Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Tafereeltjes in een Hollands binnenhuisje

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Tafereeltjes in een Hollands binnenhuisje

Hildebrand heeft zich met de Camera Obscura leeggeschreven als literair prozaïst

7 minuten leestijd

In het najaar van 1939 verscheen de "Camera Obscura". Een toen nog dun boekje, geschreven door Hildebrand, het pseudoniem van Nicolaas Beets. Dit boek zou Beets een blijvende plaats in de Nederlandse letterkunde bezorgen, maar dat zal dè auteur toen niet gedacht en verwacht hebben.

Het boek kwam in 1839 niet uit de lucht vallen. In de voorafgaande jaren had de auteur reeds diverse proeven van humoristisch proza laten verschijnen in almanakken en tijdschriften. De eerste uitgave van de "Camera Obscura" was een tamelijk dun boekje met slechts tien bijdragen, waaronder de drie grote verhalen "Een onaangenaam mens in de Haarlemmerhout", "De familie Stastok" en "Een oude kennis". Reeds het jaar daarop was een herdruk nodig. De derde druk (1851) betekende een verdubbeling in vergelijking met de eerste twee drukken en bevatte nu ook "De familie Kegge" en "Gerrit Witse". Tot de zevende druk (1871) werd de bundel steeds weer uitgebreid, zodat uiteindelijk een boek met een respectabele omvang ontstond. Vooral na 1900 volgden de herdrukken elkaar snel op: in 1900 verscheen de twintigste, in 1920 reeds de veertigste druk. Het is duidelijk: de "Camera Obscura" is een klassiek boek geworden.
Als we de "Camera Obscura" vergelijken met andere humoristische werken uit die tijd, bij voorbeeld- "Waarheid en dromen" van Jonathan (=J. P. Hasebroek) of "Studententypen" van Klikspaan (= Joh. Kneppelhout), dan kunnen we alleen maar vaststellen dat Hildebrand zijn vrienden als humoristisch schrijver verre overtreft.

Schimmen

De titel is ontleend aan een apparaat dat toentertijd gebruikt werd bij de tekenkunst. Dit apparaat —camera obscura, hetgeen betekent donkere kamer- projecteert een observatieobject via een 

lens op een plaat zodat het ongestoord bestudeerd kan worden zonder er rechtstreeks naar te kijken in de werkelijkheid. Dit is de bedoeling van de titel: de auteur schetst personen (en situaties) uit zijn omgeving zonder dat die het weten. Dit kan allerlei misverstanden wekken.

Natuurlijk heeft Hildebrand gewerkt met gegevens uit de realiteit, maar een literair werk is nooit een kopie van de werkelijkheid. De auteur had de lezers daarop reeds gewezen. Hij gaf hun de waarschuwing mee dat de „schaduwen en schimmen van Nadenken, Herinnering en Verbeelding in de ziel vallen als in een Camera Obscura". Nadenken, herinnering en verbeelding: dat ip iets anders dan een objectieve, realistische tekening!

Bovendien worden die schaduwen en schimmen bijgewerkt, gegroepeerd en opgekleurd. En dan volgt de waarschuwing: „Men moet er evenwel geen portretten op zoeken; (...)". tijdgenoten, met name lezers uit Haarlem, Leiden en omgeving, gezocht naar personen die als voorbeeld hebben gediend van Hildebrands typen als Nurks en Stastok!

Bedoeling

Het boek is, blijkens de narede bij de eerste druk, bedoeld als een afscheid van de academie en de academievrienden. De studententijd is voorbij en de maatschappij wenkt.

Die maatschappij, waarin de auteur zelf weldra zou plaatsnemen, wordt op studentikoze wijze waargenomen en op humoristische wijze getekend. Hildebrand schetst tafereeltjes in Hollandse binnenhuisjes, gesitueerd in een biedërmeiersfeer.

Het boek heeft geen satirische bedoeling. Wel komen er soms wat satirische trekjes in voor en komen enkele personages er niet zo best vanaf, zoals de heer Van der Hoogen in "De familie Kegge". De overheersende stemming is echter die van mildheid. De auteur tekent, met een glimlach van begrijpen en met een gevoel van sympathie, de kleine verdrietelijkheden en dwaasheden van het leven. Humor a la Heine, humor verbonden met diepe tragiek en Weltschmerz, treffen we in de "Camera Obscura" niet aan.

Maar het boek geeft méér dan alleen maar het grappige en komische. Achter de lach en het grappige gaat meer dan eens een zekere ernst schuil. Een goed voorbeeld hiervan is "Een oude kennis", mijns inziens een van de beste verhalen, vooral ook omdat het diepgang heeft. Het handelt over mr. Bruis —Buikje!—, die zich veel voorstelt van het weerzien van een oude studievriend. Dat weerzien en de voorbereiding daarvan wordt grappig beschreven: een puffend dikkerdje loopt op een warme middag door een uitgestorven plaatsje. Maar het verhaal is niet zonder ernst: de hoopvolle verwachting van mr. Bruis wordt weldra een desillusie, want zijn studievriend was hèm eigenlijk al helemaal vergeten. Een klein stukje tragiek dus: de voortgaande tijd holt alles uit, ook vriendschappen die onvergankelijk lijken. Hildebrand doet hier beslist meer dan wat Potgieter denigrerend „kopieerlust des dagelijksen levens" noemde.

Kwaliteit

Er valt in de "Camera Obscura" heel wat te genieten. De auteur plaatst de lezer steeds voor verrassingen en onverwachte wendingen. Hij bezit het vermogen tot scherpe, ironische observatie. Zo komen personages voor ons te staan met hun typische eigenaardigheden waarin we onszelf herkennen. Met enkele trekken zet Hildebrand bepaalde typen voor ons neer: een onaangenaam mens (Nurks), een wereldvreemde, stuntelige student (Pieter Stastok), een 'omhooggevallen' figuur die de fijne beschaving van de hogere standen mist (vader Kegge).

Vooral ook in details valt er te genieten. De stijl is vaak verrassend. De auteur heeft het gewaagd de taal „het zondagspak uit te trekken en wat natuurlijker te doen lopen", zoals hij zelf schreef. Zo wordt een jodin in de diligence met een rake vergelijking voor ons neergezet: „als een oosterse edelsteen gevat tussen twee christenen". En vader Stastok, conservatief in zijn opvattingen, wordt in één curieuze opsomming trefzeker getekend: hij stelde zich tevreden „met een vrij aardig inkomen, een onverzettelijke afkeer van stoommachines, en de Haarlemse courant". Hildebrand toont in de beste verhalen een woordvirtuositeit die slechts door weinigen in zijn tijd werd geëvenaard.

Een „probleem?"

Ook op dit punt hebben sommige onderzoekers naar een „probleem" gezocht. Waarom schreef de auteur, ook nadat hij de pastorie was ingetrokken, niet méér dergelijke verhalen?

Het antwoord is vrij eenvoudig. Allereerst is Beets, na het schrijven van de voornaamste verhalen in de "Camera Obscura", geen student meer. Hij is predikant geworden, met hart en ziel, uit volle overtuiging. De sfeer van het studentenleven is hij dan ontgroeid en juist in die sfeer, met een tikkeltje arrogantie, zijn de verhalen ontstaan. In alle verhalen treden dan ook studenten op.
Daar komt nog iets bij. Hildebrands talent was in één opzicht beperkt: hij had een tekort aan scheppende verbeelding. Wie de belangrijkste verhalen naast elkaar plaatst, ontdekt veel gemeenschappelijks in de opbouw en uitwerking: steeds weer —zoals gezegd— studenten die optreden en de daarbij behorende studentensfeer, steeds weer het'stramien van op bezoek gaan of bezoek ontvangen, steeds weer ouders die trots zijn op hun kinderen enzovoorts.
Hildebrand, zo moet onze conclusie zijn, heeft zich met deze bundel verhalen volledig leeggeschreven als literair prozaïst. Hij viel in herhaling. De bron raakte meer en meer opgedroogd. Voor zijn zwijgen als humorist hoeven we dus geen ingewikkelde verklaring te zoeken en we hoeven er helemaal geen „probleem" van te maken.

Spel

Beets heeft zich nooit geschaamd voor de "Camera Obscura". Ook als predikant besteedde hij aan elke herdruk grote zorg. Maar Beets was wel van Hildebrand weggegroeid. Dat had hij de lezers eigenlijk reeds bij de eerste druk in 1839 aangekondigd door een motto van Horatius op de titelpagina dat betekent: „Het is geen schande gespeeld te hebben, maar niet (tijdig) opgehouden te hebben met spelen".
De "Camera Obscura" was in hoofdzaak een spel. Een virtuoos spel. Aan dat spel kwam een eind toen de auteur plaatsnam in de maatschappij. Hij meende toen als predikant zijn talent anders te moeten gebruiken. Wie zal hem dat recht ontzeggen?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1989

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Tafereeltjes in een Hollands binnenhuisje

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1989

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken