kringen bij de herdenking veroorzaakt. In de dagen van de Doleantie is teruggegrepen op de kerkorde van de Synode van Dordt 1618/1619. Tegenover de hiërarchische machten in de kerk werd de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk centraal gesteld. Het kerkverband, en nu volgt een term die velen onder ons nog kennen, behoort niet tot het wezen maar tot het welwezen van de kerk. De ouderlingen en diakenen hebben van Christus wege gezag over de gemeente en meerdere vergaderingen zoals synoden hebben afgeleid gezag. Een synode is geen opperbestuur van de kerken.
Het wordt tijd om terug te komen op de vraag of de Doleantie is mislukt. Men kan moeilijk de dolerenden ervan beschuldigen dat de kerkelijke besturen zich handhaafden als een opperbestuur. Kwalijker is de omzwaai in de gereformeerde kerken, waar de synoden over het hoofd van gemeenteleden en kerkeraden uitspraken doen die maar door een klein deel van de kerken worden gedragen. En die synoden gaan door... Dat is verdrietig. Overigens vind ik die vraag of die al dan niet gelukt is weinig geestelijk. Dezelfde vraag kan Rome stellen over de Reformatie in de 17e eeuw. De kerk is geen organisatie van deze wereld.
De vraag is of er zegen heeft gerust op het werk van de broeders en zusters die met Kuyper en de zijnen gestreden hebben voor het Koningschap van Jezus Christus over zijn kerk en de „terreinen" van heel het menselijk leven. Er is alle reden tot dank voor de beweging die toen op gang is gekomen, die zoveel vruchten heeft afgeworpen en ik zou er graag nog veel over verteld hebben als de ruimte niet op was. Nog altijd ben ik dankbaar voor wat ons in de Doleantie en in mannen als Kuyper, Rutgers, Van den Berg, Sikkel e.a. gegeven is. Merkwaardig is dat A. Kuyper bij niet geestverwanten als Jan Romein een betere pers heeft dan bij velen die bij alle verschil van inzicht éénzelfde Koning wilden dienen.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 februari 1986

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

UIT DE KERKELIJKE PERS

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 februari 1986

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken