Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Omwisselkoers Ostmark in discussie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Omwisselkoers Ostmark in discussie

5 minuten leestijd Arcering uitzetten

Nu de verkiezingen in de DDR achter de rug zijn, zullen er binnen niet al te lange tijd knopen worden doorgehakt met betrekking tot de vorming van een monetaire unie. Een van de belangrijkste beslissingen die in dat verband aan de orde komen, betreft de omwisselkoers van de Ostmark. Van regeringszijde in Bonn beluisteren we meer en meer geluiden die wijzen in de richting van één op één, in ieder geval voor een deel van de contanten en tegoeden van de Oostduitsers.

De Ostmark, het officiële betaalmiddel van de DDR, stamt uit 1948. In dat jaar vond in de westelijke bezettingszones van Duitsland een geldzuivering plaats. Er waren, in verhouding tot de beschikbare goederen en diensten, veel te veel munten en bankbiljetten in omloop. Daardoor dreigde een ware hyperinflatie. Om de zaak te saneren, werd de Reichsmark uit de circulatie genomen en vervangen door de Deutsche mark (D-mark). Burgers mochten een beperkt bedrag omwisselen, de rest van hun geld was op slag waardeloos. De Sowjet-Unie reageerde direct en introduceerde in haar gebied de Ostmark. Genoemde maatregelen legden de basis voor de economische splitsing van Duitsland.

Thans staan we aan de vooravond van de economische hereniging. De Ostmark heeft zijn langste tijd gehad. De totstandkoming van de beoogde monetaire unie lijkt namelijk een kwestie van hooguit enkele maanden. Een proces dat onder normale omstandigheden jaren zou vergen, krijgt momenteel zeer snel zijn beslag. Volgens recente berichten streven de autoriteiten ernaar om voor eind april het definföve besluit te nemen over de integratie van het geldwezen. Op 1 juli zou de eenheid een feit moeten zijn. Vanaf die datum rekenen de Oostduitsers dan hun boodschappen in de winkels af met 'harde' D-marken.

Cruciaal

Van cruciaal belang, zowel voor de bevolking van de DDR als bezien vanuit algemeen economisch oogpunt, is de omwisselverhouding. Aan oostelijke zijde pleit men uiteraard voor 1 op 1. Al naar gelang immers de koers van de Ostmark lager wordt vastgesteld, zijn de contanten, de spaartegoeden en straks de lonen van de mensen aldaar, minder waard en beschikken zij dus over een geringere koopkracht. Het afremmen van de exodus richting Bondsrepubliek -en juist met dat doel zet Bonn zo veel vaart achter de eenwording- vraagt om een voor de DDR-burgers gunstige conversiekoers. Maar die past eigenlijk niet bij de economische realiteit. Een ruil van 1 op 1 leidt tot een sterke groei van de liquiditeiten waarmee bestedingen mogelijk zijn in West-Duitsland. Het valt te betwijfelen of de produktiecapaciteit de wellicht daaruit voortvloeiende vraagimpuls aankan. Het gevaar van een oplopende inflatie ligt op de loer.

Na de opening van de Muur ging op de vrije markt de waarde van de DDR-valuta aanvankelijk flink omlaag, een indicatie voor de zwakke toestand van de economie van het Oostblokland. Begin dit jaar waren 16 Ostmarken nodig voor de aankoop van 1 D-mark. Toen er uitzicht kwam op een monetaire unie keerde het tij. Speculanten kochten Ostmarken, in de hoop die later tegen een aantrekkelijke ruilvoet te kunnen omwisselen. Toenemende vraag verkleinde de.waardeverhouding tussen beide munten tot 1 op 4. Bij de afweging welke koers straks moet gelden bij de introductie van de D-mark in de DDR, is de situatie op de vrije markt echter niet bepalend. Het gaat daarbij primair om een beslissing van politieke aard, met minder gewicht voor economische factoren.

Koopkrachtpariteit

De leerboeken vertellen dat de waarde van een valuta zich laat bepalen aan de hand van de zogenaamde koopkrachtpariteit. Er is in die benadering sprake van een evenwichtskoers als we met de ene munt in het land dat die munt uitgeeft, precies hetzelfde pakket goederen en diensten kunnen kopen als met de andere munt in het desbetreffende andere land. Een voorbeeld: Bij ons kost een produkt 10 gulden, in de Verenigde Staten 4 dollar. Als de wisselkoers van de dollar 2 gulden bedraagt, stemt laatstgenoemde prijs overeen met 8 gulden. De theorie van de koopkrachtpariteit zegt dat in dit geval de dollar ondergewaardeerd en, als spiegelbeeld, de gulden overgewaardeerd is. De juiste koers zou 2,50 gulden zijn. Elke afwijking betekent dat of het ene of het andere land in een voordelige concurrentiepositie verkeert.

Nu werkt het in de praktijk allemaal minder eenvoudig. Als we deze methode op de werkelijkheid willen loslaten, stuiten we op tal van problemen. Om er eens twee te noemen: welke goederen betrek je bij de vergelijking, en pas je wegingsfactoren toe? Daar komt voor de munten uit Oost-Europa nog iets bij. In de Oostblokstaten zijn veel artikelen zwaar gesubsidieerd; derhalve bestaan daar geen reële marktprijzen. Kortom, de theorie van de koopkrachtpariteit biedt geen houvast voor het berekenen van de waarde van de Ostmark.

Tussenweg

Inmiddels hebben bondskanselier Kohl en enkele van zijn ministers in de afgelopen weken hun sympathie geuit voor een conversiekoers van 1 op 1. Daarbij dienen we wel te bedenken, dat zij die uitspraken deden in een periode dat de partijen dongen om de gunst van de Oostduitse kiezers. Tegelijk stelt" PÖhl, de president van de Bundesbank, zich herhaaldelijk op het standpunt dat bij de geldsanering weliswaar een betere koers voor de Ostmark moet worden gegeven dan de vrije markt biedt, maar dat een verhouding van 1 op 1 om economische redenen niet verantwoord is. Maar men bevestigt in Frankfort tevens, dat niettemin ook de centrale bank serieus studeert op de formule 1 op 1.

Het ligt voor de hand dat de beleidsmakers uiteindelijk kiezen voor een soort tussenweg. Te denken valt aan de variant waarbij wel een koers van 1 öp 1 uit de bus rolt, maar slechts voor een maximumbedrag van de om te ruilen Ostmarken. Er zijn ook andere mogelijkheden; als maar niet al het geld onmiddellijk beschikbaar is voor besteding. Zo zou men kunnen besluiten dat de rest van de contanten en van de bankrekeningen wel nu reeds tegen 1 op 1 mag worden omgewisseld, maar dat die financiële middelen voorlopig geblokkeerd blijven. Zij komen geleidelijk aan vrij, naarmate de produktie van de bedrijven in de DDR toeneemt. Dergelijke oplossingen beperken de inflatiedreiging, terwijl het geld van de Oostduitsers de volle waarde behoudt. Voor zover de burgers het willen uitgeven, moeten ze echter geduld oefenen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 maart 1990

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Omwisselkoers Ostmark in discussie

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 maart 1990

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's