Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Nog steeds forse groei staatsschuld

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Nog steeds forse groei staatsschuld

financiële notities

5 minuten leestijd

Minister Ruding heeft in zijn naar verwachting laatste Miljoenennota nog eens de waarschuwende vinger opgeheven. De financiële positie van de overheid verbetert weliswaar gestaag, maar de in 1982 ingezette saneringsoperatie is niet voltooid. Het verloop van de staatsschuldquote vormt het belangrijkste aanknopingspunt om het tweede deel van die conclusie te onderbouwen.

Het financieringstekort van de overheid is nog steeds te groot. Een duidelijke indicatie op dat punt biedt de almaar stijgende staatsschuldquote, de omvang van de staatsschuld als percentage van het nationaal inkomen. Ruding gebruikt dat verhoudingsgetal dan ook als kapstok waaraan hij zijn pleidooi in de Miljoenennota ophangt voor een verkleining van het tekort in de komende kabinetsperiode met niet 2 procentpunten, zoals CDA, PvdA en VVD willen, maar 3 procentpunten.

Zijn topambtenaar Maas, thesaurier-generaal, greep de bijeenkomst die Van Lanschot Bankiers traditioneel op Prinsjesdag organiseert aan om te beklemtonen dat Nederland, als het gaat om de ontwikkeling van die staatsschuldquote, in internationaal opzicht volledig uit de pas loopt.

De Miljoenennota laat opnieuw zien hoezeer het Rijk zich in de laatste decennia in de schulden heeft gestoken. In 1990 zal het totaal aan geleend geld in vergelijking met 1970 nagenoeg zijn vertienvoudigd.
In laatst genoemd jaar ging het om een bedrag van 33 miljard gulden. Eind 1990 is de schuld gegroeid tot naar schatting 317 miljard. De grootste stijging trad op in de tweede helft van de jaren zeventig en de eerste helft van de jaren tachtig, toen de tekorten erg hoog waren. De staatsschuld vermeerderde toen jaarlijks met zo'n 15 a 20 procent. In 1989 zitten we trouwens nog altijd op een toename van 8 procent.

Absolute cijfers zeggen echter niet zo veel. Iemand met een hoog inkomen kan een groter bedrag lenen bij de bank dan iemand die weinig verdient. Hij beschikt immers over meer financiële middelen om aan zijn rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen. Hetzelfde geldt voor de gemeenschap in haar totaliteit. Dat de staatsschuld oploopt, is bij een groeiende economie niet zo erg, maar als zij voortdurend sneller stijgt dan het nationaal inkomen, wordt het bedenkelijk. Welnu, tusen 1970 en 1990 klimt de schuld, gerelateerd aan dat nationaal inkomen, van 33 naar 71 procent.

Nederland behoort binnen de OESO tot de lidstaten met de grootste overheidsschuld. Deze organisatie hanteert als uitgangspunt voor een vergelijkend overzicht niet de staatsschuld maar de overheidsschuld, dus de schuld van het Rijk plus die van provincies en gemeenten. Ons land zit dan op 90 procent van het nationaal inkomen. Alleen Ierland (128 procent), België (127 procent) en Italië (100 procent) gaan ons voor. De Bondsrepubliek bij voorbeeld heeft een quote van slechts 45 procent. Bovendien zijn wij in de periode 19861990 koploper als het gaat om de stijging van dat verhoudingsgetal. Veel landen slaagden erin de opwaartse lijn om te buigen, maar bij ons breidde de overheidsschuld verder uit, van 74 naar 90 procent.

Financieringsbehoefte

Schuld leidt tot rentelasten en aflossingsverplichtingen. In 1970 werd door het Rijk 2 miljard gulden aan rente betaald (1,5 procent van het nationaal inkomen). Op de begroting voor 1990 wordt 23 miljard (5,2 procent) voor dit doel gereserveerd. De rente is na Onderwijs en Wetenschappen de omvangrijkste uitgavencategorie en tevens de snelst stijgende uitgavenpost. De overheid geeft meer uit aan rente dan, om maar eens iets te noemen, aan volkshuisvesting of milieu. De oplopende rentelasten leiden tot verdringing van andere uitgaven en maken de begroting minder flexibel. In 1990 ligt de bestemming van 13 procent van het rijksbudget op voorhand vast.

De aflossingen zijn eveneens fors omhoog gegaan, van 1 miljard in 1970 tot 20 miljard in 1990. Samen met de omvang van het financieringstekort bepalen zij de financieringsbehoefte. Het Rijk moet immers lenen om het verschil tussen uitgaven en inkomsten te overbruggen èn om de aflopende schuld te vernieuwen. Die financieringsbehoefte stijgt van 2 miljard gulden (1,6 procent van het nationaal inkomen) in 1970 tot 41 miljard (9,2 procent) in 1990.

Tot nu toe zijn de achtereenvolgende ministers van financiën steeds erin geslaagd om zonder problemen voldoende middelen uit de kapitaalmarkt aan te trekken. Maar Ruding benadrukt in de Miljoenennota dat de Staat in een steeds kwestbaardere positie komt te verkeren. Dat vloeit in de eerste plaats voort uit de toename van de financieringsbehoefte zelf. Die heeft uiteraard de afhankelijkheid van de ontwikkelingen op de markt vergroot.

Daarnaast wijst de bewindsman op de veranderingen in het houderschap van de staatsschuld. Tussen 1985 en 1988 liep het aandeel van de institutionele beleggers (pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen) terug van 51 naar 47 procent. Tegelijk breidden buitenlandse beleggers hun aandeel uit van 14 tot 19 procent. Het resterende deel van de uitstaande obligaties was in handen van banken en particuliere beleggers. De verschuiving in genoemde richting geeft aan dat de Staat voor de financiering van het jaarlijkse tekort en voor de herfinanciering van de vervallende schuld meer en meer is aangewezen op buitenlandse beleggers, en de belangstelling uit die hoek voor de vastrentende waardepapieren van de Nederlandse overheid mag nog minder vanzelfsprekend worden beschouwd als die van de binnenlandse beleggers.

Uit de toegenomen vraag vanuit het buitenland in de afgelopen jaren mogen we concluderen dat betrokkenen de in guldens luidende staatsobligaties aanmerken als een solide belegging. We moe-: ten echter maar afwachten of dat zo blijft.
Zonder een verdere gezondmaking van de overheidsfinanciën zou het vertrouwen best eens kunnen tanen. In dat geval ziet de Staat zich genoodzaakt een steeds hogere rente te bieden om alsnog de interesse van beleggers te wekken en raken we steeds verder van huis. Om verschillende redenen is dus een ombuiging van de opwaartse trend van de staatsschuldquote in de nieuwe kabinetsperiode, hoogst wenselijk. Die wordt waarschijnlijk echteralleen gerealiseerd als het financieringstekort daalt tot 2 procent in 1994.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 september 1989

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Nog steeds forse groei staatsschuld

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 september 1989

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken