Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Krijgt de catechismus aandacht op school?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Krijgt de catechismus aandacht op school?

Luther vond onderwijs in de geloofsleer „een moeizaam stuk werk, maar wel noodzakelijk"

11 minuten leestijd

Er is een tijd geweest dat het leren van de catechismus op school een vanzelfsprekende zaak was. Men kon zelfs geen schoolmeester worden zonder de gelofte te hebben afgelegd „de jeugd daarin getrouwelijk te zullen onderwijzen". In de rumoerige tijd na de Franse Revolutie kwam daarin echter zo'n radicale ommekeer, dat de catechismus zelfs een verboden leerboek op de scholen werd. Welke plaats krijgt de geloofsleer tegenwoordig op de basisschool?

In onze pluriforme samenleving genieten de scholen een ongekende vrijheid. Er wordt binnen het christelijk onderwijs dan ook zeer verschillend gedacht over het zogenaamde leerstellig onderwijs. De ene school doet er trouw wat aan, meestal in de hoogste groep(en). Andere scholen doen er wéinig of niets (meer) aan, om welke reden dan ook.

Hoe moet onze houding zijn? Is het leerstellig onderwijs inderdaad een taak voor de basisschool? En -zo ja- hoe geven we hieraan dan gestalte in de praktijk? Vragen die nu, in een tijd van kerkverlating op grote schaal, om een grondige bezinning roepen.

Allereerst dient de vraag beantwoord te worden of de school wel een taak heeft in het overdragen van de geloofsleer. Dat de overdracht van geloofswaarheden een wezenlijk element uitmaakt van de godsdienstige opvoeding, staat buiten kijf. Alle opvoeding gaat immers uit van normen en waarden. Men voedt niet alleen op volgens bepaalde normen, maar draagt diezelfde normen, in ons geval de geloofswaarheden, ook over aan het volgende geslacht.

Ouders, kerk en school

Ongetwijfeld is deze opvoeding primair een taak van de ouders. Zij zijn op grond van de doopbelofte verplicht hun kinderen „in het opwassen hiervan (namelijk in de „voorzeide leer") breder te onderwijzen".

Ook de kerk heeft een verantwoordelijkheid naar de jeugd van de gemeente. Zij heeft de taak de kinderen te bewaren bij en in aanraking te brengen met het Evangelie van Jezus Christus, waarbij kennis van de geloofsleer onontbeerlijk is. De catechese werkt toe naar het afleggen van openbare geloofsbelijdenis.

Bij het uitvoeren van de opvoedingstaken van ouders en kerk kan de hulp van de school niet gemist worden. Hier worden kennis en vaardigheden bijgebracht die de kinderen in hun latere leven nodig zullen hebben. Het zou onwaarschijnlijk zijn het leerstellig onderwijs daar buiten te laten vallen als zijnde overbodig. Als leer- en opvoedingsinstituut heeft de school juist goede mogelijkheden om hierop in te spelen in de dagelijkse onderwijspraktijk.

Het „doen onderwijzen" uit het doopformulier ziet dan ook op het catechetisch onderwijs van kerk en school, als aanvulling op en voortzetting van het onderwijs door de ouders zelf. Het is echter de bedoeling van onze vaderen niet geweest daarmee de huisgodsdienst en -catechese te verdringen. Integendeel, de ouders blijven de eerst aangewezenen en eindverantwoordelijken voor dit onderwijs. Helaas voelen zij zich wel eens te snel ontheven van hun plicht en schuiven het leerstellig onderwijs te gemakkelijk af naar kerk en school...

Na die nuchtere vaststelling mag de taak van de school in het leerstellig onderwijs helemaal geen punt van discussie meer zijn. Integendeel, op haar rust een dubbele verantwoordelijkheid!
Onderzoek naar de schoolse catechese in vorige eeuwen levert interessante gegevens op voor ons onderwerp. De reformatoren waren warme voorstanders van grondig catechetisch onderwijs aan de jeugd, ook op de scholen. Zij protesteerden daarmee tegen de grote onwetendheid van de leken in de Roomse Kerk van de late Middeleeuwen.

Reformatie

Luther, die twee catechismi op zijn naam heeft staan, betoogde in zijn Tafelgesprekken dat „de Catechismus moest blijven bestaan": „Aan de openbare prediking in de kerk heeft de jeugd over het algemeen niet veel, want de kin- i deren onthouden en leren er niet veel van. Maar dat doen zij wel, als men hun in de school of aan de huizen degelijk onderwijs geeft en hen overhoort en ondervraagt over hetgeen zij geleerd hebben. Dat geeft veel nut. Het is wel een moeizaam stuk werk, maar het is noodzakelijk. Omdat de kerk onder het pausdom deze arbeid niet betracht heeft, is de gemeente Gods ook zo verwaarloosd".

