Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Mest snel onder de zoden werken niet de beste oplossing"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Mest snel onder de zoden werken niet de beste oplossing"

IMAG werkt aan integrale aanpak ammoniakprobleem

8 minuten leestijd Arcering uitzetten

WAGENINGEN - Mest zorgt, als het wordt uitgereden, voor problemen. Niet direct zichtbaar, maar op termijn onoverkomelijk. Er komt namelijk ammoniak vrij, een van de veroorzakers van zure regen. Het RIVM-rapport "Zorgen voor morgen" stelt daarom waarschuwend dat die uitstoot de komende jaren met 80 procent omlaag moet. Op alle fronten wordt ondertussen gewerkt aan oplossingen. "Mestinjectie" en "zodebemesting" helpen wel maar pakken de kern van het probleem niet aan, zo stelt J. Oosthoek, plaatsvervangend hoofd van de sectie Milieutechniek van het Instituut voor Mechanisatie, Arbeid en Gebouwen (IMAG).

Het IMAG is een onderdeel van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek. De sectie Milieutechniek is een onderdeel van de hoofdafdeling bedrijfsgebouwen van het instituut. Dat mag op het eerste gezicht wat merkwaardig lijken, maar na de toelichting van Oosthoek is de historische verklaring duidelijk. Deze in 1985 ingestelde afdeling is namelijk ontstaan uit mensen die zich bezighielden met mestverwijdering en -scheiding, wat voor die tijd met name betrekking had op stallen. De rest van de mensen is afkomstig van de Rijks Agrarische Afvalwaterdienst.

Kortweg kan gesteld worden dat Milieutechniek zich met mest bezig houdt. Van de dertig medewerkers richten er zich ongeveer vier —in samenwerking met onder andere TNO— op de zogenaamde centrale grootschalige mestverwerking. Zij zijn onder andere betrokken bij de proefprojecten van Memon in Deventer en Promest in Helmond. Beide houden zich bezig met het verwerken van mest tot droge korrels, die elders in de wereld zullen worden aangewend.

Mestkorrels

Oosthoek: „Als er gesproken wordt over het mestoverschot, rekent men nu uitsluitend met het gehalte aan mineralen dat er in zit. Momenteel wordt paal en perk gesteld aan de hoeveelheden fosfaat. De hoeveelheid fosfaat die in de mest zit, is bepalend voor de mestgift. In '91 gaat de norm nog verder omlaag. Dat betekent dat er steeds meer mest over blijft. De centrale

In Putten staat een van de gierzuiveringsinstallaties van de Stichting Mestbank Gelderland. Hier wordt kalvergier geschikt gemaakt voor verdere verwerking. mestverwerking moet daarvoor een oplossing bieden. Ze maken er korrels van, die vervolgens geëxporteerd moeten worden. Anders neemt de hoeveelheid mineralen in Nederland nog niet af".

Behalve met deze activiteiten houdt deze sectie zich vooral bezig met de problemen die kalvergier en zeugenmest opleveren. Dit zijn mestsoorten waarvoor door middel van zuiveringsinstallaties oplossingen worden gezocht. Het IMAG houdt zich bezig met de begeleiding en optimalisering van deze opstellingen.

De afdeling "lucht" houdt zich vooral bezig met de zogenaamde ammoniakemissie: de mate waarin in de mest aanwezige stikstof in de lucht terechtkomt. De ammoniak die op deze wijze in het milieu terechtkomt, is medeverantwoordelijk voor het ontstaan van zure regen. Emissie vindt plaats in de stal, tijdens opslag en bij het uitrijden.

Meetgegevens

Een van de taken van de afdeling "lucht" is te bepalen om wat voor hoeveelheden het nu eigenlijk gaat. Omdat er erg weinig over dit onderwerp bekend was —in 1982 werd gesignaleerd dat ammoniak een probleem zou worden, in 1985 kwam er pas geld voor onderzoek beschikbaar— werd aanvankelijk veel aandacht besteed aan het ontwikkelen van technieken om te meten. De laatste jaren is er vooral aandacht besteed aan het vaststellen van de omvang van het probleem.

Overigens onderstreept Oosthoek dat meetgegevens nooit helemaal compleet zijn. „Bij het uitrijden speelt bij voorbeeld het weer een belangrijke rol. Vorig jaar noemen we daarom een "goed" emissiejaar. Het was een warme en droge zomer; dan komt er veel ammoniak vrij. Algemeen is wel bekend dat in de eerste tien uur na het uitrijden de hoogste emissie plaatsvindt".

Pluimveestallen

In 1987 is het onderzoek naar de omvang van het ammoniakprobleem pas echt opgestart. De pluimveestallen werden als eerste onder de loep genomen. „We hebben de verschillende systemen vergeleken. Daarbij bleek dat hoe sneller de mest uit de stal verwijderd is, hoe minder ammoniak er vrij komt. Het systeem waarbij de natte mest twee keer per week uit de stal wordt verwijderd, afgesloten wordt opgeslagen en goed wordt aangewend (dat wil zeggen direct na het uitrijden onder werken) lijkt qua emissie een goed systeem te zijn. Als de mest dagelijks uit de stal wordt verwijderd is de emissie nog beduidend minder. In stallen waar de mest al wordt voorgedroogd en waarbij wekelijks wordt ingezameld is de emissie ook laag. Deze mest moet echter wel worden doorgedroogd en afgesloten worden opgeslagen".

„In 1988 hebben we drie verschillende stalinrichtingen voor mestvarkens onderzocht. We dachten aanvankelijk dat hier hetzelfde zou gelden als voor de pluimveestallen: Dat de emissie dus het laagst zou zijn als de mest zo snel mogelijk de stal uit is. Uit de metingen bleek dat dat niet zo is. De oorzaak daarvan ligt in de manier waarin stikstof wordt uitgescheiden. Kippen doen dat in andere vorm dan varkens en koeien. Het duurt bij hen een tot twee dagen voor uit het urinezuur ammoniak vrij komt. Bij varkens en koeien vindt die omzetting direct plaats. Snelle verwijdering van de mest heeft dan ook geen zin".

Spoehysteem ^v>^ s

„Stallen met een spoelsysteem —de mest valt door het rooster in een kelder, die geregeld gespoeld wordt— hebben weer het probleem dat ©pfgeen water ^gebruikt kan worden. Daardoor gaat de kwaliteit van de mest namelijk achteruit. Dat vergroot het probleem. Wij hebben toen bedacht dat we het vloeibare deel van de mest —na beluchting, waardoor ammoniak wordt omgezet in niet-vluchtig nitraat- als spoelvloeistof te gebruiken. Vergeleken met vroeger komt er door dit systeem 60 procent minder ammoniak vrij!" „In 1989 waren de rundveestallen aan de beurt. We kwamen er al snel achter dat het heel moeilijk is om daar hoeveelheden te meten. De meeste rundveestallen zijn namelijk natuurlijk geventileerd. Daardoor is niet te meten hoe snel de lucht zich verplaatst en hoe veel lucht er door de stal gaat. Bovendien verschilt de concentratie heel sterk. Samen met de Landbouwuniversiteit zijn we nu bezig met een nieuwe methode, waardoor het mogelijk moet zijn om toch te bepalen hoe veel ammoniakemissie er in een dergelijke stal plaatsvindt. We willen dat doen via het meten van het C02-gehalte in de lucht. Het is namelijk te meten hoe veel C02 een koe produceert. Als dat gehalte bekend is, kan nagegaan worden hoe snel de lucht ververst wordt. Het meten wordt wel heel moeilijk, maar we denken dat het lukt".

Het toevoegen van zuur aan mest heeft tot gevolg dat ammoniak niet "vluchtig" wordt. Voor dit proces wordt salpeterzuur gebruikt. Dat deze stof na het aanzuren in de mest blijft zitten, hoeft volgens Oosthoek geen problemen op te leveren. „Grasland heeft een grote stikstofbehoefte. Het zuur dat in de mest aanwezig is, kan de kunstmest vervangen".

"De Vijf Roeden"

„Dit seizoen zijn vijftien bedrijven gestart met de toevoeging van zuur aan de mest in hun kelders. Dat geeft wel aan dat deze oplossing voorT\hati emissteprobleem»^d^ aandachtxJteeftv De-.emissie vanaf het rooster waarop het vee staat, blijft bestaan. Hoe veel dat precies is, is nog niet bekend. We gaan dat op onze proefboerderij "De Vijf Roeden" in Duiven in een jongveestal (ingericht met het Limafixprocédé) meten.

„De optie is dat we, door het juist toepassen van maatregelen in de stal, de emissie in de hele keten van stal tot uitrijden omlaag kunnen brengen. Het toepassen van spoelsystemen zou ook voor rundvee gebruikt kunnen worden. Daarmee zijn we nu nog bezig. Het hele idee is trouwens nog niet aan de praktijk toe. Als de vijftien bedrij

„Mest direct na het uitrijden onder de grond werken is niet de beste oplossing". ven die aan de proef deelnemen geen negatieve effecten vinden, kunnen we verder kijken naar een bredere toepasbaarheid".

„De huidige trend is om mest na het uitrijden zo snel mogelijk onder te werken. Bij aangezuurde mest is dat helemaal niet nodig, omdat er toch al nauwelijks emissie naar de lucht plaatsvindt. Of het aanzuren doorgaat, hangt mede af van het standpunt van de overheid, of het wordt toegestaan om mest niet direct onder de grond te werken".

Samenstelling voer

„Door de samenstelling van het voer te veranderen, kan slechts een deel van het mestprobleem worden aangepakt. Door een enzym (fytase) toe te voegen, kan de fosfaathoeveelheid in de mest met onge

Om ammoniak-emissie tegen te gaan wordt onder meer gebruik gemaakt van mestinjectie. veer 30 procent teruggedrongen worden, zodat per hectare meer mest gegeven kan worden. Het mestoverschot wordt daardoor minder. Door het vee een minder eiwitrijk rantsoen te verstrekken kan de stikstofhoeveelheid met 20 tot 25 procent afnemen. Maar we kunnen er niet onderuit dat er altijd ammoniak in mest over zal blijven. Hoe veel het minder kan, willen we meten door mest van verscheidene koeien aan een emissieproef te onderwerpen. Al valt voer eigenlijk buiten ons gezichtsveld. We zijn verantwoordelijk van achter de koe tot in de grond".

Zaken als mestinjectie, zodebemesting, onderwerken van mest en afdekken van mestsilo's zijn van overheidswege al verplicht. Uit de woorden van Oosthoek kunnen we opmaken dat dit eigenlijk symptoombestrijding is. „Het beleid pakt de dingen aan het eind van de mestketen aan. Daarbij wordt ook gekeken naar de controleerbaarheid van de maatregelen. Dit is wel logisch omdat alleen dan van hogerhand ingegrepen kan worden. Het is eenvoudig te zien of mest direct onder de grond gewerkt wordt: Als er niets te zien is, is het goed. De gekozen oplossingen zijn bovendien effectief en relatief goedkoop. De benodigde technieken zijn trouwens ook al aanwezig. Ons stalonderzoek richt zich op een meer integrale aanpak van het ammoniakprobleem. De zaak wordt daarbij zo dicht mogelijk bij de bron aangepakt. Helaas is alles in de praktijk nog niet toepasbaar. Er is echter wel haast geboden, gezien de omvang van de verzuring".

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 12 maart 1990

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

„Mest snel onder de zoden werken niet de beste oplossing

Bekijk de hele uitgave van maandag 12 maart 1990

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's