Bekijk het origineel

Perikelen op orgelbalkon in Oude Kerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Perikelen op orgelbalkon in Oude Kerk

De stand van zaken rond restauratie hoofdorgel van de Oude kerk te Amsterdam

12 minuten leestijd

Het orgel in de Oude kerk te Amsterdam heeft de afgelopen decennia al vele tongen in beweging gebracht. Ook op dit moment is het instrument, met name bij enkele ingewijden, vaak onderwerp van gesprek. In juni 1987 zou orgelmaker S. F. Blank de restauratie van het mechanische gedeelte afgesloten hebben. Deze laat nu nog steeds op zich wachten. De situatie op het orgelbalkon in deze Amsterdamse kerk is niet van dien aard dat er op korte termijn duidelijkheid verwacht mag worden. Toch is er een aantal zaken die maken dat verder uitstel van publikatie niet verantwoord is. Vandaag een eerste aflevering, met een nog onbekend aantal vervolgverhalen: de stand van zaken.

Het dagblad Trouw meldde vorige week in een nogal juicherige stemming dat de restauratie van het orgel in de Oude kerk te Amsterdam was afgesloten. Het eindresultaat mocht „verbluffend" worden genoemd. Wie schetste echter de verbouwereerdheid van enkele honderden bezoekers die het concert op nieuwjaarsdag bijwoonden? Klaas J. Mulder zou met werken van Bach en Händel het hoofdorgel bespelen, maar week uiteindelijk, na zo'n twintig hangers, toch maar uit naar het koororgel. Het grote orgel bleek onbespeelbaar. Inderdaad „verbluffend". Wat is er toch allemaal aan de hand? Eerst een stukje voorgeschiedenis.

Hete jaren
Een wereldberoemd, veelbesproken en veelbespeeld orgel als dat van de Oude kerk te Amsterdam is het alleszins waard om na restauratie van windladen en mechaniek indringend te worden besproken, te meer omdat er bij de huidige werkwijze nogal wat kanttekeningen te plaatsen zijn.
Dat restauratie noodzakelijk was, werd meer en meer duidelijk na de kerkrestauratie van 1955-1979. Lekkages, slecht werkende koppelingen en een onmogelijk zware speelaard waren aanwijzingen die niet langer genegeerd konden worden. Meer dan bij welk ander orgel ook veroorzaakte de voorgenomen restauratie van dit omvangrijke mstrument rond 1965 verhitte discussies.

Men denke slechts aan de snode plannen om —vooral op advies van Gustav Leonhardt— de restauratie buiten Nederland te doen plaatsvinden, waarbij het orgel omgeturnd zou moeten worden tot een 'echt' barokorgel. De gemeente Amsterdam verijdelde gelukkig deze plannen met een strikt exportverbod. De toenmalige wethouder van kunstzaken van de gemeente Amsterdam, Han Lammers, verhinderde dat het instrument vervoerd zou worden naar Zwitserland. Daar zou het orgel door de fa. Metzier onherkenbaar worden omgerestaureerd. Want in die hete jaren van de neo-barok was men al te snel geneigd om pijpwerk te versnijden, kernsteken te verwijderen, opsneden en winddruk te verlagen etc. Het resultaat van al die ingrepen zou een orgel geweest zijn dat wel tekeer kon gaan als een snoeimes, maar. waarvan het bij zovelen geliefde klankkarakter verdwenen zou zijn.

Conserveren
Wanneer het gaat om de restauratie van een historisch orgel, lopen de meningen soms geducht uiteen. De een wil per se terug naar het oorspronkelijke concept, de ander pleit voor restauratie van het instrument zoals dat in de loop der tijden is uitgegroeid, de zogeheten conservering.
In Amsterdam is uiteindelijk gekozen voor restauratie waar het gaat om het mechanische gedeelte van het orgel. Men hanteert daarvoor een werkplan in fasen, waarbij in mechanisch opzicht teruggegaan wordt naar de bouwers Vater/Müller (1726-1742), voor zover historische gegevens voorhanden zijn.
Wat het huidige klankkarakter betreft, er werd gekozen voor conservering van het pijpwerk, hetgeen inhoudt dat dit ongewijzigd blijft. Een besluit dat zeker in Amsterdam toegejuicht mag worden. Maar dat dat uitgangspunt nog voor de nodige meningsverscnillen zou gaan zorgen, mag uit deze artikelen blijken.

