Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Geen orgelgebruik tijdens eredienst

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Geen orgelgebruik tijdens eredienst"

Gisbertus Voetius, 350 jaar geleden:

8 minuten leestijd

Op 25 maart 1636, nu ruim 350 jaar geleden, beklom de toen 37-jarige hoogleraar Gisbertus Voetius de preekstoel van de Domkerk te Utrecht. In zijn openingsrede ter gelegenheid van de inwijding van de nieuwe Utrechtse universiteit benadrukte hij het noodzakelijk verbinden van wetenschap met godsvrucht. In zijn rechtzinnigheid, die bij lange na niet door iedereen werd gedeeld, verwierf hij de bijnaam „de Utrechtse Paus". Tot aan zijn dood is Voetius ook een zeer fel tegenstander geweest de kerkzang der gemeente met het orgel te doen „vergezelschappen".

In deze strijd tegen het orgelgebruik bij het psalmzingen is Voetius vaak niet begrepen. In 1634 had hij een ongebruikelijk onderwerp voor zijn inaugurele oratie gekozen: hij poneerde de stelling dat „de orgelmuziek geen deel uitmaakt van de openbare eredienst en er op geen enkele andere wijze mee verbonden is". Ook in zijn verhandeling „De Organis et Cantu organico in Sacris" beschrijft hij het orgel, dat volgens hem „een dom en onredelijk geluid" geeft. Voetius stond in die mening niet alleen.

In diezelfde tijd wordt door een remonstrants man van het zuiverste water, ds. Joh. Wtenbogaerdt, een orgel in de kerk geacht als een „overdadich, ydel, onnut, periculoos, ontydich en argcherlick" ding. Dat was een geluid, geheel in de lijn van de Dordtse Synode van 1574, waar bepaald was, „dat het (het orgel) gantsch behoorde afgheset te worden", volgens de leer van Paulus (1 Kor. 14: 19). Men was bang dat het orgel bij het uitgaan der kerk zou dienen „om te doen vergheten, wat men tevoren ghehoort had" en dat het „tot superstitie (bijgeloof) ghebruyckt sou worden, ghelijk het nu tot ligtvaerdichheyt diende".

Waardering
Desondanks schrijft Wtenbogaerdt nog op 85-jarige leeftijd, dat „onder dieghene, die de musyck beminnen, ben ick een, ende vinde my altemet des avonds in de kercke, om de meester een psalm — dat doorgaens geschiet, op elck veers, met verscheyden registeren ende melodien verscheydelick zwierende — te hooren spelen, onder 't spel stillekens in mijn selven den Heere singende, ende mijnen bedroefden gheest in God tot sijnen loff vermakende".
Eveneens dient te worden vergeten dat Voetius in zijn rede in 1636 de muziek in algemene bewoordingen als een gave Gods heeft geprezen en dat door de studenten „liefelicke muzijk" werd uitgevoerd. Bovendien weten we van Voetius dat hij een gevorderde clavecinist was. Hij leerde dit instrument bespelen tijdens zijn studie te Leiden. Ook heeft hij in zijn gemeente Vlijmen uit liefhebberij zelf nog muzieklessen gegeven. En in zijn Politica Ecclesiastica (1663) spreekt hij met bewondering over de muziek van Claude le Jeune.

Een fervent voorstander van de begeleiding door het orgel van de gemeentezang was Constantijn Huygens.

Huygens
Tijdens een bezoek aan onder andere Groningen had hij dit verschijnsel gehoord. Niet dat het wel of niet begeleiden van de gemeentezang voor Huygens een principieel verschil was. Hem stond slechts een praktische verbetering van die gemeentezang voor ogen. In zijn in 1640/'41 uitgegeven tractaat „Gebruyck of ongebruyck van 't orgel in de Kercken der Vereenighde Nederlanden" is zijn boosheid vooral gericht tegen het feit dat het meest geschikte middel tot verbetering, het orgel, op alle manieren en voor alle doeleinden gebruikt wordt, behalve tot ondersteuning van de deplorabele gemeentezang.
Voetius kon niet volstaan met Huygens uit te maken voor een sociniaansremonstrantse gezindheid, zoals hij eerder een anoniem voorstander van het orgelgebruik had aangevallen. Voetius had deze onbekende zelf voor een vijand der gereformeerde kerk uitgekreten. Enkele van zijn leerlingen ondersteunden dat. Anderen vlochten in hun onderwijsboekje enkele regels, waarin het orgelspel een paaps gebruik werd genoemd. Sommige preekgestoelten daverden van hevige uitvallen tegen „allerlei verderfelijke nieuwigheden".
In feite bevond Voetius zich met het aan hem toegezonden tractaat van Huygens in een moeilijke positie. Enerzijds keurde hij het orgelgebruik principieel af, anderzijds wenste hij geen verandering in zijn goede betrekkingen tot Huygens. Zijn eerste reactie op de toezending van het tractaat is dan ook een vriendelijk dankwoord aan Huygens met de (wellicht niet geheel oprechte) verontschuldiging, dat drukke werkzaamheden hem voorlopig beletten zich intensief met de zaak bezig te houden.

Oratio pro domo
Voetius bedacht een „list" en nam zijn toevlucht tot een (nog heden ten dage) beproefd middel. De 10e juli 1641 promoveerde bij Voetius de theologiestudent Johannes Heimenberg op een disputatio: „De organus et cantu organico in Sacro". In dit werk valt „his masters voice" duidelijk te beluisteren. Op theoretische gronden wordt weerlegd wat Huygens op praktische gronden voorstond.
Hoewel het een wetenschappelijk heel wat beter gefundeerd verhaal is dan alle tot dan toe verschenen „weerleggingen" gaat Heimenberg toch aan de kern van Huygens' betoog voorbij. Het lijkt wel of Heimenberg niet goed begrepen heeft, dat het orgel alleen ter ondersteuning van de gemeentezang moest dienen. Hij doet het voorkomen, dat het orgelspel het psalmgezang vervangt of althans zozeer overstemt, dat het objectieve woord moet buigen voor de subjectieve muziek.
Huygens zag de onmogelijkheid van een vruchtbare discussie op deze grondslag zeer goed in. „Sommige mensen" zo schrijft hij aan zijn zwager De Wilhem, „zijn als het ware reeds doof vanaf de wieg; men kan met hen nu eenmaal niet redeneren".

Advies
Voetius zelf geeft zijn mening over het orgelgebruik nog eens in een mede door hem ondertekend advies van de faculteit aan Petrus van Eijndhoven, predikant te Woerden. De brief is gedateerd: 29 januari 1655. Van Eijndhoven had gevraagd of de overheid het recht heeft om het orgelspel onder het openbare psalmzingen in de kerk in te voeren, „te meer daar sulcks te vooren in geen gebruijck is geweest".
De onderschreven professores (Gisbertus Voetius, Andreas Essenius en Matthias Nethenus) zijn van mening dat aanwijzingen omtrent het zingen in de kerk, als stuk van de openbare godsdienst, een puur kerkelijke aangelegenheid is, waar de overheid zich niet mee moet bemoeien. Daarnaast geven zij aan, dat de muziek een eerlijke kunst en het orgelspelen zelfs een eeriijke oefening is buijten den openbaren godtsdienst in 't privee of in publijcke plaetsen tot eerlick vermaeck kan en behoort mede gebruijckt te worden om psalmen ende geestelicke liedekens te speelen". Het orgelspelen bij de „openbare godsdienst van het Nieuwe Testament" noemen zij „eene onnutte en onstichtelicke oeffeninge". Het gebruik van instrumenten, dat stamt uit de Joodse godsdienst, bestrijden zij niet, maar wanneer het in de christelijke godsdienst van het „Nieuwe Testament" geoorloofd zou zijn, dan zou Christus zijn apostelen daar zeker op gewezen hebben, betogen zij.

Onbegrip
Dergelijke gedachten hebben lang opgeld gedaan. Al enige tijd bezit ik een boekje met als titel: „waarschuwing tegen 't gebruik van instrumentmuziek bij den Godsdienst, behelzende een uiteenzetting, dat muziekinstrumenten in de Oud Testamentische Kerk bevolen en geoorloofd, in de Nieuw Testamentische Kerk niet toegelaten zijn, verklaard en uitgelegd in verband met de Heilige Schrift". Het werd uitgegeven (± 1910) bij G. J. Wolbers te Enkhuizen en geschreven door H. Snoek, in leven lidmaat van de Gereformeerde kerk te Urk. In Urk had men in 1910 besloten een orgel in de kerk te plaatsen, ter begeleiding van het psalmgezang. Aan elk gemeentelid werd de vrijheid gegeven om schriftelijk zijn bezwaren over dit besluit in te dienen. Wellicht is Snoek de meest uitvoerige geweest. Het orgel is er toch gekomen. Het instrument dat twaalf jaar eerder ten geschenke werd aangeboden werd met meederheid van stemmen niet aanvaard, omdat orgeltonen toen nog „wanklanken" waren in het kerkgebouw en men het „getoet" niet bevorderlijk achtte voor de belangen der gemeente!

Bovendien wilde men het liever bij de grondregel houden: „dat het beter is, dat kwaden boom met wortel en tak uit te roeijen, dan hem slechts te knotten, of te besnoeijen". Daarmee doelde men waarschijnlijk op het Roomse misbruik van het instrument. Van het feit dat het ook ten nutte aangewend zou kunnen worden wilde men kennelijk niet horen.

Begrip
Om het onbegrip beter te verstaan dienen we te bedenken dat er voor de Reformatie nimmer sprake is geweest van het „vergezelschappen" door het orgel van de kerkzang. Of Voetius ooit de orgelbegeleiding bij het psalmzingen heeft meegemaakt is niet bekend. Wel had hij er van gehoord. zoals hij in zijn Politica Ecclesiastica in 1663 vermeldt. Laten we echter niet vergeten dat het orgel in de kerk in die dagen geen beste naam had. Het repertoire bestond uit ,,...tegen eenen Psal thien Madrigalen, en lichter deunen, en geen' Kercke sonder aanstoot te nemen: Men hoort er vuyle Minne-liedekens, daar Hoeren en Camerspelers op danssen" .schrijft Erasmus. Als we dit lezen, is het toch niet helemaal onbegrijpelijk dat Voetius het orgelgebruik tijdens de eredienst afwees?

Uiteindelijk heeft het pleidooi van Huygens het toch gewonnen. Hoewel hij niet direct resultaat boekte met zijn tractaat — zelf de synoden zwegen in alle talen — heeft hij zeker bijgedragen tot het streven naar verbetering van de kerkzang, dat de gehele 17e eeuw kenmerkte. Ook een man als Voetius heeft dat niet tegen kunnen houden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 18 juni 1986

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

„Geen orgelgebruik tijdens eredienst

Bekijk de hele uitgave van woensdag 18 juni 1986

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

PDF Bekijken