Ook Calvijn schreef eigenhandig een catechismus voor de Geneefse jeugd. Van nem is bekend hoe hij de onderlinge wedijver tussen de studenten, compleet met uitgeschreven prijsvragen en beloningsmethoden, uitbuitte, om zodoende de leer van de Hervorming te verbreden en te verdiepen. Hoe we nu ook over die methoden denken mogen, in elk geval staat vast dat de hervormers doordrongen waren van het grote belang van het leerstellig onderwijs.

Meer eenheid

In de volgende eeuwen kwam er langzamerhand meer eenheid in de catechese. De verschillende catechismi, alom verspreid en bekend geworden dank zij de boekdrukkunst, moesten plaats maken voor de bekende Heidelbergse Catechismus (1563). Geen van de eerder uitgegeven catechismusboekjes heeft het zo lang uitgehouden als dit "Schatboek" van Ursinus en Olevianus.

Kohlbrügge vond het zo'n voortreffelijk werk, dat hij aan het einde van zijn leven als een laatste vermaning aan zijn volgelingen meegaf: „Mijn kinderen, de Heidelberger, de eenvoudige Heidelberger, houdt daaraan vast". Dat was bijna drie eeuwen na de eerste uitgave. En de reformatorische kerken en scholen van onze twintigste eeuw vragen van predikanten en leerkrachten nog steeds ondertekening van de Drie Formulieren van Enigheid, waaronder... de Heidelberger Catechismus.

Ook in een ander opzicht kwam er behoefte aan meer eenheid in het catechetisch onderwijs, namelijk in het samenwerken tussen gezin, kerk en school. Men voelde dat men, wilde men iets bereiken, elkaar nog hard nodig zou hebben. Reeds op het Convent van Wezel (1568) werd dit probleem aangesneden en als volgt vastgelegd: „De ouders en de schoolmeesters hebben de opdracht om hen (de kinderen) thuis en in de school naarstiglijk te onderwijzen; opdat zij hetgeen in de kerk geleerd is, vanzelf herkauwen".

Op de Synode van Dordrecht (1618) kwam men er uitgebreid op terug. Deze vergadering stelde dit onderwijs niet alleen in de gezinnen en kerken verplicht, maar ook moest op de scholen hieraan gewerkt worden: „Tot deze bediening der scholen zal niemand, dan die een lidmaat is der Gereformeerde Kerk, en versierd met getuigenissen van een oprecht geloof en vroom leven, en in de catechetische leer wel geoefend, gebruikt worden, en die met ondertekening zijner hand de confessie en de Nederlandse catechismus toestemt, en heiliglijk belooft, dat hij naar deze wijze van catechiseren de jonkheid, hem toebetrouwd, in de fundamenten der christelijke religie naarstiglijk zal onderwijzen". Men moest niet alleen volgens, maar ook in de geloofsleer onderwijzen.

Verplicht leerboek

Zo werd de Catechismus ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden (17e en 18e eeuw) een verplicht leerboek op school. De jongste kinderen leerden de Tien Geboden, het Onze Vader, de Twaalf Artikelen en dergelijke, terwijl de ouderen steevast de catechismus van buiten moesten kennen.

Tekenend voor het karakter van dit gereformeerd schoolonderwijs was het uithangbord aan een Rotterdams schoolmeesterswoning in die tijd, met daarop het volgende rijmpje: „Dae de walvis Jona uitspoog, ging hij te Ninevé preken en leren. Hier leert men de kinderen de gebeden, de vragen van buiten en gaat men uit catechiseren".
In het gewest Utrecht verscheen in 1766 een "Orde" of "Instructie" voor schoolmeesters, waarin betreffende het catechetisch onderwijs gesteld werd: „...welke Vragen en Antwoorden hij den Kinderen alle weeken zal afhooren, zo veel doenlijk is...". Verder diende hij volgens dezelfde constructie „te verzorgen, dat alle Zondagen eenige, ten minsten twee van zijne Scholieren, des Christelijken Katechismus Vragen en Antwoorden in de Kerke voor den Predikstoel opzeggen". Deze wekelijkse ceremonie moest uiteraard op school grondig geprepareerd worden.

Delegeren

Uit beide aangehaalde voorbeelden blijkt in ieder geval de centrale plaats die de catechismus in de toenmalige volksscholen innam. Dat de kerk zelf de catechese soms al te gemakkelijk 'delegeerde! naar de school, zal wel waar zijn. De predikanten zullen ook toen wel genoeg aan hun hoofd hebben gehad en de schoolmeesters, die in veel gevallen tegelijk „koster, voorsanger en doodgraver" waren, konden dat er ook nog wel bij hebben... Anderzijds had de school voor het catechismusonderricht nu eenmaal de mogelijkheden in huis. En zo komen we dan aan het opschrift boven de Heidelbergse Catechismus: „Onderwijzing in de Christelijke Leer die in de Nederlandse Gereformeerde Kerken en Scholen geleerd wordt".
Kerk en school dienden uiteindelijk hetzelfde doel: verbreiding van het Evangelie onder het volk. Steeds meer kwam de school, als verlengstuk van het gezin en als „planthof van de kerk" (Festus Hommius), tussen die beide te staan. De school in dienst van de ene, gereformeerde, kerk.

