Bekijk het origineel

„Schepper werkt met zwaartekracht rechtstreeks op Zijn schepping in

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Schepper werkt met zwaartekracht rechtstreeks op Zijn schepping in"

12 minuten leestijd

Vorig jaar is er veel aandacht geschonken aan de verschijning van de komeet van Halley. Ik weet niet of u de staartster zelf gezien hebt, maar ik kan er u toch wel een vraag over stellen: Zou u ooit op het idee gekomen zijn dat de beweging van deze komeet om de zon en de valbeweging van dat mooie kopje dat u onlangs liet vallen, gehoorzamen aan een en dezelfde natuurwet? De eerste die op deze geniale gedachte kwam, was de Engelse natuuronderzoeker, wiskundige, theoloog en alchemist Isaac Newton (1642-1727). Driehonderd jaar geleden verscheen zijn hoek "Philosophiae naturales principia mathematica" (Wiskundige beginselen van de natuurwetenschap).

Newton werd geboren in Woolsthorpe in Lincolnshire, na het overlijden van zijn vader. De jonge Isaac bleek zeer begaafd te zijn en toen duidelijk werd dat hij voor het boerenberijf totaal ongeschikt was, mocht hij studeren. In 1661 werd hij toegelaten tot "Trinity College" van de universiteit van Cambridge. Zonder enige hulp verdiepte de student zich grondig in de natuurwetenschappen, die toen een stormachtige ontwikkeling doormaakten, waaraan echter op de universiteiten nog geen enkele aandacht werd geschonken. Rond en vooral in het 'wonderjaar' 1666, toen Newton thuis was in Woolsthorpe vanwege een pestepidemie in Cambridge, deed hij enkele buitengewoon belangrijke ontdekkingen op het terrein van de wis- en natuurkunde, onder andere over de beweging van de planeten. Hij publiceerde hierover echter aanvankelijk niets en leidde een teruggetrokken leven, waaraan een professoraat in de wiskunde (1669) weinig veranderde.

De "Principia"
Nadat Newton in 1671 een spiegeltelescoop vervaardigd had, werd hij het jaar daarop toegelaten als lid van de "Royal Society", een wetenschappelijk genootschap, dat toen tien jaar bestond. In dat zelfde jaar verscheen ook zijn eerste verhandeling over de kleurschifting van licht door een prisma, waar op veel kritiek kwam. Het gevolg was dat Newton zich de jaren daarna vooral bezighield met alchemie en theologie. Toen echter de astronoom Halley —naar wie de komeet genoemd is— in augustus 1684 te Cambridge bij hem kwam met een vraag over de beweging van de planeten, schoof hij al zijn andere studies aan de kant, en verdiepte zich opnieuw in de problemen van de hemelmechanica. Hij beet er zich zo in vast, dat hij tot een buitengewone intellectuele prestatie kwam: in zo'n anderhalfjaar tijd vollooide hij een boek dat wellicht meer invloed op de natuurkunde heeft uitgeoefend dan enig ander werk, en dat bovendien mede een stempel heeft gedrukt op het geestelijk klimaat van de achttiende eeuw: "Philopsophiae naturales principia mathematica", gewoonlijk aangeduid als de "Principia". In dit werk wordt voor het eerst aangetoond dat alle bewegingen, zowel op aarde als aan de hemel, onderworpen zijn aan de gravitatiewet of wet van de zwaartekracht.

Wetenschapsrevolutie
Om de draagwijdte hiervan te begrijpen, moeten we eerst ver in de geschiedenis teruggaan. Volgens de Griekse filosoof Aristoteles (384-322 voor Christus), wiens opvattingen tot in de zeventiende eeuw toe het eind van alle tegenspraak waren, stond de aarde in het middelpunt van de kosmos, en draaiden alle hemellichamen om de aarde. Deze kosmos bestond uit twee totaal verschillende gebieden, namelijk het volmaakte en onveranderlijke "bovenmaanse", waar de hemellichamen hun eeuwigdurende cirkelbeweging uitvoeren, en het vergankelijke en onvolmaakte "ondermaanse". Voor elk van die "werelden" golden aparte bewegingsregels. Dit aristotelische wereldbeeld werd nog aan de universiteiten onderwezen toen Newton student was.
Intussen was er in die tijd wel heel wat gebeurd op natuurwetenschappelijk gebied, zoveel zelfs dat men thans unaniem spreekt van de zeventiende-eeuwse wetenschapsrevolutie, die dan haar eind- en hoogtepunt vindt bij Newton. Reeds toen Copernicus in 1543 aannam dat de aarde en de planeten zich om de zon wentelden, verloor de aarde in beginsel de unieke positie die zij had in de kosmos van Aristoteles. Veel ingrijpender was echter de "Nieuwe astronomie" van Joh. Kepler, die rond 1600 het tweeduizend jaar oude dogma van de hemelse cirkelbeweging opzij zette en aantoonde dat de banen van de planeten ellipsvormig waren, terwijl hij bovendien nog twee belangrijke wetten daarvoor ontdekte. Niet lang daarna (publikatie 1638) leidde de bekende onderzoeker Galilei een wet af voor de valbeweging op aarde en gaf hij als eerste een juiste analyse van de worpbeweging.

Mechanistisch
Kenmerkend voor deze en andere onderzoekers is dat zij, geheel anders dan Aristoteles, grote waarde hechtten aan het doen van experimenten en het vinden van wiskundige wetten, omdat volgens hen het boek der natuur in de taal van de wiskunde geschreven is. Experimenteren en mathematiseren zijn wezenlijke aspecten van de wetenschapsrevolutie.

Er is echter nog een belangrijk facet te noemen. Niet langer beschouwde men, zoals Aristoteles deed, de kosmos als een groot, levend organisme, maar als een machine. Een organistisch wereldbeeld maakte plaats voor een mechanistisch wereldbeeld. Dit werd het meest diepgaand uitgewerkt door de Franse filosoof René Descartes (1644), wiens opvattingen grote invloed hebben gehad. Kenmerkend voor zijn mechanistische natuurverklaring is dat alle natuurverschijnselen in de kosmos veroorzaakt worden door bewegende materie, zowel kleine deeltjes als grote (hemel)lichamen. De materie is daarbij geheel passief: een lichaam gaat alleen bewegen als het weggedrukt of gestoten wordt door andere lichamen of deeltjes, en het komt ook alleen daardoor tot stilstand.
Van onderscheid tussen 'aardse' en 'hemelse' bewegingen is in dit wereldbeeld geen sprake meer. Maar als er dan maar één soort mechanica is, blijft er nog een belangrijk probleem over, namelijk dat de wetten van Kepler voor de planeetbeweging geheel apart stonden van Galilei's wet voor de valbeweging, terwijl van andere bewegingen zelfs nog vrijwel niets was opgehelderd (kometen, eb en vloed). Het is de verdienste van Newton geweest dat hij met zijn gravitatiewet in de "Principia" de eenheid tussen aardse en hemelse mechanica definitief tot stand gebracht heeft. Deze wet zegt dat er tussen ieder tweetal lichamen een aantrekkende kracht bestaat die evenredig is met de massa's van die lichamen en omgekeerd evenredig met het kwadraat van hun afstand. Hierdoor werd het mogelijk ook de komst van de komeet van Halley te berekenen.

Contra Descartes
Wie de "Principia" van Newton zorgvuldig bestudeert, ontdekt dat het werk in vele opzichten gericht is tegen Descartes. Men kan zelfs de stelling verdedigen dat Newton de cartesiaanse natuurfilosofie vooral om religieuze redenen bestreden heeft en zijn wiskundig talent gebruikt heeft om haar tot de grond toe af te breken.

Gezien de belangrijke rol die de Franse filosoof toekende aan materie en beweging, meenden velen dat het cartesianisme de weg baande voor het atheïsme. Omdat hij stelde dat materie en ruimte in wezen identiek zijn, zodat de cartesiaanse wereld dus geheel 'gevuld' is met materie, was ook Newton van mening dat het systeem van Descartes God in feite buiten Zijn schepping plaatste. Hiertegenover nam hij het bestaan van een lege ruimte aan, waarin zich niet alleen inactieve materie bevond, maar waarin ook talloze krachten werkzaam waren, die deze materie in beweging brachten en waarvan de gravitatie er een was.
Het gelukte Newton om aan te tonen dat de 'wervelhypothese' van Descartes, die inhoudt dat de planeten in een kolk of wervel van uiterst fijn verdeelde 'hemelmaterie' om de zon gevoerd worden, volledig in strijd is met de astronomische wetten van Kepler.
In de tweede druk van de "Principia" (1713) zet Newton in een slotbeschouwing niet alleen alle natuurkundige en astronomische bezwaren tegen het systeem van Descartes nog eens op een rijtje, maar wijst hij ook diens gedachte dat bewegende materie in staat zou zijn zonder verder ingrijpen van God de kosmos voort te brengen, radicaal van de hand: ons prachtige planetenstelsel kon alleen maar ontstaan door het „overleg en het vermogen van een denkend en machtig Wezen". Bovendien voert hij diverse argumenten aan om te laten zien dat God blijvend bij Zijn schepping betrokken is.
Dat Newton met zijn boek het atheïsme wilde bestrijden, heeft hijzelf erkend. Toen de theoloog Richard Bentley in 1692 een serie lezingen zou houden ter verdediging van het christelijk geloof, dat toen door diverse Engelse vrijdenkers werd aangevallen, wilde hij hiervoor de gravitatietheorie gebruiken, omdat die immers zou bewijzen dat God door middel van de zwaartekracht zelf rechtstreeks op Zijn schepping in zou werken. Wat dit laatste betreft was Newton weliswaar veel voorzichtiger —hij bleef de mogelijkheid van een andere verklaring openhouden—, maar toen Bentley hem om advies vroeg, bleek Newton met diens plan ingenomen te zijn. Hij schreef hem namelijk: „Toen ik mijn werk over ons wereldstelsel schreef, had ik mijn oogmerk op zodanige beginselen gericht die bij denkende mensen het geloof aan een goddelijke Wezen zouden oproepen, en niets kon mij meer vreugde verschaffen dan te zien dat het in dit opzicht nuttig geweest is".

Contra Athanasius
Er is echter ook een geheel andere kant aan Newtons Godsgeloof. De schrijver van de "Principia" hield zich niet alleen met hemelmechanica bezig, maar ook met theologie en alchemie. En zoals hij op het terrein van de fysica hartstochtelijk Descartes bestreed, bevocht hij op theologisch terrein even hartstochtelijk de kerkvader Athanasius en diens leer van de Drieëenheid.
Newton heeft overigens zijn denkbeelden hierover nooit openlijk uitgesproken —ze zijn pas veel later bekend geworden—, want dat zou zeker gevolgen gehad hebben voor zijn maatschappelijke positie. Het voert in dit artikel te ver om de motieven voor zijn ariaans standpunt uitvoerig toe te lichten, maar het berustte in geen geval op vrijdenkerij. Hij was er door schriftstudie van overtuigd geraakt dat niet Athanasius, maar Arius gelijk had, onder andere omdat de tekst in 1 Johannes 5:7 later toegevoegd zou zijn.
Bovendien, en dat hangt hier nauw mee samen, was het verlossingswerk van Christus voor Newton slechts van ondergeschikte betekenis. De ware religie is voor hem primair het vervullen van onze plichten tegenover God en mensen. Jezus is dan Degene die ons van de rechtvaardigheid en de naastenliefde na Mozes en de profeten opnieuw geleerd heeft, terwijl Socrates en Confucius dat buiten Israël gedaan hebben. Voor dat laatste beroept Newton zich op Romeinen 2.
Terwijl we dus geheel achter Newtons standpunt kunnen staan om in de natuurwetenschappen op te komen voor het geloof in een Schepper Die actief bij Zijn schepping betrokken is en blijft, en we ook zijn bijbelgetrouw willen zijn als zodanig waarderen, staan we in theologisch opzicht ver van hem af. Op dit punt staan we veel dichter bij een andere grote zeventiende-eeuwse wis- en natuurkundige, Blaise Pascal, voor wie de religie allereerst een zaak van het hart was, en Christus en Zijn verlossingswerk het hart van de Schrift.

Newtons invloed
Na het verschijnen van de "Principia" veranderde Newtons leven radicaal. Terwijl hij voordien een teruggetrokken bestaan leidde, trad hij daarna steeds meer in de openbaarheid. In 1699 verhuisde hij naar Londen, waar hij directeur werd van de "Munt", terwijl hij bovendien in 1703 president werd van de "Royal Society", een functie die hij tot zijn dood bekleedde.
Hier had Newton van meet af aan een kring van bewonderaars om zich heen. Op het vasteland van Europa vonden zijn denkbeelden het eerst ingang in ons land, waar de hoogleraren W. J. 's Gravesande en P. van Musschenbroek sinds ongeveer 1720 natuurkunde-onderwijs gaven in de geest van Newton en door hun leerboeken, die hun weg vonden in heel Europa, een belangrijke bijdrage leverden aan de verspreiding van het newtonianisme, met name ook in Frankrijk, waar de tegenstand van het cartesianisme aanvankelijk sterk was. Reeds tijdens zijn leven was Newton een autoriteit geworden waar men hoog tegenop zag. Niet alleen was hij de auteur van de "Principia", ook op wiskundig terrein had hij baanbrekend werk verricht, terwijl zijn optische onderzoekingen bekend geworden waren door de publikatie van de "Opticks" (1704). Newtons proeven over het licht, vooral die over kleurschifting, spraken sterk tot de verbeelding van het ontwikkelde publiek. Daarnaast was men diep onder de indruk van de gravitatiewet, want eindelijk was de grondwet van de kosmos ontdekt. Wat eeuwen lang onbereikbaar was, had het wiskundig genie van Newton tot stand gebracht. Geen wonder dat hij ten slotte door sommigen bijna als een halfgod vereerd werd. De bekende Franse dichter-filosoof Voltaire stelde in een gedicht de vraag of de cherubijnen niet jaloers waren op Newton. Een Franse wiskundige stelde zelfs de vraag of Newton wel at en sliep als een gewone sterveling. De Italiaan Algarotti schreef een boek dat ook in het Nederlands vertaald werd, waarin het newtonianisme speciaal voor dames werd uitgelegd.
Mede door Newtons succesvolle methode van natuuronderzoek, waarbij zowel de experimenten als de wiskunde een belangrijke rol speelden, raakten velen in de achttiende eeuw in de ban van de natuurwetenschappen. Niet alleen werden er in verschillende Europese landen speciale genootschappen opgericht om belangstellenden met de beginselen ervan vertrouwd te maken, maar bovendien vatte allerwegen de gedachte post dat de zo succesvol gebleken methode der natuurwetenschappen ook op andere terreinen moest worden toegepast. Geen periode is misschien ooit zo sterk op het natuurwetenschappelijk denken georiënteerd geweest als de achttiende eeuw. Misschien kan men de 'meetkundegeest' en de 'wetenschapsgeest' die over velen vaardig werd, enigszins vergelijken met de 'evolutiegeest' die thans velen in bezit genomen heeft. De invloed van het newtonianisme is op talloze terreinen merkbaar: in de filosofie, de economie (Adam Smith), de fysiologie, de psychologie en de theologie. Het is voor mij dan ook onbegrijpelijk dat er nog altijd schrijvers van geschiedenisleerboeken zijn die menen dat ze met een of twee zinnen over Newton volstaan kunnen.

Alexander Comrie
Het zal de lezers van het RD misschien aanspreken als ik nog vertel dat de bekende predikant Alexander Comrie, die in 1734 bij 's Gravesande promoveerde op een historisch-ethisch onderwerp, aan zijn proefschrift 25 stellingen toevoegde, waarvan stelling 20 gaat over Newtons kleurentheorie en stelling 15 niets anders is dan een van de "regels van redeneren" die Newton gaf in de "Principia"!
Dat Newton, ondanks onze kritiek op zijn theologische opvattingen, een groot man geweest is, misschien wel de grootste natuuronderzoeker die ooit geleefd heeft, is buiten kijf. Wellicht blijkt die grootheid nog het meest uit een veelvuldig aangehaalde uitspraak die Newton aan het eind van zijn leven over zichzelf deed: „Ik weet niet wat ik voor de wereld schijnen moge, maar voor mijzelf lijk ik slechts een kind geweest te zijn, dat aan het zeestrand speelt en zich vermaakt met nu en dan een gladdere steen of een mooiere schelp te vinden dan gewoon, terwijl de grote oceaan der wereld onontdekt voor mij lag".
Dr. C. de Pater is leraar wiskunde aan "De Driestar", medewerker aan het Instituut voor geschiedenis der natuurwetenschappen van de Rijksuniversiteit Utrecht en docent natuurwetenschappen aan de Evangelische Hogeschool.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1987

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

„Schepper werkt met zwaartekracht rechtstreeks op Zijn schepping in

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1987

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken