Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Feest van Pasen lijkt verstoord door boze fee der wetenschap

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feest van Pasen lijkt verstoord door boze fee der wetenschap

Is Paasfeest vieren nog wel wetenschappelijk verantwoord ? (I)

11 minuten leestijd Arcering uitzetten

De viering van het Paasfeest staat voor de deur: „De Heer is waarlijk opgestaan!" Het Halleluja van de oude paasliederen zal weer opklinken in vele kerkgebouwen en huizen. Dit feest lijkt echter verstoord te worden door de boze fee van de wetenschap: verlamt haar woord niet het lied van de gelovigen? Of is het geen boze fee, maar zuivere theologie die ons leert ontdekken dat het geloof in de lichamelijke opstanding van de Heiland niet kan bestaan en dat we dus maar iets anders moeten denken bij de woorden van die paasliederen? Er is aanleiding ons bij de voorbereiding van het Paasfeest op die vraag te bezinnen

In 1989 verscheen het boekje "Waarlijk opgestaan! Een discussie over de opstanding van Jezus Christus" (Ten Have, Baarn 1989). Het dankte zijn ontstaan aan de discussie rond de loochening van Jezus' lichamelijke opstanding door de Leidse hoogleraar F. O. van Gennep. Ook al is over deze recente discussie niet lang geleden de stilmakende schaduw gevallen van het overlijden van prof. Van Gennep, toch is daarmee geen algemene godsvrede aangebroken. Het onderwerp blijft aan de orde gesteld door anderen en wanneer de atmosfeer verandert, is het probleem nog niet verdwenen. Dit probleem: Moeten allen die geloven in de lichamelijke opstanding van Jezus Christus zich als minder wetenschappelijke mensen laten brandmerken?

De simpele gelovige

Die suggestie ligt wel heel sterk in de bijdrage van de Leidse hoogleraar H. J. de Jonge besloten. Hij schrijft over "Ontstaan en ontwikkeling van het geloof in Jezus' opstanding" (pagina's 31-50). Reeds in de eerste paragraaf roept De Jonge even de eenvoudige gelovige op, voor wie het getuigenis van de evangeliën doorslaggevend is: Jezus zou met Zijn aardse lichaam gewoon uit het graf zijn gekomen. Terstond wordt dan echter de schijnwerper van de wetenschap ge.richt op de schamelheid en de naïviteit van deze gelovige. De Jonge schrijft: „Maar zuiver theoretisch rijzen hier ernstige problemen. Een streng historicus kan het bericht, dat een dode herleeft en zijn graf verlaat, al in principe niet betrouwbaar achten, omdat zo'n opstanding iets volkomen unieks zou zijn, dat tegen alle bekende orde indruist. Zo iets bijzonders zou een historicus alleen voor aannemelijk kunnen houden, als hij er een betrouwbare analogie bij kende" (pag. 32). Hier blijkt hoe de discussie door De Jonge wordt gevoerd voor het forum van het strenge onderzoek, dat gericht houdt over de eenvoudige bijbellezer. Ik citeer van diezelfde pagina: „Serieuze geschiedschrijving kan met minder strikte regels niet meer toe. Wil men uitzonderingen of minder strengheid, dan maakt men zich daarmee alleen ongeloofwaardig". Daardoor zou men „te lage eisen stellen aan de kwaliteit van zijn kennis en zich licht blij maken met een dode mus" (sic!). Mochten we het nog niet hebben begrepen: het gaat hier niet om een keuze tussen geloof en ongeloof, maar om een keuze tussen onzorgvuldigheid respectievelijk zorgvuldigheid: „Kortom, in zorgvuldige geschiedschrijving is voor bovennatuurlijke inbreuken op de gang der dingen in deze wereld principieel geen plaats". Wie daar dus wel in gelooft, diskwalificeert zichzelf als een niet-wetenschappelijk verantwoord gelovende.

Streng of atheïstisch

Dat De Jonge hier een atheïstische visie op geschiedenis in naam der wetenschap tot rechter verheft over de eenvoudige bijbellezers, dringt aan het einde van zijn artikel wel even tot hem door. Hij herhaalt daar dat alles wat in de coördinaten van het vroegere wereldbeeld (met een hemel en een hel) 'gebeurd' heet, niet meer gebeurd kan zijn „in het kader van het huidige wereldbeeld". Daarna laat hij zich echter tot de volgende tussenzin verleiden: „(De enige resterende mogelijkheid), wil men niet met een geheel nieuw, christelijk concept van geschiedenis gaan opereren, enzovoorts...". Het is duidelijk dat De Jonge met zo'n christelijk concept niet wil opereren. Maar waarom niet? Hij adviseert ons in deze tijd de volgende geloofsuitspraak: „Ook ik erken, dat God degene is Die aan Jezus zijn beslissende rol in de geschiedenis heeft toegewezen en Die wilde dat zijn heerschappij door Jezus werd ingeluid". Maar wanneer Jezus een beslissende rol heeft in de geschiedenis, is het dan nog wel juist, de niet-christelijke, atheïstische geschiedenisvisie tot rechter te maken over het geloof ? Is er dan niet alle reden om te komen tot een christelijk concept van geschiedenis, waarin Jezus ook erkend wordt als Degene Die van Godswege de beslissende rol heeft? Er rijst hier toch wel enige twijfel over het alleenrecht van de strenge geschiedeniswetenschap zoals De Jonge die tot rechter verheft.

Lijdende rechtvaardige

In het Nieuwe Testament lijkt het geloof in Christus' opstanding gedeeld te worden door alle schrijvers. De Jonge tracht nu duidelijk te maken dat dit geloof toch niet bij allen dezelfde inhoud heeft en dat wij binnen het Nieuwe Testament een ontwikkeling zien in dit opstandingsgeloof.

Het eerste stadium is wellicht te zoeken kort na Jezus' sterven: „Het is niet onverantwoord te stellen, dat het geloof in Jezus' opstanding is opgevat in de eerste weken of zelfs dagen na zijn dood" (pag. 31).

Blijkbaar kon een aantal aanhangers niet aannemen dat „God hem aan het dodenrijk had overgelaten". Er moest een rehabilitatie hebben plaatsgevonden. Men stelde zich deze voor naar reeds bekende patronen voor rehabilitatie van vromen: In het Oude Testament lezen we vaak over de „lijdende rechtvaardige" die uiteindelijk hulp ontvangt. Jezus de gekruisigde is bij uitstek zo'n lijdende rechtvaardige geweest. Weliswaar vindt in het Oude Testament de rehabilitatie als regel plaats in dit aardse leven, maar er is toch al een tendens naar postuum eerherstel en daaraan is men gaan denken na Jezus' dood.

Hemels loon

Men werd hierbij geholpen door het bestaande idee dat martelaren na hun dood kunnen opstaan in de hemel. Die opstanding van de joodse martelaar, onder andere verwoord in 2 Maccabeeën 7, vormde een geschikt model om daarin de gedachte aan Jezus' rehabilitatie door God tot uitdrukking te brengen. De vroegste christenen stelden zich Jezus' opstanding als volgt voor: „Aansluitend bij de voorstelling van de joodse martelaar dachten ze, datjezus' aardse lichaam begraven was en in het graf verging, maar dat hij met een vernieuwd, verheerlijkt lichaam direct na zijn dood in de hemel was opgestaan"

De Jonge ziet dit vroegste geloof onder andere weerspiegeld in het kruiswoord: „Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn".

Drie dagen

Was er zo volgens het allervroegste geloof geen tijdsduur tussen kruisiging en opstanding, al spoedig schoof men tussen die twee een periode van drie dagen: „Reeds voor Paulus is dat element als een nieuw, extra, secundair gegeven aan de traditie toegevoegd". Men haalde dit element uit de traditie van de lijdende rechtvaardige (Hosea 6:2 en Jona 1:17). Daarbij kwam het heel mooi uit dat de opstanding nu werd gedateerd op de dag waarop men toch al zijn christelijke maaltijd vierde. Christenen vieren dus geen zondag omdat dit de opstandingsdag was, maar de opstandingsdag is op de zondag van de joodse christenen beland (pag. 41). De zondag als dag van Jezus' opstanding is volgens De Jonge een „late rationalisatie".

Verschijningsverhalen

Vanwaar nu de verhalen over verschijningen? Die zijn later ontwikkeld om als bewijs te worden gehangen aan deze visie van Jezus' rehabilitatie in de hemel. Zijn opstanding in de hemel blijkt uit die verschijningen. Ook in de Romeinse wereld kent men verhalen over verschijningen van mensen die in de hemel van de goden zijn opgenomen (Romulus bij voorbeeld en de vrouw van Aeneas). In aansluiting bij wat men in die tijd gewend was, hebben ook christenen verschijningsverhalen geproduceerd om kracht bij te zetten aan hun stelling dat Jezus leefde. Men gebruikte een „literair genre", dat natuurlijk in het geheel geen „bewijskracht heeft" (pag. 43).

Het graf leeg

Een complicatie was echter dat heidenen de ten-hemel-opneming van hun helden altijd beschouwen als een opgaan met lichaam en al. Voor christenen uit de heidenen was het een onwennig idee dat het lichaam van hun in de hemel opgestane Heere zou zijn achtergebleven in het graf. Daarom ontwikkelde men de traditie nog verder: het was Markus (of een voorganger van hem), die het verhaal over een leeg graf introduceerde, om aan de christenen uit de heidenen tegemoet te komen. Paulus had van deze gedachte aan een leeg graf echter nog geen weet: voor hem is Jezus' lichaam in het graf gebleven toen Hij van God de hemelse opstanding ontving (verg. Filippensen 1:23).

Gereconstrueerd

Laat niemand nu denken dat De Jonge ons deze reconstructie aanreikt tot correctie van ons Paasfeest. Het is zeker niet zijn bedoeling ons ertoe te verleiden ook maar enig stadium van deze ontwikkeling tot het onze te maken. Integendeel. Noch het evangelisch verhaal noch de reconstructie door De Jonge kan de moderne mens boeien. Hij behoort immers tot een andere wereld, waarin het oude wereldbeeld voorgoed voorbij is. Hoogstens kunnen we proberen er een algemene formule aan over te houden over „God die Jezus heeft geautoriseerd". En hier blijft mijns inziens zelfs De Jonge toch nog hangen in een rest van orthodoxie. Het hele opstandinesgeloof is immers door mensen ontwikkeld. Waarom zouden wij dat menselijk concept als interessant beschouwen voor deze tijd? Er is geen autoriteit van Christus achter te vinden. De Jonge stelt het zelfs zo: „De oorsprong van de kerk ligt historisch gezien dus bij de volL gelingen die door Jezus' optreden in Palestina gegrepen zijn". „Bij althans een aantal van zijn volgplingen werd het enthousiasme door Jezus' dood niet bekoeld. Integendeel, hun enthousiasme duurde voort en stelde hen in staat, aanknopend hij traditionele voorstellingen, het vertrouwen uit te spreken, datjezus, hoewel begraven, door. God uit de dood was opgewekt" (pag. 49).

De opgestane Christus is dus in feite een door de gemeente gereanimeerde Jezus! Het is niet goed in te zien, waarom wij meer geloof zouden hechten aan deze Jezus dan aan Romulus. De Jonge schrijft zelf: „Waarom zulke getuigen van het hernieuwde leven van de keizers onbetrouwbaarder zouden zijn dan de in 1 Corinthe 15:5-8 en in de evangeliën genoemde getuigen aan wie Jezus zou zijn verschenen, is van historisch standpunt niet zo gemakkelijk te zeggen. Of toch: het is een kwestie van parti pris. Menigeen gunt alleen zijn eigen Heer zijn hemelvaart en accepteert alleen daarover „ooggetuigeverslagen"" (pag. 43). Nu lijkt het mij juist dat geloof in de christelijke ooggetuigen er niet toe mag verleiden bij voorbaat alle ooggetuigen van buitenchristelijke bovennatuurlijke verschijnselen te wantrouwen. De Bijbel laat duidelijk genoeg zien dat wonderen en tekenen ook vertoond worden in de wereld van de afgoden. Dit is echter iets anders dan het categorisch miskennen van het bovennatuurlijke. Voor De Jonge is het moderne wereldbeeld dominerend: daarom kan het opstandingsgeloof historisch niet waar zijn en moet het verklaard worden als literair genre of als theologische projectie. Mijn vraag blijft dan echter wel op welke grond men aan Jezus zou moeten blijven hechten en niet aan keizer Augustus. Waarom gunt De Jonge alleen aan de Heere van de christenen in de 20e eeuw nog rehabilitatie of autorisatie van Godswege?

Recht op aanvaarding?

Een tweede algemene kanttekening betreft de vraag in hoeverre een zogenaamd wetenschappelijke reconstructie recht heeft op aanvaarding wanneer zij in strijd komt met het geheel van de historische bronnen. Is dat strenge geschiedeniswetenschap? Ik denk nu niet aan al de details die De Jonge bespreekt en die het waard zijn er afzonderlijke en bredere aandacht aan te geven. Het gaat mij om een punt waaraan hij zwijgend voorbijgaat. Volgens zijn reconstructie is het geloof in de opstanding te danken aan net enthousiasme van een aantal leerlingen. Hoe verklaart de historicus het nu echter dat de evangeliën unaniem het omgekeerde beeld geven? Bij verklaringen over een hemelvaart van Romulus of van Romeinse keizers is er grote bereidheid bij de mensen om getuigenverklaringen over zo'n hemelvaart te aanvaarden of af te leggen. De evangeliën verschillen hier echter helemaal van wat wij aan vergelijkbare elementen buiten de Bijbel aantreffen in de Romeinse of Griekse wereld.

Zij vertellen ons dat de leerlingen juist niet enthousiast waren en slechts met de grootste moeite konden worden gebracht tot het aanvaarden van het feit van de opstanding. Volgens de evangeliën waren de schapen verstrooid toen de Herder werd geslagen en alleen doordat de Herder opstond, aan hen verscheen en hen weer samenbracht, kon het komen tot de christelijke kerk met haar geloof in de opstanding. De verschijningen fungeren binnen de evangeliën niet als bewijzen voor een opstandingsgeloof naar derden toe, maar als bewijzen van de opstanding naar ongelovige leerlingen toe. Hoewetenschappelijk is nu een reconstructie die aan dit eenparige getuigenis van de bronnen voorbijgaat? Het zal immers niet zo gemakkelijk zijn, vanuit de Joodse of Griekse wereld een verklaring te bieden voor deze tekening in de evangeliën!

Het gaat hier werkelijk niet om een bestaand literair genre dat geen historische bewijskracht zou hebben! Deze globale toetsing van het model dat De Jonge ontwerpt roept twijfel op aan het streng wetenschappelijk karakter van deze specialistenhulp voor bijbellezers. Met deze globale toetsing willen we echter niet volstaan, omdat de details in de argumentatie van De Jonge aanleiding genoeg geven, rond Pasen nog door te spreken over de opstanding van Christus en het geloof daarin. Het Halleluja van onze paasliederen zal immers op den duur gaan verstommen, wanneer we ons geen rekenschap kunnen geven van de hoop die in ons is.

Prof. dr. J. van Bruggen, docent nieuwtestamentische vakken aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) te Kampen, gaat in een drietal artikelen in op de visie van de hoogleraren Van Gennep en De Jonge inzake de lichamelijke opstanding.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1990

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

Feest van Pasen lijkt verstoord door boze fee der wetenschap

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1990

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's