Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Er zijn geen ouderwetsche winters meer"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Er zijn geen ouderwetsche winters meer"

De Kleine Ijstijd is voorbij, maar ook de twintigste eeuw telt heel wat strenge winters

7 minuten leestijd Arcering uitzetten

In de haven van Kopenhagen ligt een pak ijs van vijftien centimeter dikte, IJsbrekers proberen de haven bevaarbaar te houden. In Spanje is door de lage temperaturen grote schade toegebracht aan de groente- en fruitoogst. In Zuid-Frankrijk vriezen flamingo's in hun vijvers vast. Op onze Waddeneilanden ligt veertig centimeter sneeuw. Verwaaide klanken uit een ver verleden? Nee, het zijn kranteberichten uit januari 1985, de enige winter uit de jaren tachtig die volgens de normen binnen de categorie "streng" valt. De winter waarin na een vorstperiode van allure de dijk Enkhuizen-Lelystad door kruiend ijs werd belaagd Al mogen de koude winters van 1986 en '87 ook met ere genoemd worden, de vraag komt toch boven: Wat is er met onze winters aan de hand? Bij de ware winterliefhebber is het enthousiasme tot akelig dicht bij het vriespunt gedaald. Voeg bij het gegeven dat de jaren 1989 en 1988 —in dié volgorde— de warmste van deze eeuw zijn geweest nog wat broeikasfilosofifiën, en alle ingrediënten zijn aanwezig om de doorgewinterde weerfanaat kippevel te bezorgen.

Om de sombere gedachten van die lieden te verdrijven en de bij velen aanwezige hang naar nostalgie te bevredigen, kan het geen kwaad een roemruchte winter uit het verleden op te diepen. Te meer daar het 250 jaar geleden is dat een onvoorstelbaar koude winter grote delen van Europa in een ijzige greep hield. De winter van 1740 dus.

„Wat is er toch met onze winters aan de hand?" Menigeen zal zich die vraag gesteld hebben aan het eind van het jaar 1739. E)e ongemeen felle kou van 17081709, die bij verrassing inzette na een reeks zachte winters, moet zeker tot de verbeelding hebben gesproken. De vorst kreeg toen zo'n sterke greep op ons continent, dat zelfs in Spanje de rivieren dichtvroren. En met Pinksteren kon men nog ijs in de Oostzee bewonderen. Ook de winter van 1716 mocht er zijn. Maar in de jaren dertig van de 18e eeuw, met overwegend zachte winters en warme zomers, zijn al deze herinneringen aan het verdwijnen.

Kleine Ijstijd

Dit alles is te opvallender als we bedenken dat klimatologen het tijdvak 1450-1850 (grofweg) betitelen als de" Kleine Ijstijd; een treffende aanduiding voor een periode waarin relatief veel strenge winters voorkwamen.

Maar als het jaar 1740 zich aandient, wordt er hier en daar een miezerig nachtvorstje gemeten en klaagt men: „Er zijn geen ouderwetsche winters meer". De weerprofeten hebben al een kwakkelwinter voorspeld en als de nieuwjaarspret afgelopen is, „krijgt men de lente al in 't gesigt". Maar op de 5e januari overspoelen arctische luchtmassa's Europa, de wind trekt aan en draait naar het oosten.

Over de bittere kou van 1740 wordt nog lang gepraat en geschreven. Zo schrijft de auteur J. ter Gouw in 1872: „Eiken morgen vond men 't kouder dan den voorgaanden, en de oostenwind sneed zoo scherp, dat ieder bezorgd was dKJ '/o o/ JL 1600 1700 1800 1900 2000 Het globale voorkomen van strenge en zeer strenge winters gedurende de laatste vier eeuwen. Steeds is uitgegaan van een periode van 50 jaar vóór het gekozen jaartal. Zo toont de afbeelding dat 28 procent van de winters tussen 1650 en 1700 streng of zeer streng was. Verder is opvallend: de sterke afname van het aantal strenge winters in de eerste helft van de 18e eeuw; • ongeveer 1850: einde Kleine Ijstijd; strenge winters komen minder vaak voor; • na 1940 kentering: drie strenge oorlogswinters (Grafiek getekend naar gegevens van]. Buisman) voor neus en ooren. Den 10n Januarij was 't zondag, maar de kerken bleven leeg; en toch was de maandag nog kouder: de thermometer van Fahrenheit stond op den 1 In, volgens de waarneming van Nikolaas Duyn te Haarlem, twee graden onder nul" (overeenkomend met -19 graden Celsius, HL).

Theekopjes vriezen aan de tafel vast, velen raken door de koude bevangen en regelmatig wordt van slachtoffers melding gemaakt. Een tijdgenoot tekent op dat „aUes zoo verstijfde door de strenge kouden vorst, dat niets, selfs.bijv t" " vuur, ont^og^t kon blijven".

Waterschuit

En als dan de koude aanhoudt, komen steeds meer bedrijven stil te liggen; de armoede klopt aan de deur. Er ontstaat gebrek aan brandstof en drinkwater. Ter Gouw beschrijft een overval op een waterschuit in Amsterdam: „Voor dag en dauw vielen de plunderaars met emmers gewapend er op aan, en vóór negenen was de schuit al geheel leeggeschept door een ontelbare menigte dorstlijdenden". In andere steden hebben bakkers en kruideniers van plunderaars te lijden.

Ook de februarimaand brengt overwegend vriezend weer, hoewel de koude wat draaglijker wordt. Af en toe dooit het zelfs licht. Maar op 23 februari doet de winter er weer een flinke schep bovenop: de temperaturen schieten omlaag tot ver onder het vriespuht, opnieuw met een straffe oostenwind. De dichtgevroren Zuiderzee wordt driftig bereden met wagens en sleden. „De Noordzee was bevroren tot op een halve mijl, ja voor Ostende strekte 't ijs anderdehalve mijl in zee, wat volgens de loodsen, nog nooit gebeurd was". In het oosten van het land vertonen zich hongerige wolven; een wist zelfs door te dringen tot Amsterdam, „die", zo merkt Ter Gouw geruststellend op: „echter geen mensen verslond, maar zich met kippen en honden vergenoegde".

In grote delen van Europa zucht men onder de gevolgen van de ongekende koude. Op 17 februari is het in Milaan zo bar, dat niemand zich op straat durft vertonen. Voor Genua zag men „wat niemand daar ooit gezien had: een bevroren zee".

"Bar en Boos"

Door naar 1990. Te onzent heeft drs. J. Buisman, docent aardrijkskunde te Den Haag, zich verdienstelijk gemaakt op het terrein van de weerhistorie. Hij heeft enkele publikaties op zijn naam staan, waaronder het boek "Bar en Boos", waaraan we enkele gegevens ontleenden. Hierin wordt een beeld geschetst van acht eeuwen winterweer in de Lage Landen.

Buisman wil niet beweren dat de vroegere winters in de eerste plaats strenger waren dan tegenwoordig. Wel maakten ze veel meer indruk en gingen ze met allerlei ongemakken gepaard. Hij noemt het feit dat de steden in die tijd kleiner waren, „Je was eerder buiten". Verder was het water minder vervuild, zodat gemakkelijker bevriezing optrad. Ook moeten we niet vergeten dat veel van het huidige comfort volslagen onbekend was; de huizen waren kleiner en slechter geïsoleerd. Men kende ook transportproblemen bij aanhoudende vorst; de mens was veel afhankelijker van de natuur. In de winter van 1978-'79 deden zich ook in Nederland extreme situaties voor. Op de foto een deel van het geheel ingesneeuwde dorp Hollum op Ameland.

Over het antwoord op de vraag of onze tegenwoordige maatschappij een winter van het kaliber-1740 wel aan zou kunnen, verkeert Buisman niet in onzekerheid: „We hebben toch de winter van 1962/63 ook doorstaan? En die was wel een van de allerkoudste".

Broeikaseffect

Na aanvankelijke aarzeling wil Buisman nog wel iets kwijt over de mogelijke invloed van het broeikaseffect op de mate waarin strenge winters optreden. „Ik herinner me nog dat aan het einde van de jaren dertig van deze eeuw ook al over het broeikaseffect werd gesproken. Voor 1940 maakten we ook een groot aantal jaren mee met zachte winters en vrij warme zomers; er trad een afsmelting van pakijs op, noordelijke zeeroutes kwamen weer open te liggen. En dan duiken er ineens weer strenge winters op: 1940,1941,1942,1947..." Buisman waagt zich duidelijk niet op glad ijs; hij voelt niets voor voorbarige conclusies. Hij legt ook uit dat sinds het warme jaar 1976 nog verscheidene koude winters zijn opgetreden: 1979,1982,1985,1986,1987, waarvan de winters van 1979 en 1985 zelfs in de categorie "streng" thuishoren.

Het huidige klimaatsvraagstuk vindt Buisman „een van de meest destabiliserende factoren in de wereldeconomie". Hij dringt daarom aan op grootschalig.onderzoek. „Zowel het lot van miljoenen Sahel-bewoners als de visproduktie van het arme Peru, de Russische graanoogsten en het energie-scenario van West-Europa zijn in het geding. Daarom is een wereldwijd onderzoek door geografen, historici en klimatologen bittere noodzaak".

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1990

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Er zijn geen ouderwetsche winters meer

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1990

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's