Bekijk het origineel

„Wie de schepping onderzoekt eert daarin de Schepper''

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Wie de schepping onderzoekt eert daarin de Schepper''

Natuurwetenschap en christeKjk geloof in de loop der eeuwen (1)

12 minuten leestijd

Wie zich verdiept in de gescliiedenis van de Europese cultuur, komt tot de ontdekking dat de relatie geloof-wetenschap daarin de eeuwen door van wezenlijke betekenis geweest is. Reeds in het begin van haar bestaan werd de christelijke kerk in het Romeinse rijk geconfronteerd met een cultuur die diepgaand beïnvloed was door de denkbeelden van de Griekse filosofie en moest zij haar standpunt bepalen tegenover de voortbrengselen van deze cultuur, ook op het terrein van de natuurwetenschappen.

In het algemeen gesproken vinden we bij de kerkvaders het standpunt dat een christen niet verder in de geheimen van de natuur dient door te dringen dan de Heilige Schrift vereist en toelaat. Hij dient allereerst bedacht te zijn op het heil van zijn ziel. Bekend is de uitspraak van Tertullianus (ca. 160-na220): „Wat heeft Athene met Jeruzalem te maken? Voor ons is weetgierigheid niet meer nodig na Jezus Christus en onderzoek niet na het evangelie." Hij verweet de Griekse natuurfilosofen dat ze zich uitleverden aan een „onzinnige nieuwsgierigheid ten aanzien van de natuurverschijnselen".
Deze telkens opduikende, min of meer afwijzende houding ten opzichte van de natuurstudie — die we overigens ook bij vele heidense filosofen uit die tijd aantreffen — werd echter niet consequent volgehouden. Juist de omgang met de Heilige Schrift leidde tot het inzicht dat God Zich openbaart in de natuur, die het kunstwerk van Zijn handen is. Wie dan ook de schepping onderzoekt, eert daarin de Schepper. Een door Gregorius van Nazianze (330-390) uitgesproken gedachte, die de eeuwen door christen-natuurwetenschappers geïnspireerd heeft.

Exegese Genesis 1

Daar kwam nog bij dat de kerkvaders bij hun preekarbeid ook bijbelgedeelten moesten uitleggen, waarin over de natuur wordt gesproken. Zij constateerden dat het algemeen aanvaarde Griekse wereldbeeld op verschillende punten afwqek van de gegevens over de kosmos in de Heilige Schrift, zodat zij door hun exegetisch werk gedwongen werden hun houding te bepalen tegenover gangbare natuurwetenschappelijke theorieën. Een probleem waarmee de uitleggers de eeuwen door te maken gehad hebben, vooral met betrekking tot Genesis 1.
Hoe de kerkvaders dit hoofdstuk uitlegden, vertellen ons hun „Hexahèmera", preken over het zesdaagse scheppingswerk. In vele gevallen was hun exegese geënt op de beschouwingen die Plato (429-348 voor Christus) over de vorming van de wereld geeft in zijn „Timaeus". Waar de Bijbel duidelijk tegen Griekse denkbeelden ingaat (bijvoorbeeld de goddelijkheid van de hemellichamen), werden deze door hen afgewezen. In minder sprekende gevallen poogden zij meestal de bijbelse gegevens te harmoniseren met de Griekse natuurfilosofie. Zo meenden zij de gangbare opvatting dat alle stoffen op aarde uit vier oerbestanddelen zijn opgebouwd — aarI de, water, lucht en vuur—in Genesis 1 terug te vinden. Met de Griekse filosofen beschouwden zij de aarde als middelpunt van de kosmos en aanvaardden zij voor het merendeel de bolvorm van de aarde.

Augustinus

Met name de kerkvader Augustinus (354-430) heeft over de verhouding geloof-wetenschap diepgaand nagedacnt. Hoewel ook hij de wetenschap voor een christen uiteindelijk van secundair belang achtte, heeft ze bij hem toch een duidelijke functie, namelijk dienares van iet christendom. Wetenschap mag nooit )eoefend worden als doel in zichzelf, maar alleen ter wille van de dienst aan God en de naaste. Met dat doel voor ogen mogen christenen gebruik maken van wat de heidense volkeren op wetenschappelijk gebied tot stand gebracht hebben, zoals het volk Israël de kostbaarheden die bij de uittocht uit Egypte waren meegenomen, benutte voor de bouw van de tabernakel.
Nadrukkelijk stelde Augustinus 3at de wetenschap gebonden is aan het gezag van de Heilige Schrift. Van de letterlijke uitleg van een bijbeltekst mag alleen worden afgeweken, wanneer deze op grond van harde feiten onhoudbaar is. Dat ook bij een letterlijke exegese het gezag van de wetenschap nog een duchtig woordje mee kan spreken, wil ik illustreren aan de hand van een voorbeeld. Evenals de meeste Griekse geografen meende Augustinus dat er in de tropen geen leven mogelijk was vanwege de hitte. Gesteld dat er op het zuidelijk halfrond mensen zouden wonen — onze antipoden — zouden de tropen ons verhinderen hun het evangelie te brengen en dat zou in strijd zijn met het zendingsbevel van Mattheüs 28 (vgl. Rom. 10:28), dat spreekt van „alle volkeren". Augustinus onderwerpt zich hier wel aan het gezag van de Schrift, maar zijn uitlegkundige conclusie is gebaseerd op het gezag van de toenmalige wetenschap en staat of valt met de door haar aangehangen gedachte van de onbewoonbaarheid van de tropen.

Thomistische synthese

De oude christelijke kerk stond sterk onder (neo-)platonische invloed. Ook Augustinus is hiervan nooit geheel losgekomen en mede door zijn gezag hebben Plato's denkbeelden tot in de twaalfde eeuw hun stempel gezet op de cultuur van West-Europa. Dit veranderde echter, toen in de dertiende eeuw de werken van Aristoteles (384-322 voor Chr.) bekend werden. Df ze leerling van Plato was veel meer gericht op de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid dan zijn leermeester. Aanvankelijk was er veel verzet tegen de filosofie van Aristoteles, vanwege een aantal denkbeelden die met het christelijk geloof in strijd waren. Vooral door de inspanning van Thomas van Aquino (1227-1274) werd het Aristotelisme gekerstend en omgesmeed tot een systeem dat diende als wijsgerige onderbouw voor het christendom.
Door deze „Thomistische synthese" ontstond er een nauwe band tussen religie en filosofie. Geen enkel terrein van de wetenschap was nu meer onttrokken aan het gezag van kerk en theologie.

Copernicaanse stelsel

Ook het Aristotelische wereldbeeld was door de middeleeuwse kerk gesanctioneerd en ingepast in de theologie. Op gezag van de Griekse filosoof nam men aan dat de aarde de bolvorm had en onbeweeglijk in het midden van een eindige, eveneens bolvormige kosmos stond, terwijl de hemellichamen „vastgehecht" waren aan sferen (hemelbollen) die een eenparige cirkelbeweging rond de aarde — beter: het middelpunt van de kosmos - uitvoerden. Omdat de banen van de planeten voor het oog sterk van cirkels afwijken, had de astronoom Claudius Ptolemaeus (ca. 85-na 161) in de tweede eeuw een ingenieus wiskundig model ontworpen als hulpmiddel voor astronomische waarnemingen en berekeningen.
Hoewel dit Ptolemeïsche stelsel eveneens uitging van een centrale, rustende aarde en alleen gebruik maakte van cirkelbanen, was het in sommige opzichten in strijd met het Aristotelische wereldbeeld. Weliswaar bestond er dan ook een zekere spanning tussen deze twee, maar toch konden beide naast elkaar bestaan — het ene als hulpmiddel (Ptolemaeus), het andere als werkelijkheid (Aristoteles). Er was dan ook niet bij voorbaat bezwaar tegen het gebruik van een ander astronomisch stelsel dan dat van Ptolemaeus, als men het maar uitsluitend alj rekenhulpmiddel beschouwde en niet tornde aan de grondslagen van het Aristotelische wereldbeeld.
Toen dan ook in 1543 het boek „Over de omwentelingen van de hemelsferen" verscheen van de Poolse kanunnik Nicolaus Copernicus (1473-1543), waarin gesteld werd dat de aarde een baan om de zon beschreef en bovendien nog om haar as draaide, veroorzaakte dit aanvankelijk weinig opwinding. De lutherse theoloog Andreas Osignder (1498-1552), die het werk uitgaf, had er namelijk voorzichtigheidshalve een voorwoord aan toegevoegd, waarin hij — overigens ten onrechte— beweerde dat Copernicus zijn heliocentrisch systeem alleen maar beschouwde als een nieuw „rekenmodel" voor de astronomen, dat beter voldeed dan dat van Ptolemaeus. De problemen kwamen pas, toen de Italiaanse natuuronderzoeker Galileo Galilei (1564-1642) volhield dat het systeem van Copernicus de werkelijkheid in de kosmos weergaf en daardoor in conflict kwam met de Rooms-Katholieke Kerk.

Galilei-affaire

Galilei voerde zijn strijd voor de zaak van Copernicus op twee fronten. In de eerste plaats hield hij staande dat zijn astronomische ontdekkingen het bewijs hadden geleverd dat het Copernicaanse stelsel fysisch waar is. Maar omdat de Bijbel volgens de rooms-katholieke theologie geen ruimte liet voor een ander wereldbeeld dan het Aristotelische, trachtte hij in de tweede plaats argumenten aan te dragen voor de stelling dat de betreffende bijbelteksten de taal van de dagelijkse ervaring spreken. Maar door dit tweede front te openen verscherpte Galilei zijn conflict met de kerk juist, omdat hij als rooms-katholieke „leek" niet het recht had zich in te laten met de uitleg van bijbelteksten. Dat was het exclusieve terrein van de geestelijkheid. Over beide twistpunten werd hij in 1615 van repliek gediend door kardinaal Robertus Bellarminus (1542-1621). Deze stelde terecht dat Galilei zijn Copernicaanse standpunt niet afdoende had bewezen en er beter aan deed het heliocentrische systeem te zien als een handige „rekenhypothese". Pas wanneer hij met harde bewijzen zou komen, zouden de theologen bereid zijn hun exegese van de omstreden bijbelteksten te herzien. Galilei hield echter vol. Toen hij dan ook in 1632 een boek publiceerde, waarin hij slechts in schijn de uitdrukkelijke eis van de paus had ingewilligd het Copernicaanse stelsel daarin als een hypothese te behandelen, was de maat voor Rome vol. Op 22 juni 1633 moest hij herroepen en kreeg hij huisarrest.

Bovendien gaf de Inquisitie een verklaring uit dat de Copernicaanse „leer" een ketterij was, zonder de mogelijkheid open te houden dat er later alsnog bewijzen voor gevonden zouden worden. Dit is de eigenlijke fout van de Rooms-Katholieke Kerk in deze kwestie. Een fout die alles te maken heeft met de nauwe band die Thomas van Aquino had gesijieed tussen wetenschap en theologie. Daar Galilei de ondeugdelijkheid van het Ptolemeïsche stelsel had aangetoond, namen vele rooms-katholieke astronomen na diens veroordeling geruime tijd hun toevlucht tot het Tychoniaanse wereldstelsel. De Deense astronoom Tycho Brahe (1546-1601) had in 1583 een systeem ontworpen, waarin de zon om een stilstaande aarde draait, terwijl de planeten om de zon bewegen. Het bood dezelfde verklaringsmogelijkheden als het Copernicaanse stelsel. Ook verscheidene protestantse onderzoekers waren in de zeventiende eeuw Tychoniaan, voornamelijk op bijbelse gronden.
Dat laatste geldt ook voor de leden van de „Tychonian Society" uit onze tijd, die niet ten onrechte stellen dat het heliocentrisme niet onomstotelijk bewezen is en die vasthouden aan het „bijbels getuigenis omtrent een aarde die niet kan worden bewogen (...) in het midden van het heelal".

Calvinisme

Ook in het reformatorische „kamp" is heel wat discussie gevoerd over het Copernicaanse stelsel. Van meet af aan waren de meningen verdeeld, zowel bij lutheranen als bij calvinisten. De reformator Johannes Calvijn (1509-1564) had zelf de aardrotatie afgewezen, maar dan om redenen van gezond verstand. Een discussie over Copernicus is bij hem niet te vinden.
Uit Calvijns commentaar op Genesis 1 blijkt dat hij goed besefte dat bepaalde onderdelen van het Aristotelische wereldbeeld niet klopten met de letterlijke bijbeltekst. Toch verwierp hij daarom dit wereldbeeld niet als onjuist. Volgens hem had de Heilige Geest zich in de betreffende teksten aangepast aan de algemeen gangbare denkbeelden om voor iedereen begrijpelijk te zijn. Wie astronomie wilde leren, moest elders zijn licht opsteken.
Calvinistische Copernicanen pasten hetzelfde exegetische accommodatieprincipe toe om het heliocentrische wereldbeeld te verdedigen. Zo betoogde in 1619 de Zeeuwse predikant en astronoom Philips van Lansbergen (15611632) op grond van 2 Timotheus 3:16 dat we in de Schrift geen astronomie moeten zoeken. In kosmologische teksten sprak de Bijbel de taal van de gewone, alledaagse ervaring. Hiertegenover meende de bekende Utrechtse theoloog Gisbertus Voetius (1588-1676), die het Copernicanisme verwierp, dat men zo de Heilige Geest, de auteur van de Schrift, tot een leugenaar maakte. Hij benadrukte dat de Bijbel ons de grondbeginselen aanreikt van elke goede wetenschap.

Hervorming

Het zal uit het voorgaande duidelijk zijn dat naast de discussie over de uitleg van Schriftplaatsen ook de vraag meespeelt, wat de bron is van de (natuur)wetenschappen. Op welke wijze kunnen we kennis verwerven over de natuur? Wij vinden het nu vanzelfsprekend dat de natuurwetenschap gebaseerd is op waarnemingen en experimenten. In de oudheid en de middeleeuwen speelden deze echter geen rol van betekenis. De gedachte was toen algemeen dat het wezen van de natuur en haar werkingen met de rede te doorgronden zijn. Slechts enkele feiten waren voor Aristoteles voldoende om er langs de weg van logische deducties een uitgewerkt wereldsysteem op te bouwen, dat eeuwenlang als onaantastbaar gold.
In de periode van 1500 tot 1700 wierpen onverwachte ontdekkingen echter keer op keer standpunten omver die tot dan toe onomstotelijk hadden vastgestaan. Steeds luider klonk dan ook de roep om een nieuwe natuurwetenschap, gebaseerd op eigen waarnemingen en proeven. Vooral Francis Bacon (15611626) was de grote pleitbezorger van een op de ervaring gefundeerde wetenschap, los van het gezag van Aristoteles en andere ouden.
Dat pleidooi vond allerwegen gehoor, zodat de natuurwetenschap in de zestiende en zeventiende eeuw een ongekende groei en vernieuwing doormaakte. Door verscheidenen is gewezen op het grote aantal reformatorische natuuronderzoekers in deze periode. En de vraag is gesteld of er wellicht verband bestaat tussen de reformatie en de opkomende, moderne natuurwetenschap. Verscheidene historici, ten onzent met name R. Hooykaas, hebben aangetoond dat de hervorming inderdaad de ontwikkeling van de natuurwetenschap heeft bevorderd.

Boek der schepping

Ik noem enkele argumenten:
1. God gaf ons twee boeken. De reformatie beleed opnieuw nadrukkelijk dat we God kennen door het boek der Schrift en door het boek der schepping (art. 2 van de NGB). Reformatorische onderzoekers wezen nu op de parallel tussen zelfstandig bijbelonderzoek, los van het gezag van de Rooms-Katholieke Kerk en zelfstandig natuuronderzoek, los van het gezag van Aristoteles.
2. Het is christenplicht beide boeken te lezen. De leer van Tiet algemeen priesterschap der gelovigen werd doorgetrokken naar het terrein van de wetenschap: ieder die talenten heeft mag en moet het boek der natuur lezen, juist ook om daarmee de Schepper te eren en de naaste te dienen.
3. We dienen onder het gezag van beide boeken te buigen. De rede van de mens heeft zich te onderwerpen aan Gods openbaring door de Schrift, ook waar ze voor ons onbegrijpelijk is. Evenzo moet onze rede zich onderwerpen aan Gods openbaring in de natuur. We hebben niet van tevoren uit te maken hoe de natuur moet zijn, maar haar te aanvaarden, zoals God haar aan ons gaf. Door te buigen voor de feiten kon de astronoom Johannes Kepler (1561 -1630) het tweeduizend jaar lang algemeen aanvaarde dogma van de cirkelbeweging der hemellichamen ten slotte in 1605 na zware innerlijke strijd loslaten en de ellipsbeweging aannemen.

Dr. C. de Pater is leraar wiskunde aan „De Driestar",
medewerker aan het Instituut voor geschiedenis der
natuurwetenschappen aan de Rijksuniversiteit Utrecht
en docent natuurwetenschappen aan de Evangelische Hogeschool. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1986

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

„Wie de schepping onderzoekt eert daarin de Schepper''

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1986

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken