Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pot met gouden munten stond onbewaakt in boerenschuur I

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Pot met gouden munten stond onbewaakt in boerenschuur I

Randwijkse vondst brengt naar schatting minstens zeven ton op

6 minuten leestijd

RANDWIJK - Toen de 19jarige Gert Jan Jaspersen uit Randwijk en zijn even oude vriend Martin Kramp op 21 november 1987 bij het uitgraven van een garagevloer op een oude pot vol munten stootten, hadden ze geen flauw idee dat ze de vondst van hun leven hadden gedaan. De boer bij wie ze aan het graven waren evenmin. De pot met inhoud werd achteloos in een schuur neergezet, waar ze dagenlang onbewaakt bleef staan. Dat de goudvondst een van de grootste van deze eeuw was, kregen ze pas veel later te horen.

De late ontdekking van de werkelijke waarde van de vondst in het Betuwse Randwijk verklaart waarschijnlijk waarom het nieuws over de spectaculaire opgraving tot nu toe slechts de kolommen van enkele regionale kranten heeft gehaald. Verder speelt mee dat de boer op wiens terrein de 578 munten werden gevonden elke vorm van publiciteit heeft gemeden. „Ik houd niet van dat gezeur van jullie", reageert hij korzelig. „Ik vraag toch ook niet wat u verdient?"

Welwillender zijn de vinders Gert Jan Jaspersen en Martin Kramp, ook al moeten ze nog steeds wennen aan het idee dat ze binnenkort een kapitaal bedrag op hun bankrekening kunnen laten bijschrijven. „We wachten het maar rustig af", zegt Gert Jan.

Stomverbaasd

Beide families waren bevriend met elkaar en zo kwam het dat boer Andeweg uit de buurtschap Lakemond in november '87 naar de moeder van Gert Jan Jaspersen belde met de vraag of een van haar zoons een karweitje wilde opknappen. 
Er moest grond uitgegraven worden voor een nieuwe garage. Al gauw nadat mts-leerling Gert Jan en zijn vriend Martin de spa ter hand hadden genomen, beseften ze dat het een flinke klus was. De bodem zat vol oude kloostermoppen. Toen ze een uurtje gegraven hadden, stootten ze op een aarden pot die tot de rand toe gevuld was met munten. De vondst werd aan de boer overhandigd, die zich net zo min als de vinders realiseerde hoe waardevol die munten wel waren. 
Dagenlang stond de pot met inhoud onbeheerd in een schuur. „Ik wist ook niet wat ik met die rommel aan moest", verontschuldigt boer Andeweg zich.
Op advies van derden lichtte hij naderhand de burgemeester in, die onmiddellijk doorverwees naar het Koninklijk Penningkabinet in Leiden. Via dit kabinet belandde de goudvondst uiteindelijk bij de Bussumse munten-kenner Laurens Schulman van het vermaarde veilinghuis Schulman uit Amsterdam. 
„Sprookjesachtig", zegt Schulman als zijn herinneringen naar die tijd teruggaan. Stomverbaasd stelde hij vast.dat de vondst de ene zeldzame munt na de andere bevatte. „Het gros van de munten glimt alsof ze gloednieuw zijn. Er zijn zelfs 16e-eeuwse rozenobels bij van uitzonderlijke kwaliteit. Unieke exemplaren! Het is bijna te mooi om waar te zijn".

Zeven ton 

Schulman taxeerde de waarde van de vondst op zeven ton. „En dat is aan de voorzichtige kant", tekent hij er zelf bij aan. De helft van de opbrengst, zo regelt het Burgerlijk Wetboek, is bestemd voor de eigenaar van de grond, de andere helft behoort aan de vinders). Boer Andeweg, die het hele bedrag meende te kunnen claimen, kon dat maar moeilijk verkroppen. De verhouding tussen de bevriende fatnilies is intussen danig bekoeld. Andeweg wilde zelfs geen gezamenlijke veiling. Zijn deel zal nu op 9 september in Utrecht onder de hamer gaan, terwijl dat van de vinders op 7 en 8 november in Bussum zal worden geveild.
Twee van de 578 munten zijn al aangekocht door het Koninklijk Penningkabinet. Directeur H. W. Jacobi toont zich met deze aankoop bijzonder in zijn schik. Het gaat om uiterst zeldzame rozenobels, een uit Gelderland en een uit Engeland.
„Die hadden we niet eerder gezien", zegt Jacobi. Welk bedrag zijn kabinet voor de munten op tafel heeft gelegd; wil hij niet prijsgeven. „Maar het was zoveel, dat we een extra krediet moesten aanvragen".
Tienduizenden guldens?
Jacobi: „In die orde, ja". De Randwijkse vondst omschrijft Jacobi als heel bijzonder. „Het gros van de munten is erg gaaf. Daar zullen de verzamelaars massaal op afkomen want het is heerlijk om zulke mooie munten te bezitten".
Dat de goudschat vrijwel ongeschonden is, heeft verschillende oorzaken. Aan de hand van de jongste munt kan worden afgeleid dat de muntenpot rond 1609 in de grond is gestopt. Veel munten dateren van kort daarvoor. Dat betekent dat ze nauwelijks in circulatie zijn geweest.
Bovendien vertegenwoordigden ze voor die tijd een grote geldwaarde. „Vergelijk het met een briefje van 5 en van 1000 gulden", licht Jacobi toe. „Een briefje van 5 is doorgaans beduimeld, een briefje van 1000 is meestal gaaf. Zo was het ook met de geldstukken in die tijd".

Uitgezocht werk

Laurens Schulman, die het vindersdeel zal veilen, omschrijft de goudvondst van Gert Jan Jaspersen en Martin Kramp als de grootste van deze eeuw na Serooskerke. In laatstgenoemde plaats werd in 1966 een goudschat gevonden die nog een kleine duizend munten meer omvatte.
„De Randwijkse vondst is om verschillende redenen zeer interessant", zegt Schulman. „Sommige munten zijn de eerste, van andere waren er slechts drie of vier over de hele werd bekend. En de kwaliteit is natuurlijk uitgezocht werk". uitzonderlijk. Het is uitgezocht werk".
Van belang is ook, zegt Schulman, dat de munten vóór 1606 zijn geslagen. „In dat jaar kregen de Verenigde Nederlanden een eigen monetair stelsel, waardoor geleidelijk een forse geldstroom op gang kwam. Dat was dus het begin van het geldstelsel zoals wij dat kennen. Vóór die tijd werd de waarde van de munten bepaald aan de hand van het gewicht in goud of zilver. Het deed er dus niet toe waar de munten vandaan kwamen. Dat verklaart meteen waarom deze vondst buitenlandse munten bevat".
De belangstelling voor de veiling zal internationaal zijn, voorspelt de Bussumse muntenspecialist. „Mijn catalogi worden verstuurd van Brazilië tot Tokio en van Zuid-Afrika tot Mexico. Na de oorlog is over de hele. wereld de belangstelling voor oude munten explosief gegroeid. Ook de waarde is in gelijke mate gestegen. We hebben tijden gekend dat de prijs in twee maanden tijd verdubbelde".
Het Voorspellen van de opbrengst is in het geval van de Randwijkse vondst erg moeilijk, vindt Schulman. „Je weet niet wat het koperspubliek doet als er plotseling 200 rozenobels worden aangeboden waarvan er tot nu toe slechts drie of vier bekend waren. Ik verwacht in ieder geval veel koopjesjagers".
De vinders en de eigenaar van de grond zullen 10 tot 15 percent van de opbrengst moeten afstaan aan de veilinghuizen. Ook de fiscus zal zijn deel opeisen maar dat zal bescheiden zijn omdat vondsten onder de vermogensbelasting vallen. Er zal dus genoeg overschieten. Gert Jan Jaspersen wil er „een leuk autootje" van kopen. „En voor de rest blijf ik maar gewoon doen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 22 augustus 1989

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

Pot met gouden munten stond onbewaakt in boerenschuur I

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 22 augustus 1989

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken