Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Voor de klas kun je alleen maar honderd procent zijn

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Voor de klas kun je alleen maar honderd procent zijn"

Over een 60-urige werkweek, idealisme en veranderende leerlingen

11 minuten leestijd

ROTTERDAM - „Er blijft dus alle reden de ontwikkeling van het leraarschap in de schijnwerpers te houden". Het staat er echt in de onderwijsbegroting voor 1989. Minister Deetman wil de status van het leraarschap verbeteren, maar extra geld stelt hij er niet voor beschikbaar. Terwijl de situatie niet rooskleurig genoemd kan worden. Lange werktijden, veel overwerk, een te zware belasting, lage salarissen, vergrijzing en een nijpend gebrek aan animo voor het beroep. „Wie nog leraar wil worden is gek". Of niet?

heren hebben een volledige betrekking van 29 uur.

In opdracht van het ministerie van onderwijs en wetenschappen weri^te het Instituut voor sociaalwetenschappelijlc onderzoek (IVA) van de KathoHeke Universiteit Bra-^ bant vijf jaar lang aan een grootscheeps onderzoek naar de taakbelasting van leraren in het voortgezet onderwijs. Aan het onderzoek deden 13.000 leraren en 1600 scholen mee.

De onderzoeksgegevens werden vorig jaar weergegeven in een rapport met de veelzeggende titel: "Leraar tot (w)elke prijs". Enkele conclusies uit het onderzoek: Een kwart van alle leraren voelt zich zwaar belast door het werk, met name door het werk voor de klas. Leraren werken gemiddeld genomen 11 procent meer dan te verwachten is op grond van hun formele aanstelling. De mensen voor de klas kunnen aan hun hoofdtaak, het feitelijke lesgeven, slechts een derde van hun tijd besteden. Verder ontbreekt op veel scholen nogal eens een expliciet personeelsbeleid.

Idealist

Het leraarsberoep is volgens Deetman „een niet eenvoudige, maar wel inspirerende taak". Op de vraag hoe het komt dat steeds minder mensen die mening delen geeft de onderwijsminister zelf het antwoord: „Er is iets mis met het salaris, de werklast en de bestaanszekerheid". De minister is er dus ook achter. Maar, al wordt in de begroting voor volgend jaar gesproken van een „positieve profilering van het leraarsberoep", het mag geen cent extra kosten.

Wie nog leraar wil worden moet wel een grote idealist zijn, komen vier leraren van twee Rotterdamse scholengemeenschappen overeen. Omdat onlangs drie mogelijke 'oplossingen' voor de verlichting van de taakzwaarte in het voortgezet onderwijs zijn aangedragen, nu een gesprek daarover.

Na schooltijd zitten ze rond de tafel. Van de Planciusscholengemeenschap voor reformatorisch lager beroepsonderwijs in Rotterdam: C. L. M. van den Berge (29), naast decaan leraar maatschappijleer en A. de Gelder (27). Hij geeft Nederlands en is coördinator van de vakgroep.

B. S. van Groningen (37) geeft godsdienst aan "Guido de Bres", een reformatorische scholengemeenschap voor lyceum, havo en mavo, eveneens in de Maasstad. Zijn collega D. H. Janse (28) neemt de vakken biologie en aardrijkskunde voor z'n rekening. Alle

Van Groningen is de enige van het viertal die de stap vanuit het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs heeft gezet. Waarom? „Ik zie het als mijn levenstaak om in het godsdienstige vlak les te geven. Bovendien raak je op een gegeven moment vastgegroeid in een schoolpatroon. Het directeurschap van de basisschool gaf me niet meer die bevrediging. Het bracht veel administratieve rompslomp met zich mee en ik ben geen administrateur. In de huidige formatie is èn een klas hebben èn directeur zijn, als je het goed wilt doen, haast niet meer realiseerbaar".

60 uur

Na een aantal jaren een administratieve functie op het gemeentehuis in zijn huidige woonplaats te hebben vervuld, koos De Gelder voor het onderwijs. „Het is misschien een onlogische stap, maar mijn eerste wens is altijd het onderwijs geweest". Janse en Van den Berge rolden zo vanaf de opleiding in het veld. „Ik zag er de mooie dingen van in", bekent Van den Berge. Uit het onderzoek kwam naar voren dat een kwart van alle leraren zich zwaar belast voelt. Voelt u daarin mee?

Van Groningen: „Ik denk dat het getal behoorlijk overdreven is. Misschien als ik kijk naar collega's die een wat minder goede gezondheid hebben; dan kan ik erin meekomen. Als ik kijk naar iemand die. een baan heeft waar 's avonds niets meer op hem afkomt dan ben ik daar twee, soms drie avonden per jaar jaloers op. Het werk dat je doet moet bevrediging geven". Leerlingen roepen een leraar vaker tot verantwoording.

De ex-directeur rekent snel voor dat hij per week 60 tot 80 uur steekt in zijn leraarschap. De Gelder: „Je hebt natuurlijk pieken in het werk. Rond de examens, tentamens en rapporten. Daarna is het weer wat rustiger". Janse geeft aan dat je eigenlijk nooit klaar bent: „De tijd die je 's avonds over hebt steek je al gauw weer in het bezig zijn voor school".

De Gelder maakt een vergelijking tussen ambtenaar (bij de gemeente) en semi-ambtenaar (bij het onderwijs). „Om vijf uur 's middags trok ik de deur van het gemeentehuis achter me dicht. Twee uur later was ik dan al aan het studeren waar ik de hele avond voor had. Nu kan ik hoogstens een avond per week vrijmaken voor m'n studie. Er zijn zelfs weken bij dat ik iedere avond werk voor school. Op het gemeentehuis kon je het ook druk hebben, maar dat speelde zich af tussen half negen en half vijf en dat stopte om vijf uur. De drukte van je school neem je mee naar huis".

Miljonair

„Het zijn natuurlijk de eisen die je aan jezelf stelt die maken in hoeverre jij je taak als belastend ervaart", zegt Van den Berge. „Het ligt aan jezelf en het is dus duidelijk niet voor iedereen gelijk".

Van Groningen: „Het werk wordt een belasting als je voelt dat je het niet meer aan kunt. Dingen die je jezelf aandoet, bij voorbeeld leerlingenbezoek, kun je daar niet onder rekenen. Zoiets neem je zelf op je". Volgens Janse zijn er leraren die redeneren vanuit het standpunt: voor die tijd word ik betaald, dus werk ik ook voor die tijd. „Daarnaast willen ze graag nog wat tijd overhouden om andere dingen te doen". Alert reageert zijn Guido-collega: „Als ik daar van uit zou

„Idealisme kan wel eens door materialisme de grond worden ingeboord". (Van links naar rechts: Van den Berge, Van Groningen, De Celder en Janse). moeten gaan, had ik allang miljonair moeten zijn". Sommigen van u hebben er, naast hun lesgevende taak, een taak binnen de school bijgekregen. Hoe ervaart u dat?

Van den Berge: „Voor het decanaat krijg je taakuren (uren waarin geen les gegeven behoeft te worden, RP). Ik ken collega-decanen die voor hetzelfde werk toch maar de helft van het aantal taakuren krijgen. Dat heeft er natuurlijk ook alles mee te maken in hoeverre iemand z'n taak als belastend ervaart".

Als coördinator van de vakgroep Nederlands heeft De Gelder een taakuur. „Dat is onvoldoende, al hangt het er natuurlijk van af wat je er zelf van maakt". De leraar heeft begrip voor de situatie. „De directie moet natuurlijk schipperen met de taakuren die er zijn te verdelen".

Van Groningen heeft twee taakuren om tien klassen, met een totale omvang van driehonderd leerlingen, te begeleiden. Hij vindt het leuk en doet er zelfs nog een schepje bovenop. „Het feit dat de directie er uren voor beschikbaar heeft gesteld, stimuleert mij om er meer uren, in m'n eigen tijd, voor uit te trekken". Gevolg is wel dat hij vrijwel iedere pauze is bezet.

„Als je naast je lesgevende taak op school nog een andere taak hebt, geeft dat voor jezelf meer bevrediging. Je bent bereid er dan meer eigen uren in te steken", concludeert De Gelder.

Hoofdpijn

Werken in het voortgezet onderwijs is, in vergelijking met het basisonderwijs, op drie punten belastender, aldus Van Groningen. „Je hebt ieder uur andere klassen, de voorbereiding vergt veel meer tijd en de hoeveelheid corrigeerwerk is vele malen groter. Zowel lichamelijk als geestelijk is het een zware baan".

Janse voegt aan het rijtje van zijn collega de grootte van een klas toe. „Om een klas van twintig of een van dertig leerlingen te bespelen; dat scheelt nogal wat". De Gelder: „Puur lesgeven is veel zwaarder dan bij voorbeeld typewerkzaamheden. Je kunt als je achter een bureau zit en je voelt je maar 60 procent, toch je werk doen. Voor de klas kun je alleen maar honderd procent zijn. Als jij je wat minder voelt, is de klas nog moeilijker te hanteren".

Daarop inspelend zegt van Groningen: „De tijd dat ze rekening houden met jouw hoofdpijn is voorbij. Een collega zei onlangs nog dat hij achter een vuilniswagen zou willen lopen. Je hoeft dan alleen maar een zak te pakken en in de wagen te gooien. Op school heb je een complex aan problemen die goed functioneren voor de klas onmogelijk kunnen maken". Zijn de leerlingen veranderd?

Van den Berge: „Ze zijn drukker geworden en eisen veel meer van je. Het concentratievermogen wordt kleiner. Verder word je door leerlingen en hun ouders steeds vaker ter verantwoording geroepen voor je handelen in en buiten de les. Bij het uitdelen van straffen wordt het handelen van de leraar nogal eens ter discussie gesteld".

Van Groningen zegt van zichzelf altijd vrij vrolijk gestemd te zijn. „Als je een klas binnenkomt en je bent maar een tikkeltje anders vragen ze al of je chagrijnig bent. Ze letten steeds op je".

Jus is er af

Voor het feit dat Deetman geen geld heeft om de situatie te wijzigen, hebben de leraren geen goed woord over. „Dan moet hij niet van die rigoureuze veranderingen invoeren", oordeelt Van Groningen. „Men wil de kwaliteit van het onderwijs goed houden maar als daar geen geld voor is, zal het gaan over de ruggen van het personeel".

De Gelder: „De minister heeft gesteld dat 80 procent van alle leerlingen het algemene niveau van de basisvorming moet halen. Dus ook ibo- en Ibo-leerlingen. Hij geeft geen mogelijkheden om die leerlingen beter op te leiden dus zullen de leraren het zelf moeten doen, naast alle andere werkzaamheden". Van Groningen blijft een idealist: „Als je zoiets hoort dan ga je zelf vast aan het werk. Je kun^ lang wachten op uitsluitsel van de minister. Idealisme kan ook wel eens door materialisme de grond worden ingeboord. Kijk nou eens naar een vergelijkbare baan in het bedrijfsleven wat ze daar verdienen. Vroeger kreeg je als onderwijzer vrij wonen en een telefoonvergoeding. De jus is er al af en als het zo door gaat, gaat de boter er ook nog af'. Moet je een pure idealist zijn om in het onderwijs te (willen) werken?

De Gelder: „Ik heb pas een artikel gelezen waar als kop boven stond: Wie nog leraar wil worden is gek". Van Groningen: „Je bent idealistisch bezig. Je wilt de leerlingen wat bijbrengen en hebt contact met hen. Dat is niet in geld uit te drukken. Het werk in het onderwijs is een opgave en een stukje waardering. Die waardering houdt je op peil".

Janse: „De een wijst naar de directie, de ander naar de minister, maar als collega's kun je elkaar toch ook helpen? Je kunt ervaringen uitwisselen en elkaar tot steun zijn. Door het met elkaar aan te pakken wordt ieder z'n taak misschien verlicht". Van den Berge ervaart het contact dat leraren van verschillende scholen regelmatig in sectieverband hebben als zeer nuttig

Tobben

De taakverlichting voor leraren zal zeker geld gaan kosten. Het IVA becijferde dat een verkleining van de volledige betrekking van leraren met 10 procent de loonkosten in het voortgezet onderwijs met 5 a 10 procent zal doen stijgen.

Volgens De Gelder worden de schooltaken die buiten het lesgeven om moeten gebeuren meestal gegeven aan docenten die het lesgeven aardig in de vingers hebben. „Ze hebben minder moeite met het lesgeven, maar krijgen toch minder uren omdat ze een aantal taken hebben". Van den Berge: „Degenen die het lesgeven als minst belastend ervaren krijgen taken toebedeeld. Je gaat toch geen taak geven aan iemand die 28 uur staat te tobben voor de klas?"

Van Groningen: „Toch zou het voor die mensen best eens goed zijn om daarvoor in aanmerking te komen. Iemand kan organisatorisch erg goed zijn, maar voor de klas grote moeite hebben met allerlei zaken".

Van den Berge: „Een paar uur minder werken betekent ook minder inkomsten. Maar de wezenlijke problemen liggen ergens anders. Een daarvan is de mentaliteit van de leerlingen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 8 november 1988

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

„Voor de klas kun je alleen maar honderd procent zijn

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 8 november 1988

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken