Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ad den Besten, een „man van de doorbraak

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad den Besten, een „man van de doorbraak

„Het kerklied hoort in dienst te staan van de gerechtigheid. Het moet door-de-weeks wat gaan dóen!"

12 minuten leestijd

Toen, nu al weer bijna twintig jaar geleden, dr. G. Puchinger Ad den Besten interviewde over de verhouding tussen christendom en kunst, kon hij hem na afloop typeren als een kostelijk interviewobject. Met deze uitspraak kan ik het sinds kort van harte eens zijn. Als men Den Besten maar één woord, één zinspeling aanreikt, gaat hij er —zeer gemakkelijk zittend in een luie stoel— met verve op in. Je hebt als interviewer niet veel meer te doen dan zo af en toe een vraag te stellen om het gesprek te sturen en... zeer snel te schrijven.

Vorige week vrijdag werd Ad den Besten, de dichter en essayist, de psalmberijmer en schrijver van vele teksten in het Liedboek voor de kerken, de auteur van het meest recente proefschrift over het Wilhelmus en de vertaler van Duitse poëzie, 65 jaar. Om die reden werd enkele dagen voor zijn verjaardag een afspraak met hem gemaakt om over een en ander te praten.

Jaren geleden had ik hem al eens horen spreken over de moderne Nederlandse poëzie, aan de hand van Vromans gedicht "Voor wie dit leest". Dat was magistraal. Die zelfde levendigheid, hetzelfde vermogen om de dingen trefzeker te typeren, vielen ook nu weer op. Ad den Besten maakt met zijn 65 jaar bepaald geen uitgebluste indruk. Zijn werkkamer ligt bezaaid met boeken, die hij nodig heeft voor wéér een nieuw essay, een nieuwe lezing. De huiskamer wordt eveneens beheerst door het boek, evenals trouwens de gang en de hal in de etagewoning die hij —nu de kinderen de deur uit zijn— samen met zijn vrouw in Amsterdam-Zuid bewoont.

Hij geeft zelfs op verzoek van de vakgroep Duitse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam nog één dag per week college, wat uiteraard ook de nodige tijd kost voor voorbereiding en begeleiding van studenten.

Theoloog
Ad den Besten is eigenlijk altijd theoretisch en praktisch met de literatuur bezig geweest. Na het gymnasium in zijn geboortestad Utrecht doorlopen te hebben, ging hij evenwel in deze stad theologie studeren. Dat werd door de Arbeits- Einsatz van studenten al spoedig onmogelijk. De theologische studie die hij begonnen was, met de idee hierdoor aan alles te raken wat de moeite waard is, gaf toch niet wat hij ervan verwachtte, al is hij op zijn manier wel theoloog gebleven. Wèl heeft hij door zijn gedwongen verblijf in Duitsland en mede door de contacten die hij en zijn mede-studenten met leden van de Bekennende Kirche hadden, ervaren wat de kerk in het leven kan betekenen. Maar het pastorale werk dat hij na zijn periode in Duitsland als kerkelijk medewerker moest verrichten om als student uit de handen van de Duitsers te blijven, trok hem absoluut niet aan.

De liefde voor de literatuur dreef hem na de Tweede Wereldoorlog dan ook een andere kant uit. In de laatste oorlogsjaren had Den Besten bij wijze van uitlaatklep al veel gedichten geschreven en veel over literatuur gelezen. Door zijn werk bij uitgeversmaatschappij Holland in Amsterdam —waar hij van 1945 tot 1957 directie-assistent en literair adviseur was— kon hij dan ook zijn vleugels uitslaan.

Schrikbeeld

Hij Het hier de poëziereeks "De Windroos" verschijnen, een serie bedoeld voor jonge dichters in wie Den Besten, „ongeacht hun literaire richting of levensbeschouwing", iets zag. Experimentele dichters als Simon Vinkenoog, Paul Rodenko, Gerrit Kouwenaar publiceerden in deze reeks, evenals andersgeaarde dichters als Jan Wit en W. Barnard (Guillaume van der Graft). De uitgeverij gaf echter ook veel theologie uit. Eén van de eerste boeken van dr. F. de Graaff, "Het Europees Nihilisme", is door Ad den Besten persklaar gemaakt.

Over dit boek wil hij nog wel kwijt dat we De Graaffs profetie nu ten volle werkelijkheid zien worden. De computermaatschappij is voor Den Besten een schrikbeeld. „De computer kan hoogstens op juistheid aanwerken, hij geeft geen waarheid, schoonheid of goedheid. Daarom moeten we dat ding zijn plaats wijzen. We moeten oppassen

voor een wanstaltig geloof in dode materie". Al voelt Den Besten zich op en top stadsmens, hij wil het land wèl in het oog houden. Anders worden de bronnen van het bestaan verloochend en dat komt het menszijn niet ten goede. Man van doorbraak Uiteindelijk gaf ook het uitgeverswerk niet de ware bevrediging. Als 35-jarige ging Den Besten nog Duits studeren aan de Universiteit van Amsterdam, terwijl hij als leraar Duits lesgaf op middelbare scholen. Toen hij de studie in 1967 doctoraal afsloot, werd hij docent aan het Duits seminarium van dezelfde universiteit en later, tot aan zijn vervroegde uittreding, wetenschappelijk hoofdmedewerker. Al heeft Ad den Besten dan nooit als afgestudeerd theoloog de gemeente gediend, met kerkelijk werk heeft hij zich in Amsterdam-Zuid vele jaren —en nu nog— beziggehouden. Hij laat in het gesprek overigens wel duidelijk merken dat hij een bepaalde hoek van de kerk vertegenwoordigt. „Ik ben helemaal een man van de Doorbraak". Als het op een keuze aankomt tussen links en rechts, is Den Besten duidelijk links. Hij voelt zich staan in de traditie van de door hem vereerde theoloog Miskotte en weet ook Karl Barth zeer te waarderen.

Overigens is het wel opvallend dat hij nu weleens de idee heeft dat allerlei mensen hem links passeren. Onlangs nog schreef hij een boze brief aan Ria Beckers, die onzin had uitgekraamd over de Russische vredeswil. „De Praagse vredesconferentie valt nauwkeurig samen met de Russische vredesconceptie". Wanneer Den Besten dan mensen hoort spreken zonder het Oosteuropese systeem echt te kennen, voelt hij zich tot tegenspraak geprikkeld, „vooral als die opmerkingen uit de hoek komen waar ik me mee verwant voel". In dit kader merkt hij ook op dat een man als Richard Stein (voorzitter van Stiba) in zijn bestrijding van antisemitische uitingen allerlei mensen aanpakt die juist liefde voor het joodse volk hebben. Waarvan akte!

Geen horizontalisme

Wie zou menen in Ad den Besten —als een van de dichters achter het Liedboek voor de kerken— een aanhanger van hoog-liturgische vormen aan te treffen, komt bedrogen uit. Hij noemt zijn houding in dezen vrij ambivalent. Naast de bewondering die hij heeft voor zeer liturgisch-ingestelde predikanten, is er het besef dat Amos zegt: Doe het getier van uw liederen verre van mij. „Amos is er ook nog! Het kerklied hoort óók in dienst te staan van de gerechtigheid. Met de woorden van zo'n lied zou ik de gemeente als het ware onder de huid willen komen. Het lied moet door-de-weeks wat gaan dóen!" Dat betekent niet, dat het lied en de prediking in horizontalisme moeten blijven steken. Den Besten spreekt zelfs over „desastreuze ontwikkelingen" die hij in hervormde en gereformeerde kringen als gevolg van een horizontalistische instelling waarneemt. Zelfs professor Kuitert gaf ten aanzien hiervan een signaal met zijn boek "Alles is politiek, maar politiek is niet alles". Aan alle kanten is er de roep om een nieuwe spiritualiteit! Daarom heeft Den Besten het piëtisme ook altijd serieus genomen. „Een aantal piëtistische liederen behoort tot de beste. Een scheut piëtisme, of hoe je het ook noemt, hoort erbij!" Den Bestens grootvader van moeders kant was degelijk gereformeerd voor hij hervormd werd. Diens vrouw had een Kohlbruggiaanse inslag. Daardoor groeide Den Bestens moeder op in een solide gereformeerdebondsgezin. Het kan zijn, dat daar bij hem nog wat van is blijven hangen, al kreeg zijn moeder al spoedig bewondering voor de ethische richting. Ad den Besten heeft in ieder geval een goede herinnering aan de opvoeding door zijn moeder overgehouden.

Christelijk dichterschap

Ad den Besten voelt zich —desgevraagd— géén christelijk dichter. Het Doorbraak-denken, dat typerend voor hem was en is, laat zich immers niet verenigen met een christelijk dichterschap. „Christelijke literatuur? Dat is een gepasseerd station. Zo denk ik er eigenlijk nog steeds over. Ik heb nooit welbewust christelijke literatuur willen schrijven, al heb ik weleens aan "Ontmoeting" meegewerkt". Hij vindt wat voor christelijke literatuur moet doorgaan eigenlijk altijd te programmatisch. Hij schrijft in zijn vrije gedichten liever verhuUenderwijs. „Mijn gedichten zijn echter wel zó, dat je kunt merken dat ze geschreven zijn door iemand die van het christelijk geloof wéét heeft. Al zijn er ook dingen bij waarvan ik niet wil dat ze gepubliceerd worden. Als christen èn als literator heb je nu eenmaal ook verantwoordelijkheid voor de mensen, je lezers". Conclusie: Ad den Besten erkent geen christelijke literatuur, hoogstens literatuur van christenen. Hij kan dan ook, voor wat onze tijd betreft, niet geloven in een blad als "Woordwerk". „Al waardeer ik Hans Werkman zeer, alleen al om zijn voortreffelijke uitgave van de volledige gedichten van Willem de Mérode". Psalmberijming De ironie van de geschiedenis is echter wèl, zegt Den Besten, dat zij — K. Heeroma, W. Barnard, Jan Wit, J. W. Schulte Nordholt en hijzelf— bedoeld worden als men het heeft over de christelijke dichters van na de oorlog. Dat komt natuurlijk door hun werk aan de nieuwe psalmberijming en hun latere bemoeiingen met het Liedboek voor de kerken. Aan de jaren vijftig en zestig, toen ze daaraan bezig waren, denkt Den Besten nog graag terug. Vooral het driemaalper jaar zich voor een a twee weken terugtrekken op "De Pietersberg" te Oosterbeek was uiterst vruchtbaar voor de gehele groep.

Heeroma was een duidelijk inspirerende figuur, al ging zijn visie op het ambt dat de dichter in de gemeente als zodanig zou bekleden, Den Besten te ver. Ook diens taaltheologie heeft hem niet zozeer beïnvloed, al is er natuurlijk wel over gepraat. Als groep vulde men elkaar bijzonder aan. Hartverwarmend was vooral dat zij geen naijver ten opzichte van elkaar hadden als iets goed was gelukt.

Uitstervend

Den Besten toont zich nog steeds tevreden over de ontvangst die zowel psalmberijming als Liedboek ten deel viel. „Al is de generatie die dit nog verstaat en nog zingen kan, aan het uitsterven". Zijn probleem is met name: Hoe krijg ik de jeugd aan het zingen? Over de 'popmentaliteit' maakt Den Besten zich ernstig zorgen.

Maar vele Johannes-de-Heerliederen, die bij voorbeeld in de Muzikale Fruitmand van de EO zo veelvuldig te beluisteren zijn, wijst hij eveneens af. Een goed lied moet in de eerste plaats poëtisch zijn en daar ontbreekt het in het EO genre teveel aan. Den Besten ziet wel lichtpuntjes: de jeugd koopt óók klassieke muziek. „Dus wie weet, komt er hierdoor iets terug van de waardering voor het klassieke kerklied".

Datheen

Met betrekking tot de psalmberijming vertelt Den Besten, dat zij als dichters nooit serieus hebben overwogen van oudere berijmingen gebruik te maken. Ze keken nauwelijks naar de berijming van Datheen of Marnix. Nieuw en oud laten zich nu eenmaal, naar Den Bestens visie, niet met elkaar combineren. Hij wist toentertijd zelfs niet dat óók de door hem hooggeschatte dichter Revius de psalmen had berijmd. Den Besten vindt ze nü in ieder geval prachtig! Toen hij ze voor het eerst onder ogen kreeg, was hij diep onder de indruk.

Ook de berijmingen van Datheen en Marnix leerde Den Besten trouwens pas kennen toen hij zijn proefschrift over het Wilhelmus voorbereidde. Datheen mag dan metrisch gezien een grote onbeholpenheid vertonen, men krijgt volgens Den Besten echter wèl een indruk van diens grote authenticiteit! „Datheen is toch wel een dichter geweest; hij kon er echt zijn, als je beseft dat hij van de renaissancistische metriek nu eenmaal niets wist".

Eén ding neemt Ad den Besten Datheen wel kwalijk, namelijk dat hij het woordje "du", waarmee ook God aangesproken kan worden, liet vallen en koos voor het toen oprukkende "ghi". Dat tedere woord "du" zou Den Besten graag nóg gebruiken om God aan te spreken. „Nu zegt bijna iedereen U in zijn gebed tegen God; dat kan toch eigenlijk niet. Het is een burgerlijke-beleefdheidsvorm". Daarom vindt Den Besten het niet ouderwets, maar eigenlijk noodzakelijk om God aan te spreken met het enige woord dat ons na de verdwijning van "du" nog rest: Gij. „Anders trekken we de Heilige neer in onze burgerlijke sfeer".

Wilhelmus

Uiteraard komt ook, helaas slechts even, Den Bestens proefschrift over het Wilhelmus ter sprake. Hij heeft er met veel plezier aan gewerkt. „Ik werk trouwens altijd overal met plezier aan. Zelfs dingen die je niet leuk vindt, kunnen leuk worden". Zijn boek over het Wilhelmus was al klaar nog voor er van een proefschrift sprake was. De uitgever vond het echter te wetenschappelijk en daardoor kreeg Den Besten het advies er dan maar een écht wetenschappelijk werk van te maken. De auteur heeft er echter bewust naar gestreefd het essayistische niet te laten overwoekeren door een indrukwekkend wetenschappelijk apparaat. Hij blijkt het artikel van drs. A. Maljaars te kennen dat naar aanleiding van de verschijning van het boek geschreven werd in deze krant en waarin twijfel geuit werd aan het calvinistische karakter van het Wilhelmus. Den Besten blijkt echter nog steeds en zelfs nóg meer overtuigd van het calvinisme dat in het lied tot uiting komt. Misschien levert dat nog eens een goede discussie in deze kolommen op!

Verrijkend

Dr. Puchinger interviewde Ad den Besten in 1969 van 's middags vier tot 's nachts drie uur! Zo veel tijd had ik niet tot mijn beschikking en ik vermoed dat ook Den Besten zich niet opnieuw tot zo'n elf-urige sessie zou laten verleiden. Het is echter ook nu al duidelijk dat we in Ad den Besten een literator ontmoeten die onze serieuze aandacht verdient. Hij is volstrekt duidelijk wanneer hij zijn plaats theologisch èn literair afbakent. Dat kunnen we respecteren. We kunnen hem daarin niet volgen. Theologisch zijn er belangrijke bezwaren in te brengen, zowel tegen de nieuwe psalmberijming als tegen vele liederen uit het Liedboek. Den Besten weet ook, dat aan de rechterzijde van zijn eigen kerk die bezwaren zijn geformuleerd. Hij doet daarover niet minachtend, al wijst hij ze af.

Calvijn, Dordt en de calvinistische traditie laten zich ten diepste niet verbinden met de dialectisch gekleurde theologie uit de school van Karl Barth. Wanneer we dat in het oog houden, kan een confrontatie in de goede zin van het woord met de mens Ad den Besten èn diens werk zinvol en verrijkend zijn.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1988

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

Ad den Besten, een „man van de doorbraak

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1988

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's