Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Ik sterf liever hier dan in Libanon"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Ik sterf liever hier dan in Libanon"

Nederlandse vluchtelingenbeleid ter discussie op manifestatie in Paradiso

5 minuten leestijd Arcering uitzetten

AMSTERDAM - „Wij kom naar Nederland, omdat wij heb die oorlog daar. Hier is vrij; in Libanon rotzooi, nie meer water, nie meer elektriciteit. Ons land is een bunker geword. Hartstikke bedankt mense, ik hoop dat het goed gaat met ons in Nederland".

Een wens, afkomstig van de Libanese vluchteling Hassan Sarad uit Leeuwarden, sedert drie weken in Nederland. Ooit, zo zegt hij, werkte hij als vertaler bij Nederlandse Unifillers in zijn vaderland. Sarad is een van de rond 1865 in ons land verblijvende Libanese vluchtelingen. Hij was aanwezig op de Libanon Manifestatie, afgelopen zaterdag in het Amsterdamse Paradiso. Het motto van deze, door het Amsterdams Solidariteits Komitee Vluchtelingen (ASKV) georganiseerde, bijeenkomst luidde "Is oorlog een reden om te vluchten?" Een vraag die door veel aanwezigen met instemming werd beantwoord. Hetzij met emotionele reacties of met spontaan gezang van het Libanese volkslied, hetzij met applaus, gefluit, het herhaaldelijk uitrollen van de rood-wit-rode vlag of het omslaan van een zwart-wit geblokte Arafat-sjaal.

Alvorens het middaggedeelte van de manifestatie zich zou richten op de behandeling van het thema -de status van de Libanese vluchteling in Nederland-, wijdden enkele sprekers veel of minder woorden aan het verleden en heden van Libanon. Robert Soeterik, medewerker van de Middle East Research Associates, schetste kort de geschiedenis en de daaruit gegroeide burgeroorlog die Libanon verscheurt. „De kern van dit conflict is dat met name christelijke facties met gewapend geweld een politieke herverdeling van het land blokkeren. Die herverdeling is noodzakelijk omdat het in 1943 gesloten Nationaal Pact niet meer overeenstemt met de huidige politieke samenstelling in Libanon. In de afgelopen vijftien jaar kreeg de burgeroorlog een eigen dynamiek. Het land is opgedeeld in rivaliserende milities, met elk hun eigen belangen. Het centrale gezag is uiteengevallen, het buitenland —met name Irak, Frankrijk, Israël en het Vaticaan— bemoeit zich op een zeer dubieuze wijze met Libanon".

Hoop

Soeterik ziet overigens nog wel een uitweg. Die ligt volgens hem in de toenemende bereidheid van het volk om de oorlog te beëindigen. Voorts zijn er tendensen in ontwikkelingen op interregionaal en internationaal gebied die het vredesproces kunnen bevorderen.

Een teken van hoop is het in oktober tot stand gekomen akkoord van Taif, waarin zowel door christenen als door moslims concessies werden gedaan ten behoeve van een Libanese vrede, vond Soeterik. „Een probleem is echter dat de uitvoering van Taif nu nog wordt tegengehouden door de christelijke generaal Aoun".

De tweede spreker, de in België woonachtige Libanees Aisam, voegde nog wat aan de stelling van Soeterik toe. „Taif is de eerste stap om Libanon uit de crisis te halen door op korte termijn verkiezingen mogelijk te maken. Daarna kunnen we gaan werken aan sociaal-economische en politieke hervormingen en moeten we de zionistische krachten terugdringen uit Libanon. Immers, de' positie van Aoun wordt versterkt door de Israëlische aanvallen in de regio". Aisam vergat gemakshalve te vermelden dat die aanvallen Palestijnse guerrillabases betreffen. Had hij dit wel gedaan, dan zou het de vraag geweest zijn of het applaus vanuit de zaal ook zo enthousiast zou hebben geklonken.

Als inleiding op de discussie beet ASKV-voorzitter Peter Posthumus de spits af. „Nederland voert ten aanzien van asielzoekers een zeer restrictief afwijzingsbeleid. Het is een ontmoedigingsbeleid, gebaseerd op een argument: het gaat niet om de context vanwaaruit de vluchteling asiel aanvraagt. Hij moet kunnen aantonen dat het geweld tegen hem is gericht. Dat kan in veel situaties helemaal niet, zeker niet in geval van een oorlog, die zich buiten individuen om voltrekt".

Vluchteling Ali Hamoud kritiseerde in dit verband de behandeling van de Nederlandse autoriteiten bij aankomst van de asielzoeker. „De eerste vraag op Schiphol-Oost is: Loop je gevaar, ben je vervolgd? Ze vragen hier om bewijzen; heeft Libanon er niet genoeg? Wij vluchten niet omdat we iets hebben gestolen. Moet Nederland dan de lijken uit Libanon krijgen overgestuurd als bewijs van de noodzaak van onze vlucht?" Een ander: „Ik sterf liever in Holland dan in Libanon".

Forumdeelnemer Kassim Fouani (Libanees): „Voordat een Libanees vertrekt, denkt hij aan terugkeer. Het is een uiterste sprong, omdat hij eerst al elders in het land een veilig heenkomen heeft gezocht. Wij ervaren dat de Nederlandse regering oorlog geen reden tot vluchten vindt. Honderden asielaanvragers worden afgewezen of krijgen de gedoogstatus".

Het verdient aanbeveling het recht op asiel te baseren op de definitie die het Europees Parlement of de Organisatie van Afrikaanse Staten ten aanzien van vluchtelingen hanteert, zo viel te beluisteren. De Nederlandse regering voert in dezen een politiek op basis van het Verdrag van Genève (1951), waarbij het in het bijzonder om de zinsnede „gegronde vrees voor vervolging" gaat. Spreker Paul Schaaik van Vluchtelingenwerk bepleitte als enige handhaving van de Geneefse vluchtelingendefinitie. „We moeten vasthouden aan een verdrag, anders dreigt Nederland in een isolement te komen. Ook de Geneefse bepaling biedt ruimte, maar in ons land ontbreekt de politieke wil tot ruimere interpretatie van het verdrag".

Over mogelijke alternatieven voor „een humaner vluchtelingenbeleid", die dus een verruiming van de vluchteling-interpretatie vereisen, was iedereen het eens. Ds. H. Visser van de Rotterdamse Pauluskerk, waar op de orgelgalerij illegale Libanezen bivakkeren: „Op korte termijn verwacht ik in dit no-nonsense-beleid geen veranderingen, maar wel een ruimhartiger beleid. Justitie moet meer mensen de gedoogstatus verlenen en er dient een goed terugkeerbureau te komen". Tweede-Kamerlid Gerrit Valk (PvdA) oordeelde persoonlijk de gedoogstatus als onbevredigend. „Je hebt dan nog geen rechten. Je kunt deze mensen beter een verblijfsvergunning geven, die eventueel jaarlijks kan worden verlengd". Paul Schaaik zag eveneens wel wat in een tijdelijke verblijfsvergunning.

Ten slotte: Hoewel de mensenrechten voortdurend werden aangekaart, klonk er tijdens een video over een Libanese verzetsgroep instemmend bijval toen er een militair aan flarden werd gereten. Er is wel „alle reden het standpunt van de Nederlandse regering inzake vluchtelingenbeleid ter discussie te stellen". Pogingen echter om de oorzaken daarvan in een helder licht te plaatsen, bleven achterwege. Kortom, ook een dag met enkele manco's.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 12 maart 1990

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

„Ik sterf liever hier dan in Libanon

Bekijk de hele uitgave van maandag 12 maart 1990

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's