Verboden leerboek

Wat niemand tot dan toe had kunnen vermoeden, werd na de Franse Revolutie werkelijkheid: alle leerstellig onderwijs moest van de scholen verdwijnen. De —tot hiertoe verplichte— catechismus werd zelfs verboden leerstof. De gemengde school, met roomse, joodse èn protestantse kinderen, moest voortaan opvoeden „tot christelijke en maatschappelijke deugden". De leer van de catechismus wierp te veel tegenstellingen op tussen de gezindten, in plaats van juist de „vrijheid, gelijkheid en broederschap" van de gelovigen te accentueren. In het nieuwe denken zou de deugdbetrachting het gaan winnen van de geloofsleer.

Ook in pedagogisch opzicht kon men niet meer uit de voeten met het catechetisch onderwijs: dit zou veel te moeilijk zijn en „...voor kinderen niet geschikt, dewijl er vele dingen inkomen, die zij niet .verstaan". Voor „bejaarden" (bedoeld werden de volwassenen) was de catechismus al moeilijk genoeg, „en hoe zou het dan naar de vatbaarheid van kinderen kunnen berekend zijn?" 
Het is niet toevallig dat men juist toen kwam met allerlei pedagogische en didactische bezwaren tegen de catechismus. We weten beter: men kon de inhoud ervan niet meer rijmen met de verlichte ideeën die toen opgeld deden. 
De catechismus paste niet meer in het schema van de tijd.

Van het een kwam het ander. Op een gegeven moment werd zelfs de Bijbel geweerd van de „christelijke"(!) school. Hoe diep het revolutionaire denken wel zat, bewijst ons de geschiedenis van de schoolstrijd. Pas in 1920 zouden ook "scholen met de Bijbel" weer aanspraak kunnen maken op volledige subsidie van het Rijk. Maar op hoeveel scholen waren de catechismusboekjes ondertussen in onbruik geraakt?

En nu?

Na 1920 kreeg het leerstellig onderwijs op veel christelijke scholen weer officieel een plaats in het leerplan. Zo wordt hieraan nog steeds op heel wat protestants-christelijke scholen regelmatig aandacht besteed.

Andere scholen evenwel zagen onder invloed van de veranderde pedagogische en didactische inzichten geen reden meer het onderwijs in de catechismus (opnieuw) in te voeren, hoewel men wel van leerkrachten ondertekening eiste van de Drie Formulieren van Enigheid. Plaatselijke en kerkelijke omstandigheden kunnen hierbij ook een rol gespeeld hebben.

Voor de reformatorische scholen is het leerstellig onderwijs altijd een vast, natuurlijk gegeven geweest. De meeste van deze ('kerk'-)scholen kwamen immers voort uit onvrede over de godsdienstige opvattingen van andere plaatselijke scholen. Juist het veiligstellen van de leer van de kerk was de reden tot het stichten van 'eigen' scholen. De geloofsleer kreeg er dan ook een vaste plaats in het onderwijs en is daaruit niet meer weg te denken.

De meeste basisscholen van deze richting gebruiken nog steeds de Heidelbergse Catechismus. Andere scholen stapten over op "Kort Begrip der christe lijke religie", een samenvatting van de catechismus, opgesteld door Herman Faukelius op verzoek van de Dordtse Synode.

Gebrek aan kennis

Het onderricht in de geloofsleer is vandaag meer dan ooit nodig. Allerwegen wordt geklaagd over een ontstellend gebrek aan kennis van de Bijbel en de leer van de kerk. Daarom lijdt het geen twijfel dat de vraag „De Catechismus op school?" bevestigend beantwoord dient te worden. Duizenden jongeren keren de kerk de rug toe. Daar zullen verschillende oorzaken voor zijn, maar zeker ook onbegrip van bijbelse waarheden. En hoe zou men de belijdenis liefkrijgen als men haar niet kent?

In grote delen van de gereformeerde gezindte wordt thuis vrijwel nooit meer over deze zaken gesproken. De kerk vindt het moeilijk de jeugd nog te bereiken met de boodschap des Heils. De tijd is gekomen dat alle kansen aangegrepen moeten worden. Luther: „Er is geen groter schade voor de Christenheid, dan de verwaarlozing der kinderen. Daarom, indien men de Christenheid weer helpen zal, zo moet men waarlijk met de kinderen beginnen". Verrassend actuele woorden!

In een tweede artikel gaan we in op het 'hoe' van het leerstellig onderwijs op school. Luther noemde dat in zijn tijd al een moeizaam stuk werk. En sindsdien is het er niet gemakkelijker op geworden. 
P. C. Beeke is directeur van de Herman Faukeliusschool in Middelburg.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1989

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Krijgt de catechismus aandacht op school?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1989

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken