Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zelfstandig vormingswerk moet blijven bestaan

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zelfstandig vormingswerk moet blijven bestaan

Er moet meer ruimte komen voor nieuwe ontwikkelingen

9 minuten leestijd

Staatssecretaris Ginjaar-Maas (Onderwijs) vindt dat het vormingswerk voor jongeren moet blijven bestaan. Het is volgens haar de enig mogelijke educatieve voorziening voor een deel van de jongeren in onze maatschappij. Het vormingswerk moet meer ruimte krijgen voor nieuwe ontwikkelingen. De staatssecretaris schrijft dit in de beleidsnotitie over het vormingswerk die zij vorige week met de Tweede Kamer heeft besproken. De Kamer had geen moeite met deze notitie.

In het regeerakkoord is destijds een passage opgenomen over het vormingswerk. Bovendien heeft de Tweede Kamer al in 1985 nadrukkelijk op het belang van het vormingswerk gewezen. Staatssecretaris Ginjaar-Maas heeft met het publiceren van haar notitie uitvoering gegeven aan deze afspraken. De inhoud van de notitie sluit grotendeels aan bij de al eerder gepubliceerde voorstellen van de twee landelijke organisaties voor het vormingswerk. Die twee landelijke organisaties zijn: de Landelijke organisatie voor christelijk vormingswerk (LOCV) en de Landelijke organisatie vormingswerk voor jongeren (LOVWJ). Bij de LOCV zijn ook reformatorische vormingsinstituten aangesloten; de LOVWJ is niet identiteitsgebonden. Het nu vastgestelde beleid is er in het bijzonder op gericht de traditie van het vormingswerk levend te houden en het vormingswerk de mogelijkheden te bieden om in te spelen op de behoeften van verschillende groepen jongeren, aldus de staatssecretaris.

Zelfstandigheid nodig
Het heeft er enkele jaren naar uitgezien dat het vormingswerk voor jongeren van zestien tot achttien/negentien jaar zou gaan verdwijnen. Het zou in zijn geheel worden opgenomen in het deeltijds Kort Middelbaar Beroepsonderwijs (KMBO), een nieuwe vorm van deeltijdonderwijs, die in 1983 met een proefperiode is begonnen. Door verschillende omstandigheden en oorzaken kwam men echter al snel tot de conclusie dat het vormingswerk ook als zelfstandige onderwijsvoorziening moet kunnen blijven voortbestaan.
Zonder volledig te willen zijn, noemen we hier twee zaken die mede tot die conclusie hebben geleid. Zo was en is het bij voorbeeld voor een aantal christelijke en met name reformatorische vormingsinstituten zeer moeilijk en soms onmogelijk gebleken om andere scholen van dezelfde levensbeschouwelijke signatuur als samenwerkingspartner te vinden, om samen op te gaan in het nieuw te vormen deeltijd-KMBO. Daarnaast kwam steeds duidelijker de vraag naar voren of dat nieuwe deeltijd-KMBO de eigenheid en de specifieke werkwijze van het vormingswerk wel zou kunnen overnemen. Minister Deetman (Onderwijs en Wetenschappen) zei daarover zelf al in 1984: „Voorde toekomst van ons onderwijs en voor het perspectief van vele jongeren op een eigen waardevolle rol in de maatschappij is het zelfstandig vormingswerk onmisbaar".

Staatssecretaris mevrouw GinjaarMaas schrijft nu letterlijk in haar notitie over het vormingswerk: „Het zelfstandig vormingswerk moet blijven bestaan". Dat is ook een logische conclusie, gelet op de opvatting van de minister, het Regeerakkoord, de mening van de Tweede Kamer en de voorstellen van de landelijke organisaties, de LOCV en de LOVWJ. Over de laatste voorstellen zegt de staatssecretaris dat deze „consistent" zijn en dat zij die ook in grote lijnen onderschrijft. Zij geeft vervolgens aan dat het vormingswerk de nodige ruimte moet krijgen voor nieuwe ontwikkelingen. Immers, de maatschappij is voortdurend in beweging en dat betekent dat ook de behoeften van jongeren aan vorming en opleiding veranderen en dat de zorg van het vormingswerk voor jongeren aangepast moet blijven bij die veranderingen in de samenleving. Daartoe moeten de vormingsinstituten nieuwe mogelijkheden ontwikkelen, zowel in hun relaties met andere organisaties en instellingen als in de programmamogelijkheden die zij hun deelnemers kunnen bieden. Waarom is dat eigenlijk zo nodig?

Opdracht
Als we de geschiedenis, het ontstaan en de ontwikkeling van het vormingswerk bezien, dan wordt al snel duidelijk dat de vormingsinstituten wel genoodzaakt zijn voortdurend hun programma's en methoden aan te passen aan de veranderingen in de samenleving, willen zij hun werk goed blijven doen. Dat geldt ook voor die reformatorische vormingsinstituten.
Het vormingswerk is kort na de Tweede Wereldoorlog min of meer spontaan tot ontwikkeling gekomen. Daarbij hebben in veel gevallen de kerken een belangrijke rol gespeeld. Zij kwamen, vooral in hun pastorale zorg, vaak schrijnende problemen tegen, die bij de jongeren van toen leefden, vooral bij de jongeren die op veertienjarige leeftijd direct van school aan het werk wilden of moesten. Dat was voor veel jongeren een te abrupte overgang: van de betrekkelijk veilige school in één stap door naar de voor hen soms harde wereld van de arbeid en van de volwassenen. Het vormingswerk wilde deze jongeren helpen. Door middel van van vormingsprogramma's werden de jongeren begeleid bij de overgang van school naar werk. Dat was en is nog steeds de opdracht van het vormingswerk: jongeren begeleiden, door middel van vormingsprogramma's, bij hun intrede en ingroei in de samenleving van de volwassenen.
Hoewel deze opdracht steeds dezelfde is gebleven, zal niemand willen ontkennen dat de problemen waarvoor jongeren kwamen te staan in de loop der tijd, zich in steeds wisselende gedaante hebben voorgedaan. De problemen van thans zijn niet dezelfde als die van destijds. Een paar voorbeelden: schoolverzuim, drugs, 'kleine' criminaliteit, werkloosheid, vervagende en veranderende normen en waarden aangaande het recht op leven en dood.
Als het vormingswerk de jongeren wil blijven helpen om antwoorden te vinden op de vragen en problemen waarmee zij worden geconfronteerd, dan zullen de vormingsinstituten ook steeds hun programma's en werkwijzen moeten bijstellen, om zodoende niet achter te blijven bij de realiteit. Dat is iets anders dan te leven „bij de waan van de dag". Wat het christelijk vormingswerk betreft, ook dat moet zich voortdurend vernieuwen. Maar het kan daarbij steeds teruggrijpen op de Bijbel, waarin de richtlijnen zijn te vinden om als christen door het leven te kunnen gaan, voor de omgang met de medemens en de gehele schepping.

Functies vormingswerk
Het vormingswerk kent twee centrale functies: een zorgfunctie en een educatiefunctie.
De zorgfunctie is gericht op het opvangen van, het open staan voor en het helpen van jongeren die voor zichzelf geen of weinig ruimte meer kunnen vinden in andere onderwijsvormen. Het vormingsinstituut fungeert dan als 'vangnet'. Het is bijna onvoorstelbaar hoeveel jongeren er rondlopen met, vaak opgekropte, problemen waarvoor zij geen oplossing weten. Het vormingswerk wil deze jongeren begeleiden bij het overwinnen van zich voordoende problemen, opdat zij een eigen, waardevolle en verantwoordelijke plaats in de samenleving kunnen innemen. Daarom behoort het tot de taak van de vormingsleider om goede contacten te onderhouden met voor de jongeren belangrijke milieus en instanties: thuis, werk, scholen, kerken, maatschappelijke diensten enzovoort.
De educatiefunctie is vooral gericht op het vergroten van kennis en vaardigheden, inscholing en opleiding. Ondanks vaak teleurstellende schoolervaringen weet het vormingsinstituut veel jongeren toch weer te motiveren om een bepaalde opleiding te gaan (ver)volgen. Het beschikt over daarop gerichte programma's. Maar het instituut kan uiteraard niet alle opleidings- en scholingsmogelijkheden zelf verzorgen. Daarom zijn er vaak samenwerkingsverbanden met een of meer scholen voor beroepsonderwijs en andere opleidingsinstituten. Ook op dit terrein heeft het vormingswerk meer ruimte nodig om nieuwe mogelijkheden te kunnen ontwikkelen. De huidige wetgeving werkt soms belemmerend, omdat zij niet is aangepast aan nieuwe omstandigheden. Een voorbeeld daarvan vormen de zogenaamde "leerwerkplaatsen", waarin jongeren onder begeleiding werkervaring opdoen die kan leiden tot verdere (theoretische) kennisverwerving.
De zorg- en educatiefunctie zijn onderling sterk samenhangend. Hoewel we ze hiervoor wel hebben onderscheiden, zijn ze in de praktijk van het vormingswerk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Voor sommige jongeren zal de zorgfunctie, in het geheel van het vormingsprogramma, meer benadrukt worden, voor anderen zulen zorg en educatie een gelijk accent krijgen en bij weer andere deelnemers zal de educatiefunctie voorop staan.

De praktijk
Voor een goede opvang en een verantwoorde begeleiding is het noodzakelijk dat het vormingsinstituut in eerste instantie uitgaat van de wensen, mogelijkheden en capaciteiten van de deelnemers. Er worden soepele, op de deelnemers afgestemde programma's vastgesteld, in overleg tussen de vormingsleiders en de deelnemers. Daarover worden afspraken gemaakt. Als het vastgestelde programma in de loop van het jaar niet helemaal blijkt te voldoen, is er altijd de mogelijkheid het programma bij te stellen of te veranderen. Daarnaast is er steeds de mogelijkheid om, in groepsverband of individueel, aandacht te besteden aan actuele of ingrijpende gebeurtenissen.

Zelf doen
In het vormingswerk wordt veel aandacht besteed aan het doen, het zelf ondernemen van activiteiten. Zo zijn er veel "werkervaringsprojecten" en "doe-programma's" in de verschillende instituten. Het is voor de deelnemers belangrijk om samen, als groep, iets te doen, zelf initiatieven te ontplooien. Om samen een 'klus' te klaren is samenwerking nodig, moeten er afspraken worden gemaakt, moeten de deelnemers weten wat er nodig is aan gereedschap en materiaal.
Het kan bij dit soort activiteiten gaan om het opknappen van een buurthuis, het verzorgen van bejaarden, het opknappen van oude fietsen, het repareren van rolstoelen, boodschappendiensten... Ook onderwerpen waar elders vaak over wordt gediscussieerd worden veelal behandeld op een wijze die eigen activiteiten van de deelnemers nodig maakt, bij voorbeeld door er een "project" van te maken, waarbij ieder een eigen taak krijgt om een aspect van een onderwerp te belichten. Zo kan gebruik worden gemaakt van interviews (telefoon, bandrecorder) foto's maken, knipsels verzamelen enz. De resultaten van de inspanningen van de deelnemers worden dan ten slotte samengevoegd.
Naast en in samenhang met dit soort activiteiten zijn er ook "leerprogramma's"; enkele voorbeelden daarvan zijn taal- en rekenprogramma's, typen, maar ook informatica. Hoewel de vormingsleiders veel programma's zelf verzorgen, worden er vrij vaak 'buitenstaanders' ingeschakeld. Daarbij gaat het meestal om gastdocenten, deskundigen op een bepaald gebied die voorlichting kunnen geven, excursies, stages en dergelijke.

Gevarieerd
Het vormingswerk biedt jongeren een breed scala van programmamogelijkheden, variërend van arbeids- en beroepenoriënratie of maatschappij-oriëntatie tot en met hobby-achtige activiteiten. Daarbij gaat het er steeds om de jongeren zo goed mogelijk toe te rusten om als verantwoordelijk medemens een waardevolle rol in de maatschappij (zowel in het werk als daarbuiten) te kunnen vervullen. De overheid (zowel regering als parlement) ziet de zin en noodzaak daarvan in. De beleidsnotitie van staatssecretaris Ginjaar-Maas over het vormingswerk kan als een bewijs daarvan worden gezien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1987

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

Zelfstandig vormingswerk moet blijven bestaan

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1987

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken