Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wat zegt

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Wat zegt "de" kerk tegen "de" politiek?

7 minuten leestijd

De overheid heeft de roeping de gereformeerde religie te beschermen. Dat is onder ons buiten kijf. Even stellig bevestigen dat de kerk ook een roeping heeft ten opzichte van de overheid is moeilijker. "De" kerk bestaat immers niet. Er is sprake van een onmetelijke kerkelijke verdeeldheid. Bovendien, wat kan de roeping van de kerk ten opzichte van de overheid feitelijk nog Inhouden?

In de zeventiende en de achttiende eeuw was de overheid min of meer aanspreekbaar op de gereformeerde belijdenis. Die tijd is -na de Franse Revolutie- voorbij. Wij leven nu in een meer-partijendemocratie. 
De negentiende eeuw was vervolgens de eeuw van de vele kerkscheuringen, door sommigen betiteld als „een wonder". De Dordtse Kerkorde is evenwel in de meeste kerken afgeschaft en vervangen. Daarmee is zelfs de formele opdracht aan overheidspersonen tot bijwoning van „de kerkediensten" vervallen. De stem van de kerk is de stem geworden van een roepende in de woestijn. Die praktijk dringt tot grote bescheidenheid.

Twee klippen

Er zijn inmiddels twee klippen waarop wij gevaar lopen te stranden. Enerzijds is er de wetenschap dat met het verval van de theologie, met de leervrijheid, waar deze officieus of officieel de toon aangeeft, ook het spreken in politieke zaken is gedevalueerd. Kerken relateren hun spreken niet meer rechtstreeks aan de Tien Geboden. Zij mengen zich vaak rechtstreeks en gedetailleerd in ingewikkelde politieke kwesties. Daardoor verliest hun spreken het karakter van het profetisch getuigenis en wekt het de indruk van brutale bemoeizucht. Anderzijds is er de verleiding om, ontmoedigd door de gevolgen van de Franse Revolutie en bescheiden geworden door de kerkelijke verdeeldheid, de prediking geheel te richten op. het persoonlijke heil. De verleiding is groot om aan de betekenis van het Woord voor politiek en samenleving voorbij te zien.

Er zijn er dus, ook wel binnen de gereformeerde gezindte, die —om nipt op deze klippen te stranden— elke kerkelijke politieke activiteit afwijzen. Zij laten deze over aan de Staatkundig Gereformeerde Partij, de Reformatorische Politieke Federatie of de partij van hun keuze.

Niet alleen persoonlijk heil

Politiek beperk ik niet tot het handelen van een paar honderd mannen en vrouwen in Den Haag. Ik versta er onder de hele publieke zaak, de ontwikkelingen die zich voordoen op het terrein van overheid en samenleving. God en Zijn Woord eisen de hele schepping en samenleving op voor Zijn dienst. . De bediening van dit woord is toevertrouwd aan de kerk. In de ambtelijke verkondiging van de kerk ligt dan ook een gezag, dat welke politieke partij ook zich nooit mag aanmatigen. De kerk mag dus niet alle politieke verantwoordelijkheid delegeren aan de politieke partijen.

Wij mogen ons ook niet zonder meer neerleggen bij de bestaande kerkelijke verdeeldheid, waardoor het niet mogelijk is met één stem de overheid aan te spreken. Wij hebben daarin samenwerking te zoeken met andere kerken van gereformeerde belijdenis.

Het is al evenmin juist om de prediking alleen te richten op het persoonlijk heil. Wij hebben ons eenvoudig aan onze belijdenis te houden. De belijdenis in artikel 36 NGB dat de kerk schuldig is de overheden „gehoorzaam te zijn in alle dingen, die niet strijden tegen Gods Woord" heeft een keerzijde. Die keerzijde is, dat de kerk de overheid duidelijk heeft te maken wat wél strijdig is met Gods Woord.

Gekenmerkt door nood

Er zijn —ondanks de historische ontwikkeling in kerk en staat na 1795— steeds onderwerpen gebleven waarover ook de kerken van de gereformeerde gezindte zich hebben uitgesproken. We denken aan de kwestie van abortus provocatus; de film "The last temptation of Christ". Dat spreken gebeurde dan via Deputaten bij de hoge overheid.
Dit spreken gebeurt betrekkelijk willekeurig. Want het wordt vrijwel altijd gekenmerkt door nood. Niet willekeurig dus voor wat betreft de bijbelse fundering. Het volste recht heeft de kerk, als de Tien Geboden direct in het geding zijn. Juist het spreken op grond van die Tien Geboden verklaart mede waarom er wel activiteiten plaatshebben ten aanzien van als zodanig herkende en verwerpelijke volkszonden, maar bij voorbeeld niet op het terrein van het milieu, bewapening of techniek.

Wij moeten ons natuurlijk afvragen, of aan dergelijke vragen hetzelfde gewicht mag worden toegekend als aan de kwestie van abortus en euthanasie. Zijn de vragen van milieu, bewapening en techniek op een zodanige wijze aan Gods uitdrukkelijke geboden te relateren, dat Deputaten bij de hoge overheid zich daarvoor tot de regering moeten wenden? Of ligt hier juist de grens van het concrete politieke detail, waarde eigen verantwoordelijkheid van de politicus zwaar gaat wegen?

Prediking

Hetls moeilijk om die vraag te beantwoorden. Wel ben ik ervan overtuigd, dat de beantwoording van de vraag hoever de verantwoordelijkheid van een synode of Deputaten bij de hoge overheid reikt, begint bij de prediking. De overheid zit —globaal gesproken— niet meer onder die prediking. Dat betekent echter niet, dat de prediking dan ook niets meer hoeft te zeggen over maatschappelijke zaken, als het Woord daar aanleiding toe geeft. Juist daardoor zou er licht kunnen vallen op een nieuw verstaan van de vraag, hoever de kerk moet gaan in haar getuigenis.

Het individuele heil behoort in de eerste plaats aan de orde te komen in de prediking. Maar de rechtvaardiging kan niet zonder de heiliging. De bediening van Woord en Geest wil de kerk tot een zoutend zout maken, wil haar ook haar politieke roeping doen verstaan. Dat mag er enerzijds niet toe leiden dat de kerk gaat fungeren als een soort nieuwe politieke partij die zich uitspreekt over elk politiek detail. Haar leden —door de prediking gedrongenmogen actief zijn binnen de democratie. Het mag er anderzijds wel toe leiden dat kerkelijke Deputaten bij de hoge overheid zich er —eveneens door de prediking gedrongen— op bezinnen of de kerkelijke stem luid en vaak genoeg gehoord wordt.

Gelovige burger?

Wij zijn de bibliocratie, de bijbels gebonden democratie kwijt, waarbij kerk en politiek als twee ogen op elkaar betrokken zijn. Wij zijn onmachtig om —in eigen krachti— tot de verwezenlijking van dat ideaal te geraken. Dat verleide ons dan ook tegelijk niet tot het standpunt dat niet de kerk, zeker niet de theologie, maar het kerklid de relatie tussen geloof en politiek tot uitdrukking moet brengen. Het volle accent valt daarbij op de gelovige burger en zijn politieke partij. In het huidige tijdsgewricht vooral op de mondigheid van die "gelovige" burger.

De uiterste consequentie hiervan trok dr. H. M. Kuitert, toen hij zei: „Dat christenen aan politiek moeten doen, ontlenen ze aan hun geloof, waar en hoe ze aan politiek moeten doen ontlenen ze aan de basisregels van humaniteit zoals naastenliefde, solidariteit en gerechtigheid". Zo mag het niet!

Geweten

Het is de profetische taak van de kerk om vanuit het Woord het geweten van volk en overheid te zijn en om allen en een.ieder terug te roepen tot bekering. In de prediking zal dan ook aandacht gegeven moeten worden aan samenlevingsvragen. De kerk heeft te spreken vanuit de wetenschap van haar gezag, ook in politieke zaken. Gezag, maar met niet meer dan de macht van het Woord. Profetisch en niet regerend.

Als er geen rechtstreekse aanwijzingen zijn in dat Woord, moet de kerk zich des te voorzichtiger uitlaten. In plaats van direct te gebieden en te verbieden kan de kerk in sommige gevallen beter tot jaloersheid verwekken. De kerk moet geen greep naar de macht doen, mag niet op de stoel van de overheid gaan zitten.

Niet zwijgen

Door de democratie die in plaats van aan de waarheid zich bindt aan de meerderheid, door het feit dat de magistraten niet gereformeerd (behoeven te) zijn, door de grenzeloze verdeeldheid van de kerk zijn wij verder van ons ideaal dan ooit. Twee ogen? Het ene staart zich blind op gerechtigheid zonder God en het andere is bijna gebroken. Een noodsituatie voor land en volk. 
Maar dat mag ons niet doen zwijgen. Gods Woord eist de hele samenleving op voor Zijn dienst en eer en de kerk mag, moet die eis verwoorden. In de richting van de politieke verantwoordelijkheid dragende leden van de kerk en ook via door de generale synode als het meeste kerkelijke orgaan benoemde Deputaten bij de hoge overheid. Het gezag van de kerk, neen, het gezag van het Woord in politieke zaken blijft.
Groen van Prinsterer heeft het ons voorgehouden: „Gij weet, dat voortdurend verzuim, voortdurende verergering te weeg brengt...". „Ook bij de ongunst der omstandigheden kan er getuigenis afgelegd worden. Dit voortdurende getuigenis zelve is reeds krachtige praktijk. De prediking der gerechtigheid is onder het voortduren der ongerechtigheid niet overtollig".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 september 1989

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

Wat zegt

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 september 1989

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken