Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zangers van de meimaand laten hun stem al horen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zangers van de meimaand laten hun stem al horen

Vogelen is een hobby waarvoor geen spoedcursus is vereist

8 minuten leestijd

„Nu gaan we een chapiter beginnen dat, als ik mijn vogelkennisbegerende vrienden en vriendinnen geloven moet, het moeilijkste van het hele boek zal zijn: wij moeten leren kennen de echte zangers van de meimaand, al die grauwe vogeltjes, die verscholen tusschen het loover, van den vroegen morgen tot den laten avond, ja zelfs diep in den nacht de lucht vervullen met hun zang".

Zo begon de bekende Jac. P. Thijsse, in zijn boek "Het Vogeljaar", het hoofdstuk met de titel "De echter zangers". Dat zijn de vogels die ver in het zuiden van Afrika de winter hebben doorgebracht. Op zonnige aprildagen zijn ze weer bij ons terug en dat laten ze meestal direct merken door hun gezang. Want ze zijn weer in hun broedgebied, bakenen meteen een territorium, een eigen gebied, af en trachten een partner te lokken. Dat is in deze tijd van het jaar het hoofddoel van hun zang. We kunnen de echte zangers in een paar groepen indelen. In dit artikel kunt u kennis maken met de geelgroene zangertjes.

Weinig verschil

De tjiftjaf en de fitis zijn moeilijk uit elkaar te houden. Er is uiterlijk nauwelijks verschil tussen deze zangertjes die als eerste uit Afrika terugkomen. Ze zijn beide olijfgroen op kop, rug en staart en hun onderkant is bleekgeel. Boven het oog hebben ze een duidelijke wenkbrauwstreep.

Terwijl ik dit verhaal zit te schrijven, heb ik ze dicht bij mij. Een tjiftjaf wipt in de eikebomen langs een weiland. Dit diertje heeft voorkeur voor hoge bomen en zingt graag in de top van een boom. Hij komt met zijn zang niet verder dan de herhaling van ongeveer zijn eigen naam. Daarmee begint hij altijd reeds in maart, want hij is als eerste van de geelgroene zomerzangertjes bij ons terug. Soms heel vroeg in maart. In 1957 hoorde ik hem al op de tiende van die maand, op Prattenburg bij Veenendaal. Dit jaar was dat precies op de officiële lentedatum. Wanneer de tjiftjaf terug is, kunnen zelfs hagelbuien de lente niet meer verdrijven.

Langs de slootkant scharrelt een vogeltje met hetzelfde postuur en dezelfde kleur, maar over het geheel dit diertje iets geler van kleur. Hij zwijgt, pikt bedrijvig, met snelle uitvallen, naar vliegjes of mugjes. Even later klinkt vanuit een wilgenbosje de zachte, karakteristieke % Fluiter, (tekening A. Schouten van der Velden) strofe van een fitis. Vandaag, 12 april, hoor ik hem voor het eerst dit jaar.

Dalende tonenparen

Het lied van de fitis is heel anders dan het deuntje van de tjiftjaf en daardoor zijn de op elkaar lijkende vogels toch goed te onderscheiden. Ik zal niet proberen die strofe in nuchtere letters weer te geven. Thijsse heeft dat in zijn boek, heel origineel, wel gedaan. Ik citeer van die omschrijving de slotzin, want die beschrijft het karakteristieke van het fitislied.

„Als het fitisje aan het eind van zijn blij gestemde inleiding is, dan komt er opeens een verrassende wending; in een klein, kort valletje breekt zijn stem —de weemoed van die enkele tonen is onbeschrijfelijk— en dan sterft het liedje uit, in altijd zachter wordende, langzaam dalende toonparen". Voor wie het fitislied kent, is dit duidelijk. Met wat aandachtig opletten herkent u de fitis al snel, want hij is algemeen en zeer talrijk.

Wanneer de tjiftjaf en de fitis pas uit Afrika terug zijn, zwijgen ze vaak nog enkele dagen of ze zingen wat aarzelend en steeds onderbroken. Dit merk ik op deze kostelijke lentedag opnieuw. De tjiftjaf, die al enkele weken terug is, kan niet zwijgen, maar de fitis hoor ik niet meer.

Boven een groep verdorde lisdoddestengels dansen ontelbare muggen. Het fitisje heeft ze ontdekt en fladdert er een tijdlang behendig tussendoor. Een geelgroene dreumesje tussen fletsgele lisdoddestengels, beschenen door het warme licht van de aprilzon. Als het vogeltje op deze plaats zou blijven, zou hij zich zonder veel moeite vol kunnen eten. Maar zo leven vogels niet. Rusteloos vliegt de fitis alweer naar de wilgestruik. Een vogel wil in beweging blijven en vindt overal voedsel.

Een uur later hoor ik de fitisjes opnieuw in een jong berkenbos langs de hei. Dit doet mij denken aan de duinpannen met de daar zo karakteristieke berkenbosjes. Vrijwel elk berkenbosje in de duinen is leefgebied van een paartje fitisjes. Dit vogeltje zingt steeds dezelfde strofe, maar doet dat zo ijverig dat hij tot onze beste zangers in de vogelwereld behoort.

Geestdriftig zangertje

Voor een derde zangvogel met geelgroene kleur neem ik u mee naar het beukenbos. Het is nu de mooiste tijd daarvoor. Het eerste blad is juist uit de dikke knoppen gesprongen. Het blad verschijnt eerst aan een enkele tak, die dan als een groene vlag tussen het kale hout steekt. Dan volgen snel de andere takken en na enkele dagen staan de beuken in volle lenteglorie. Het blad is dan nog teer en lichtgroen van kleur, bijna doorschijnend, waardoor het onder de oudste en zwaarste beukebomen een paar weken heerlijk licht en zonnig blijft. De bosgrond ligt dan bezaaid met de geelbruine knoppenschubben en het zonlicht geeft aan dit alles een warme kleur. Tussen dat tere lentegroen en de grijsgroene beukestammen fladdert een al even teer gekleurd vogeltje van de ene tak naar de andere, almaar zingend. In mijn oude dagboek vond ik daarover een notitie van 9 mei 1942, waarin ik de fluiterzang heb trachten vast te leggen. Die is namelijk heel duidelijk met letters weer te geven.

„Tip... tip... tip... tiptiptiptip tjrrrr. Of: tip-tip... tjuu tjuu tjuu tjuu tjuu. Zingt ook terwijl het naar een andere tak vliegt. Soms klinkt alleen: tip tip tip tip tip. Zingt meestal de eerste strofe. De eerste drie of vier tonen met korte tussenpozen, dan snel opeenvolgend en aan het eind overgaande in een rollende tonenreeks (i-klank). Het lied stijgt naar het einde in hoogte. Dan gaat het snaveltje van de fluiter omhoog en trillen de vleugels en het staartje geestdriftig. Nu en dan wordt de eerste strofe afgewisseld met de tweede: tip... tip... tip... tjuu (het laatste ongeveer vijftien maal), met een mooie langgerekte klank".

Die fluiter broedde bij een vijver in het Spanderswoud bij Hilversum. De fluiter is de grootste van de geelgroene meizangers en heeft in zijn verenkleed veel zwavelgeel en zijn buik is wit.

Beukenbos schijnt de voorkeur van deze vogel te hebben. Daarover las ik deze verklaring: „Zijn voorkeur voor beukenbossen wordt veroorzaakt door de bladluizen, door mieren daar gebracht. Die scheiden een zoete substantie af, waar allerlei kleine vliegjes op afkomen, die het grootste deel van zijn voedsel uitmaken (Van der Haegen, 1947). Thijsse noemde dit prachtige vogeltje nogal poëtisch „het lichte bladervogeltje met de fluisterstem".

Een nabootser

De vierde, ook overwegend geelgroene zanger van de meimaand is de spotvogel. Zie hem zitten in de top van een vlierstruik langs de sloot, achter een oude schuur op een rommelig boerenerf. Dat is precies de plaats waaraan deze vogel de voorkeur geeft. De omgeving van water, al is het slechts een plas of poel, is aantrekkelijk voor veel vogels, maar de spotvogel stelt dit blijkbaar als eis. Droge plaatsen laat hij over aan andere soorten.

De spotvogel is een beweeglijk dier. Hij zit geen moment stil en draait naar alle kanten met zijn kopje. Hij zingt niet zo bedeesd als de fitis, noch zo monotoon als de tjiftjaf of zo beschaafd als de fluiter. De spotvogel spert zijn snavel wijd open en laat een druk en luid gezang horen. Door zijn originele geluiden mengt hij allerlei zang en geroep van andere vogels. Opvallend vaak laat hij het geluid van de scholekster horen, het heldere "tepiet", dat bewonderaars van de weidestreken alweer wekenlang hebben gehoord.

Het is voor beginnende vogelaars gemakkelijk dat de spotvogel tijdens het zingen z'n snavel zo wijd opendoet. Daardoor is duidelijk de oranjerode binnenkant ervan te zien, een kenmerk dat alle twijfel uitsluit. De spotvogel heeft het mooiste en opvallendste geel van de vier beschreven soorten. De onderkant is helder citroengeel en daardoor opvallend. In de volksmond wordt hij plaatselijk geelborstje genoemd.

Luisteren en kijken

De kleine zangvogels zijn het gemakkeljkst te observeren in april en begin mei. Dan zijn de bomen nog kaal of de kruinen nog niet dichtbebladerd. In die tijd zijn ook nog niet alle soorten zomerzangertjes terug, wat eveneens het herkennen gemakkelijker maakt.

Vogels leert men kennen door goed te luisteren, te kijken, geluid, kleuren en vormen in het geheugen te prenten en een determineerboek te raadplegen. Voor het moderne gedoe om vogels te leren kennen door cassettebandjes met gezang en geluiden af te draaien heb ik geen waardering. Vogelen is een hobby waarvoor geen spoedcursus is vereist!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1988

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

Zangers van de meimaand laten hun stem al horen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1988

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken