Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het psalmboek van Heinrich Schütz

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het psalmboek van Heinrich Schütz

Psalmen Davids, vierstemmig gezet door een keurvorstelijk, Saksisch kapelmeester (1)

5 minuten leestijd

Van de vijf componisten die om de wieg van het Europese Jaar van de muziek hebben gestaan is Heinrich Schütz de minst in het oog lopende figuur geweest. Nu er veel aandacht is besteed aan het feit dat 400 jaar geleden Petrus Datheen overleed, willen wij ook eens wijzen op het voor velen onbekende psalmboek van Schütz. Volgende week bespreken we een recente uitgave, waarin een keuze uit deze psalmzettingen is opgenomen met eigen Nederlandse teksten, zogenaamde "contrafacten".

In Duitsland is vanaf het einde van de zestiende tot en met de eerste decennia van de achttiende eeuw het calvinistische psalmboek van Geneve zeer geliefd geweest. Dit aanzien dankte het aan de vertaling uit 1573 van Ambrosias Lobwasser, een jurist, die lange tijd in Frankrijk was geweest. In 1602 kwam de fanatieke Thüringer theoloog Cornelius Becker (1561-1604) met een geheel nieuw psalmboek voor de dag. Hij wilde hiermee „degenen die naar de adem van het calvinisme riekten" tegenwerken. Becker maakte een vertaling uit de grondtekst en niet, zoals Lobwasser, vanuit het Frans. In plaats van de melodieën van Bourgeois en Maistre Pierre nam hij melodieën uit lutherse gezangboeken over. Alleen de vertalingen die Luther en enkele van zijn navolgers van een aantal psalmen gemaakt hadden, behield hij. Deze werden dus niet door nieuwe vervangen. De melodieën van het calvinistische psalmboek waren echter zo ingeburgerd, dat Beckers berijming daar nimmer mee heeft kunnen wedijveren.

Becker-Psalter

Op Beckers berijming schreef Schütz nieuwe, voor koor bestemde vierstemmige melodieën, waarvan in 1628 een eerste onvolledige uitgave verscheen. Pas in 1661 verschijnt Schütz' psalmboek in een definitieve versie. Deze uitgave is in de muziekgeschiedenis bekend als het Becker-Psalter, waarvan in 1957 onder redactie van Waker Blankenburg een facsimile-uitgave verscheen. Enkele jaren na de verschijning van deze heruitgave schreef Harry Mayer een zeer lezenswaardig artikel in Het Orgel over het psalmboek van Schütz. Voor dit verhaal maken we daar onder dankzegging gebruik van.

Het is een hardnekkig misverstand om aan te nemen dat Schütz weinig waardering heeft gehad voor het gemeentelied en daarom voor het psalter van Becker maar nieuwe melodieën schreef. Nauwgezette bestudering van Schütz' meesterwerken leert het tegendeel. Om te beginnen handhaafde hij de melodieën die Becker van Luther en anderen had overgenomen. Verder blijkt Schütz in zijn eigen melodieën tal van structuren uit de Geneefse en lutherse kerkmelodieën te hebben verwerkt.

Geleende

De ware beweegreden tot het schrijven van zijn psalmboek heeft Schütz zelf meegedeeld. In zijn opdracht aan de weduwe van de keurvorst van Saksen wijst hij op de onjuistheid dat de twaalf door Becker van oudere dichters overgenomen psalmen op oorspronkelijke melodieën werden gezongen, terwijl de eigen teksten van Becker „als het ware met geleende kleding in christelijke bijeenkomsten moeten verschijnen en zich laten horen". Hieraan kunnen we nog toevoegen dat Schütz van alle vocale muziek een innig verband tussen woord en toon verlangde; hij kon zich er daarom niet mee verenigen dat een zelfde melodie voor meer dan één tekst gebruikt werd.

Schütz deelt ook nog mee hoe zijn psalmen ontstonden ten behoeve yan de huiselijke godsdienstoefeningen met de zijnen, dus met vrouw, beide dochters, een bij hem inwonende neef en enige aan zijn zorg toevertrouwde kapelknapen.

Stijl

We mogen aannemen dat Schütz in het bezig zijn met deze psalmen troost vond na het overlijden van zijn schoonzuster en kort daarna van zijn vrouw in 1625. Het is dan ook veelbetekenend dat Schütz de eerste uitgave heeft gedagtekend op 6 september 1627, precies twee jaar na net overlijden van zijn vrouw. In het voorwoord onthult hij dat hij zich bij de compositie van het psalter welbewust heeft willen richten naar enerzijds de stijl van het oude kerklied en anderzijds naar de toen moderne gewoonte om ook kortere notenwaarden aan te brengen „teneinde daarmee het gezang niet alleen levendiger, maar ook minder gerekt, beter verstaanbaar en bondiger te maken, vooral omdat deze vluggere noten, wanneer men ze in een vaste maat zingt, aan de waardigheid van het gezang niets tekort doen". Schütz heeft natuurlijk niet kunnen voorzien dat na zijn dood de gemeentezang in de isometrische vorm nog meer zou toenemen in plaats van afnemen. Dat is dan ook een van de oorzaken dat zijn psalmen lange tijd in de vergetelheid zouden geraken.

Voltooiing

De hertog van Mecklenburg liet in 1640 Schütz' koraalboek opnieuw uitgeven. En in de uitgave van een nieuw gezangboek voor de slotkerk te Zeitz voegde Schütz simpelweg aan het oude gezangboek zijn eigen Becker-Psalter toe. Het werd er tot 1736 gezongen. Toen moest het plaats maken voor het Schemelli-gezangenboek, onder redactie van J. S. Bach.

Toen in 1661 te Dresden de complete editie van het psalmboek van Schütz verscheen, waren er ten opzichte van de uitgave uit 1628 vele wijzigingen in de melodieën en zettingen aangebracht. In een afzonderlijk boekje gaf Schütz een voor organisten bedoelde generale basstem uit. Aanleiding tot de herziene uitgave was de wens van de keurvorst van Saksen, om het boek in de kerken en scholen van zijn keurvorstendom en bijbehorende landen algemeen in te voeren. Het boek sloot af met een responsorium, bestaande uit de intonatie "Alles wat adem heeft, love de Heere" en een halleluja-koor als antwoord. Door het handhaven van enkele bestaande liederen was ook een melodie opgenomen, die % Het geboortehuis van Heinrich Schütz te Bad Köstritz. vanouds in onze Nederlandse gezangboeken voorkwam, namelijk die van de "Lofzang van Zacharias"; bij Becker en Schütz is dit het uit Bachs orgelkoralen aan alle organisten welbekende "An Wasserflüssen Babyion".

Nog omstreeks 1800 zong men in de hofkerk te Dresden uit het psalmboek van Schütz. Van alle Schütz-werken bleef het Becker-Psalter het langst bekend. De psalmmelodieën van Schütz zijn van een eenvoudige schoonheid. Door de prachtige, ongekunstelde zettingen vormen ze ideale koormuziek. Ook Nederlandse uitgevers hebben ze toegankelijk gemaakt.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1988

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Het psalmboek van Heinrich Schütz

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1988

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's