Blank
Dat de keuze voor de orgelbouwer die deze klus moest klaren zou vallen op orgelbouwer S. F. Blank te Herwijnen, lag enerzijds voor de hand. Deze had, evenals zijn voorgangers K. B. Blank en J. C. Sanders, het orgel al jarenlang in onderhoud. Vanuit de historische lijn die van Witte via Sanders naar Blank loopt, een begrijpelijke keuze. In 1902 namelijk werd het bedrijf van Witte opgeheven, waarna zijn medewerkers De Koff en Sanders ieder een eigen bedrijf stichtten, beiden te Utrecht. De vader van de huidige orgelbouwer S. F. Blank was werkzaam bij Sanders.
Anderzijds kan er geen twijfel over bestaan dat de fa. Blank bepaald niet meer de school Witte-Sanders vertegenwoordigt. De werkwijze van Blank is te zeer op historiserende leest geschoeid, in tegenstelling tot die van zijn-voorgangers.
Ook de doelstelling van deze restauratie (behoud van het huidige klankbeeld) maakt dat de keuze voor deze orgelmaker nog niet zo vanzelfsprekend genoemd kan worden. Blank heeft er immers nooit enig misverstand over laten bestaan dat hij terug wil naar het klankbeeld van Vater/Müller.
Als adviseurs waren bij de restauratie betrokken de heren Klaas Bolt en Gustav Leonhardt, namens de Stichting De Oude Kerk te Amsterdam, en de heer O. B. Wiersma, namens de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

Historie
In 1723 besluiten de „Edel Grootachtbaare Heeren Burgemeesteren ende Regeerders der Stadt Amsterdam" dat het toenmalige Niehoff-orgel (van J. Pzn. Sweelinck) vervangen dient te worden. De Duitse orgelmaker Christian Vater uit Hannover bouwt daarop van 17241726 een geheel nieuw instrument. De orgelkas wordt ontworpen door Jurriaan Westerman. Het orgel kreeg 46 sprekende stemmen, verdeeld over drie klavieren en pedaal. Nog tijdens de bouw heeft Vater boven het bestek drie extra stemmen toegevoegd en maar liefst op elk klavier een tremulant.

In oktober 1726 wordt het orgel opgeleverd en door drie deskundige examinatoren gekeurd en „bevonden te wezen een werk bij uitnemendheid loflik en uitmuntend". Maar men had kennelijk te vroeg gejuicht, want het orgel bleek al spoedig geen stemming te houden. Bovendien meldden historische geschriften dat „de veronderstelling dat aan de commissie van adviseurs steekpenningen zouden zijn gegeven, nader onderzoek vereiste, omdat dergelijke feiten zeker hun weerslag gevonden zouden hebben".

Boventoonrijk
Hoe het ook zij, het orgel gaf te weinig steun aan de gemeentezang en moest worden vejgroot en verbeterd. Vater (leerling van Schnitger) had een instrument gebouwd naar Noordduitse principes. Een dergelijk boventoonrijk orgel bleek zich minder goed te lenen voor de gemeentezangbegeleiding uit die dagen.
Inmiddels was Christian Müller door de bouw van zijn orgel inde Grote of St. Bavokerk te Haarlem beroemd geworden. Aan hem werd gevraagd het werk in Amsterdam uit te voeren. Aangezien Müller echter in 1724 bij de bouw van het orgel was gepasseerd (hij had wel het oude orgel afgebroken), voelde de befaamde orgelmaker niets voor deze opdracht. Hij adviseerde dan ook om zijn broer (of neef) Johann Caspar Müller uit Den Haag hiervoor uit te nodigen.
Deze maakte vervolgens zijn op- en aanmerkingen op het orgel kenbaar, wat neerkwam op een advies over te gaan tot nieuwbouw, met gebuikmaking van materiaal van Vater. Deze Haagse Müller kreeg in 1738 de opdracht en werkte vier jaar aan de ombouw.

Mechaniek
Het bestaande front werd daarbij gehandhaafd; aan de achterzijde werd de kas uitgebouwd vanwege de grotere windladen. Enkele opvallende gevolgen waren dat het door de diepere rugwerkkas niet meer mogelijk is om achter de speeltafel langs te lopen; de organist zit letterlijk fnet de rug 'tegen de muur'.
De toetsmechaniek van het Bovenwerk kon niet direct achter het front omhoog geleid wofden, maar moest helemaal achter de kas om gelegd worden. Dat leverde een uitzonderlijk lange mechaniek op met meer draaipunten dan normaal en, mede door de hogere winddruk, een zwaardere speelaard.
Müller maakte er verscheidene nieuwe stemmen bij, het pijpwerk van andere werd vervangen of opgeschoven, alles „om de voys te versterken". Ook maakte Müller negen nieuwe blaasbalgen. Na de oplevering in 1742 zijn de heren adviseurs iets terughoudender in hun beoordeling. Het werk wordt goedgekeurd, maar geeft geen aanleiding tot loftuitingen, of zo men wil: de kurk blijft op de champagnefles...

Na de dood van J. C. Müller in 1746 werd het orgel onderhouden door M. Schultze (vroegere meesterknecht van Vater), Chr. Müller (bouwer van het Bavo-orgel), J. H. H. Bätz (meesterknecht van Chr. Müller), H. Blötz, J. J. Vool en D.H. Lohman. Ook G. Nijhoff werkte nog aan het orgel. Er waren geen grote veranderingen te bespeuren. De winddruk werd wat verhoogd, de klavierkoppeling in bas en discant werd ongedaan gemaakt en enkele registers werden verwisseld, zoals de Octaaf 2 voet van het Hoofdwerk met de Quintadeen 8 voet van het Bovenwerk.

Witte
In 1870 verschijnt orgelmaker C. G. F. Witte ten tonele. Hij maakt onder andere kleine verschuivingen in de dispositie weer ongedaan, neemt dubbelkoren weg, herintoneert het een en ander, maakt enkele stemmen geheel of gedeeltelijk nieuw en verhoogt opnieuw de winddruk. De winddruk staat nu op ongeveer 95 mm.
Vooral na het werk van Witte heeft het instrument de roem gekregen die het nu nog bezit in binnen- en buitenland! Het staat vast dat Witte enkele malen ernstig geprobeerd heeft zich van zijn toezegging tot restauratie te ontdoen. Maar Amsterdam hield hem aan zijn afspraak.
Na C. G. F. Witte werkt in 1904-1905 ene G. Spit aan het orgel. Het is niet bekend wat deie allemaal gedaan heeft. De plaatsing van de Cornet op verhoogde banlt moet waarschijnlijk aan meneer Spit worden toegeschreven in plaats van aan Witte. Het lijkt niet ondenkbaar dat veel zaken waarvan men tot op heden aannam dat ze op rekening stonden van Witte, toegeschreven moeten worden aan Spit.
Nadien vernieuwt D. G. Steenkuyl het pedaalklavier en K. B. Blank, toen werkzaam bij Sanders, voorziet in 1952 het Bovenwerk van een zeer gewenste Octaaf 2 voet. Het lijkt ten slotte niet zinvol om de rigoureuze ombouwplannen uit de jaren zestig op deze plaats nog eens te releveren. In de media is die zaak toentertijd voldoende aan de orde geweest.

Fase 1
Voor de huidige restauratie is gekozen voor een werkplan in fasen. Op die manier konden de kosten worden verdeeld over meer (subsidie-)jaren. Bijkomend voordeel was de mogelijkheid aan de hand van actuele ontdekkingen en ontwikkelingen (Blank heeft het gehele instrument minutieus in kaart gebracht) tussentijds aanpassingen te doen.
Fase 1 omvat restauratie van de balgenkamer in de toren, gereed mei 1981. Bij deze gelegenheid werd ook aan het pijpwerk gestemd. Hiervan mag gezegd worden dat in grote lijnen goed werk is verricht. Toch roept een aantal zaken vraagtekens op. Waarom werden bij voorbeeld de oude Meidinger-motoren vervangen door kleinere Laukhuffmotoren, die van mindere kwaliteit zijn?
Waren de oude Meidingers wel aan vervanging toe? En konden ze niet worden gereviseerd?

Andere vraag: Pas in het najaar van 1986 wordt toegegeven dat de winddruk lager is dan de normale 95 mm. Zowel bouwer als adviseurs van de stichting blijven een verklaring schuldig. Aannemelijk lijkt dat er sinds 1981 experimenten zijn uitgevoerd met de winddruk. Wellicht om de toehoorder vast aan een lagere druk te laten wennen? Een lagere winddruk behoort immers bij het klankbeeld van Müller waarnaar Blank terug wil?
Eind 1986 bleken de schokbaigen uitgeschakeld (of verdwenen?). En wederom blijven bouwer en adviseurs van de stichting een bevredigend antwoord schuldig. Zonder meer irritant is het gegeven dat Blank sinds 1975 met de vermoedelijk vanaf 1824 aanwezige gelijkzwevende temperatuur aan het experimenteren is gegaan. Letterlijk zei hij: „De tertsen zijn niet meer gelijk, maar bijna niemand heeft het gemerkt" (citaat uit De Orgelvriend, juni 1983). Welk recht heeft de restaurateur hiertoe? Wij zien dat als experimenten die leiden in de richting van een instrument dat qua klank geen romantiek meer toestaat maar uitsluitend barok repertoire. Daarbij gaat Blank echter geheel voorbij aan een van de belangrijkste doelstellingen van deze restauratie: het behoud van het huidige klankkarakter.

Fase 2
Restauratie van de windladen van Hoofdwerk en Pedaal, gereed juni 1986.
De afsluiting van deze fase 2 veroorzaakt veel onrust onder organisten en organisatoren van de Amsterdamse orgelconcerten. Het orgel staat er in de zomer van 1986 slecht bij. Het is aannemelijk dat de fa. Blank, opnieuw geteisterd door tijdgebrek, het pijpwerk niet voldoende heeft gestemd en de mechaniek niet zorgvuldig heeft afgeregeld. De orgelklank is duidelijk minder krachtig.
Verschillende stemmen, met name de tongwerken, spreken traag aan. Groot C van de Bazuin is niet meer goed gestemd te krijgen, terwijl er over het geheel genomen sprake is van veel ontstemmingen. Een aantal pijpen spreekt in het geheel niet aan.
Orgelmaker en adviseurs hebben de volgende verklaring: Bij de nieuwe belering van de windladen zijn er pluisjes vrijgekomen, die als kleine bolletjes in de kernspleten zijn blijven hangen. Dat zou de oorzaak zijn van de slcchfé aanspraak en varfde versèhiilende ontstemmingen. Een excuus dat niet bevredigt, wel bevreemdt. Onbegrijpelijk is het om te vernemen dat de adviseurs van de Stichting De Oude Kerk te Amsterdam na deze fase, en nota bene vlak voor het drukke concertseizoen, het werk van Blank op 15 augustus 1986 voortreffelijk noemen. Zij zien de nog resterende werkzaamheden vol vertrouwen tegemoet. Of men heeft zitten slapen, öf men hanteert subjectieve maatstaven.

Zorgen
Op dit moment wordt, in tegenstelling tot de berichtgeving in Trouw, nog steeds gewacht op afronding van fase 3. Daarin zijn windladen van Bovenwerk en Rugwerk gerestaureerd. De nieuwe klaviatuur is aangebracht. Dat een en ander echter nog lang niet naar tevredenheid functioneert, is duidelijk. Er kan dan ook allerminst gesproken worden van een afgesloten restauratiefase, te meer daar de adviseurs ook hun goedkeuring nog niet hebben gegeven. Derhalve kan hier op dit moment evenmin een kritische eindbespreking worden gegeven.
Maar dat neemt niet weg dat de zorgen voor de nabije toekomst groter zijn dan het vertrouwen in een goede afloop. De staat waarin het instrument op dit moment verkeert, is niet acceptabel wanneer het vrijgegeven wordt voor concertgebruik. Het geheel wekt bij voorbeeld sterk de indruk dat het problematisch is om de trekkoppel te plaatsen.
Voorts zijn de huidige ernstige ontstemmingen en de vele hangers ontoelaatbaar in de fase waarin de restauratie zich bevindt.

Hoop
Uiteindelijk blijft het pijpwerk, en dus de klank van dit orgel, de grootste zorg. Blank laat er geen enkel misverstand over bestaan terug te willen naar de situatie Vater/Müller. Zoals de toestand zich nu aan laat zien, acht men het pijpwerk schuldig te zijn aan onstemming en slechte aanspraak. Dit is echter een te gemakkelijk gevonden excuus, daar Blank op geen enkele wijze duidelijk maakt dat hij de meest voor de hand liggende of de meest noodzakelijke reparaties uitvoert, zoals het herstellen van een rammelende frontpijp.
Het is niet uitvoerbaar om in mechanisch opzicht helemaal terug te gaan naar Vater/Müller, omdat historisch niet precies meer vastgesteld kan worden wie exact wat gedaan heeft (de nu aangebrachte nieuwe klaviatuur a la Müller is niet van Müller maar van Blank). In dit licht bezien is het dan ook alleszins verantwoord het laatste stukje nog overgebleven geschiedenis dat dit orgel heeft meegemaakt te handhaven en dus het huidige klankkarakter definitief te behouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1988

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

Perikelen op orgelbalkon in Oude Kerk

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1988

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken